Als student kan je niet altijd genoeg geld hebben. Je zult dus wat bij moeten verdienen. Dit kan het beste in de verschillende vakanties, waarvan de zomervakantie de grootste is. Voor mij tien weken in totaal. En aangezien veel studenten amper op vakantie gaan dus tien weken helemaal vrij. Sommige studenten gebruiken deze periode om uit te rusten, sommigen om te werken. Aangezien ik een van die mensen ben die niet stil kan zitten, ga ik voor de zomerbaan.
De zomerbaan is dé ultieme gelegenheid om geld bij te verdienen en tegelijkertijd een beetje nieuwe kennis op te doen. Op zoek naar de ideale zomerbaan is nog best moeilijk. Je wilt dat het goed verdient, het een beetje leuk werk is en dat je er in de meeste gevallen ook nog wat kennis aan overhoudt.
Maar hoe ziet een potentiele werkgever dit? Je bent een student met weinig kennis en ervaring, wilt een enigszins unieke ervaring als werk zijnde, en je wilt er ook nog eens wat mee verdienen. Maar aan de andere kant kunnen veel werkgevers niet zonder zomerkrachten, aangezien deze een tijdelijke opvulling geven aan de opkomende drukte.
Conclusie die je hieruit kan trekken, is dat als je een zomerbaantje zoekt, je niet te hoog moet grijpen. Ga niet voor de hoogste positie, het is slechts tijdelijk. Een hoog salaris moet je vooral goed voor zoeken en goed zijn in sollicitaties. Maar voor alles geldt: Begin op tijd.
Ik ben nog op zoek naar een zomerbaantje. Liefst in de horeca, in het bijzonder een pretpark. Als iemand nog mensen kent die mij kