donderdag 26 januari 2012

Hospiteren

Door: Martijn van den Berg
Ik woon in een studentenhuis in de binnenstad van Leeuwarden met nog 9 studenten. Dit betekent dat je nooit invloed kan hebben op met wie je samenwoont. Daarnaast deel je de gemeenschappelijke ruimtes met anderen, wat je heel erg afhankelijk maakt van andere huisgenoten. Daarom wordt het huis erg vaak gebruikt als doorstroom naar een betere woning. Aangezien het huis wel populair is onder studenten, betekent dit een hoge doorstroom. Een paar weken geleden stonden er nog 4 kamers leeg. Tijd voor een kijkdag.

Op een kijkdag nodigen we via facebook en kamernet mensen uit tussen een bepaalde tijd langs te komen. Als deze mensen komen, geven we ze een korte rondleiding, en proberen we tijdens de rondleiding een beetje het karakter in te schatten van deze personen. Daarna gaan we rond de tafel zitten, en besluiten we wie we in huis willen hebben. Dit proces heet hospiteren.

Vorige keer stonden er op mijn verdieping 3 kamers leeg, en dus een lastige beslissing, en minder keus. Ik bewaak de kwaliteit van de verdieping streng. Ik probeer te zorgen dat de hele groep samen eet, afwast en schoonmaakt, en organiseer daarnaast de meeste huisfeestjes. Dit werkt echter alleen als mensen hieraan willen meewerken. Dit betekent voor nieuwe mensen dat je binnen de 15 minuten van de rondleiding moet inschatten of ze het type zijn die een dergelijk systeem aankunnen. En dit is erg moeilijk.

Mensen die op het eerste gezicht rustig overkomen, kunnen in het bijzijn van vrienden erg luidruchtig zijn, en andersom. Mensen die er zelf erg netjes uitzien, kunnen zo mensen zijn die met afwassen en schoonmaken het laten afweten. Je kunt mensen wel vragen wat voor personen ze zijn, maar niet elk persoon beschikt over genoeg zelfkennis.

We hebben uiteindelijk 3 van de 4 mensen gevonden. De keuze lag erg moeilijk, aangezien je met alleen rustige mensen of alleen drukke mensen nergens komt. Je moet mensen uitkiezen waarvan je denkt dat ze bij elkaar passen. Binnenkort is het verhuistijd, en dan gaan we zien of mijn keuzes ook echt gewerkt hebben.

woensdag 25 januari 2012

Tablet of laptop: that's the question!

Heel veel scholen houden zich op dit moment bezig met de vraag via welke device(s) ze hun leerlingen toegang willen geven tot internet en alle tools die daar te vinden zijn en tot de leermaterialen die de leerlingen nodig hebben voor hun lessen. De antwoorden op die vraag zijn uiteenlopend: er zijn (nog) heel veel scholen waar leerlingen geen eigen device hebben maar wel gebruik kunnen maken van een groot aantal p.c.'s in lokalen, studiecentra en mediatheken, er zijn scholen waar minder wordt geïnvesteerd in laptops of p.c.'s op school omdat leerlingen daar een eigen laptop krijgen van school en er zijn ook scholen die hun leerlingen geen laptop geven maar een tablet.

Wat de beste keuze is, is natuurlijk afhankelijk van wat de school wil met het onderwijs. Aan het besluit welke investeringen de school doet in hardware voor de leerlingen, gaan dan ook vaak vele vergaderingen vanaf: welk doel willen we bereiken en wat zijn daarbij onze prioriteiten, en welke investeringen (zowel in geld als wat betreft scholing) willen we doen om dat doel te bereiken?

Zoals altijd geldt ook hierbij: praten is goed, maar daar moet je het niet bij laten: je moet er ook mee aan de slag. Dat was ook de insteek van het Mondriaan college in Oss. Zij zijn van plan het komend schooljaar hun leerlingen een eigen device te geven, en wilden - net als veel scholen op dit moment - weten welk device het beste past bij hun onderwijsvisie. Om daarachter te komen hebben zij - samen met Kennisnet - een uitgebreide plugfest-bijeenkomst georganiseerd waar ze eerst kennis maakten met een aantal mogelijke toepassingen van ICT in de klas, variërend van het gebruik van Twitter in de geschiedenisles tot het samen met de klas opzetten van een Wiki.

Vervolgens kwamen de verschillende devices waarvan ze de mogelijkheden en grenzen wilden verkennen op tafel: laptops en tablets van verschillende merken (Asus en Apple) en - dus ook - besturingssystemen. Om gedegen te kunnen testen was tevoren een testformulier opgesteld, met daarin allerlei opdrachten die leerlingen op school nu (op de huidige computers op school) - moeten en kunnen doen. Deze opdrachten  waren ingedeeld in de categorieën: materialen delen, audio en video afspelen/bekijken, digitaal leermateriaal van diverse uitgevers en organisaties bekijken, zelf creëren, gebruik van de ELO en bijzondere toepassingen zoals het gebruik van digibordsoftware en dyslexiemiddelen. De opdrachten werden op alle devices uitgeprobeerd en in het formulier werd opgeschreven wat het apparaat wel en niet kon: kon de opdracht uitgevoerd worden of niet, moest er speciale software geïnstalleerd worden, was alles op een goede manier zichtbaar op het scherm enz. Deze resultaten werden vervolgens in een excelformulier gezet in de vorm van plussen en minnen. Daarbij moesten de testers aangeven wat het belang was van die functie voor de lessen zoals ze die nu gaven.

Ik ben zelf niet bij de bijeenkomst geweest, maar ik hoorde van de organisator vanuit het Mondriaan college, Linda Le Grand, dat de dag een groot succes was omdat directie, docenten en leerlingen (allen vertegenwoordigd in de bijeenkomst) nu beter zicht hadden op de eisen die ze zelf stellen aan de ict-middelen voor hun lessen en op de mate waarin de diverse devices op dit moment aan die eisen tegemoet komen.

Ik heb Linda gevraagd of ze hun ervaringen wil delen via dit blog en dat wil ze graag doen. Daarom hierbij de links naar een aantal bestanden:
 Op dit moment zijn alleen de resultaten uitgewerkt voor de Asus Eepad; de resultaten voor de iPad komen binnenkort beschikbaar.

Als je op school overweegt de leerlingen van een eigen device te voorzien, dan kan ik je zeker adviseren om gebruik te maken van de materialen. De resultaten van de tests zijn interessant als eerste oriëntatie: wat kunnen de apparaten wel en wat niet. Ben je al een stap verder en wil de school op korte termijn nieuwe devices aanschaffen, dan zou ik je adviseren om zelf - mede op basis van het door het Mondriaan college ontwikkelde formulier - een eigen testformulier te ontwikkelen. Immers elke school heeft zijn eigen onderwijsvisie, elke docent heeft zijn eigen voorkeuren voor tools en leermaterialen en ook leerlingen hebben hun eigen visie en mogelijkheden m.b.t. het gebruik van apparatuur op en voor school.

Er is nog veel meer materiaal voor en over deze dag gemaakt: te veel om in deze blogpost te delen. Wil je meer informatie over de aanpak en de uitkomsten van deze dag, laat dan een reactie achter onder dit blog. Linda heeft beloofd te reageren op jullie vragen.

dinsdag 24 januari 2012

Leren en het brein

In de kerstvakantie heb ik een aantal boeken en andere publicaties gelezen over het brein. Dat onderwerp is nogal hot en ik heb de indruk dat er heel veel meer over verteld wordt dan dat we erover weten, maar dat weerhoudt me er niet van om met enige regelmaat me in de materie te verdiepen. Je weet immers maar nooit of het nog iets leuks oplevert ;-)

Mijn allerbelangrijkste conclusie is dat we (op dit moment nog) geen algemeen geldende regels kunnen opstellen voor het onderwijs. Er zijn wel algemene zaken die we weten over de ontwikkeling van hersenen, maar de verschillen tussen individuen zijn zo groot dat we ons onderwijs niet volledig op de algemene zaken kunnen afstemmen. Vergelijk het met kledingmaten: de meeste kinderen van 13 jaar hebben kledingmaat 158 en kinderen van 14 maat 164, maar er zijn maar weinig ouders en kinderen die op basis van deze gemiddelden kleding kopen. Voor de ontwikkeling van de hersenen geldt dat we wel kunnen duiden hoe het brein verandert, maar dat betekent niet dat we op individueel niveau weten wat iemand kan op een bepaalde leeftijd. We weten dat het voor adolescenten over het algemeen lastig is om consequenties op langere termijn te overzien, maar de ene leerling is daar toch duidelijk beter in dan de andere. Wil je goed onderwijs geven, dan zal je dus altijd rekening moeten houden met die verschillen en daar zoveel mogelijk op inspelen.

Toch vind ik (sommige) breinboeken wel de moeite waard om te lezen, omdat ze je een inzicht geven waar je rekening mee moet houden als je onderwijs geeft: wat je in zijn algemeenheid wel en niet kan verwachten van leerlingen op verschillende leeftijden (lees hiervoor bijv. het boek Ellis en het verbreinen, van Jelle Jolles) en hoe je het brein optimaal kan laten functioneren (te lezen in o.a. Breinmeester van John Medina).

Met name het laatste boek kan ik elke docent aanraden om te lezen. De tips die hierin gegeven worden zijn op alle leeftijden bruikbaar. De opbouw van het boek is helder en overzichtelijk en elk hoofdstuk eindigt met een samenvatting waarin o.a. de belangrijkste tips om je hersens optimaal te benutten worden opgesomd. Wat ik daarbij erg leuk vindt is dat het boek de tips die ze geven, waar mogelijk ook in de praktijk brengen, bijv. het geleerde herhalen, kapstokken (voorbeelden, intro's) bieden om de kennis aan op te hangen, 'saaie' informatie afwisselen met 'sappige' verhalen enz.

Natuurlijk heb ik me ook afgevraagd welke rol ICT kan spelen om de mogelijkheden van hersenen optimaal te benutten. Die mogelijkheden zijn er zeker. Denk bijvoorbeeld aan het aanspreken van meer zintuigen om kennis over te brengen: met ICT kan je informatie aanbieden in geschreven vorm, maar ook in beeld en geluid. Kennis herhalen is natuurlijk ook makkelijk met ICT: je kunt bijv. je lessen opnemen zodat leerlingen die naderhand nog eens kunnen terugkijken/-luisteren of gebruik maken van de communicatiemogelijkheden van ICT om op regelmatige tijden (delen van) de leerstof nogmaals bij leerlingen onder de aandacht te brengen.

Ben je geïnteresseerd in dit soort zaken? Ik heb een workshop samengesteld met tips over hoe je met behulp van ICT gebruik kan maken van wat we weten over de werking van de hersenen in het onderwijs. Ik kom hem graag geven op jouw school.

Afbeelding van nerdabout, gepubliceerd onder CC-by-nc-sa.

maandag 23 januari 2012

Fakebook

Meestal als je iemand hoort zeggen dat iets 'fake' is, dan wil hij daarmee zeggen dat hij het minder waardevol vindt dan het origineel. Maar Fakebook van Classtools is voor het onderwijs misschien nog wel leuker dan het 'echte' Facebook.

Fakebook is een website waarmee je 'net echte' Facebookprofielen kan maken. Maar in tegenstelling tot Facebook is het bij Fakebook niet de bedoeling om je eigen leven in kaart te brengen, maar juist het leven van anderen. Van historische figuren of hedendaagse kunstenaars, van politici of uitvinders, van schrijvers of van wetenschappers enz. Door het leven van die personen vast te leggen in Fakebook, kan je leren over die persoon en over het tijdperk en de cultuur waarin die persoon leeft of leefde. Je kan dat natuurlijk ook doen door een profiel te maken in het echte Facebook, maar dat is door Facebook formeel verboden. Daarnaast geldt er voor Facebook een leeftijdsgrens van 13 jaar, dus leerlingen in het basisonderwijs mogen er geen gebruik van maken.

Fakebook kent die beperkingen niet: de enige beperking die daaraan zit is dat het alleen bestemd is voor onderwijskundige doeleinden. Verder mag iedereen die dat wil met Fakebook een profiel aanmaken van iedereen die hij wil. En op dat profiel kan je behoorlijk wat informatie kwijt:
  • in het profiel zelf geef je een beschrijving in feiten van je leven, bijv. je geboortedatum, opleiding, werk, hobby's, burgerlijke status enz., en je zet bij je profiel een foto,
  • je kunt posts plaatsen bij je profiel over wat je hebt gedaan. 
  • In een post kan je YouTube-filmpjes embedden
  • bij die posts kan je comments plaatsen: van jezelf of van andere (imaginaire) figure,
  • bij een comment kan je een duimpje omhoog (like) of omlaag (dislike) zetten,
  • je kan ook aangeven wie je vrienden zijn en ook van hen kan je een foto online zetten. 

Foto's voor je eigen profiel of de profielfoto's van je vrienden kan je uploaden vanaf je eigen p.c. of automatisch laten zoeken door Google Image Safe Search. Daarmee loop je heel weinig risico dat je beelden krijgt die je liever niet wilt laten zien aan kinderen, maar het voegt natuurlijk wel wat toe als je leerlingen zelf plaatjes laat zoeken, zeker als je ze vraagt om een beeld te kiezen dat past bij het imago dat ze die persoon willen geven.

Om met Fakebook te kunnen werken heb je geen kennis nodig van HTML of dat soort zaken: je werkt gewoon met een tekstverwerker en als je een filmpje in een post wilt plakken, dan hoef je alleen de URL van het filmpje in je post te zetten. Als je een Fakebookprofiel hebt gemaakt, kan je dat opslaan in het archief zodat anderen er gebruik van kunnen maken, en/of opslaan op je eigen p.c.

Wil je dat leerlingen op elkaars profielen reageren? Embed dan de profielpagina's in een site of weblog zodat ze daarin hun reactie kunnen plaatsen. Daarmee creëer je de mogelijkheid om een rollenspel te spelen. Je kan je leerlingen de opdracht geven Fakebookprofielen te maken van historische figuren uit een bepaalde historische periode en die op elkaar laten reageren, of je kan leerlingen een rollenspel laten spelen waarbij ze een bepaald probleem toelichten vanuit het leven van hun profielpersoon (bijv. de vraag of we moeten vasthouden aan de Euro, gezien vanuit een ondernemer, een bank, de Nederlandse bank, een multinational, een pensionado die de winter doorbrengt in Spanje enz.).

Er zijn al heel wat Fakebooks gemaakt. Een deel daarvan is terug te vinden in het archief. Ook als je niet door je leerlingen een Fakebookprofiel wilt laten maken, is het leuk om er eens een kijkje te nemen. Misschien vind je er wel een profiel van iemand over wie jij net wat wilt gaan vertellen in de les.



View Fullscreen | Create your own


N.B. Je kunt natuurlijk ook met andere sociale media een (historische) periode in kaart brengen. Kijk maar eens wat Alwyn Collinson doet met haar Twitteraccount RealTimeWWII. Zo uitgebreid is misschien niet haalbaar, maar wat let je om een poging te wagen met je leerlingen?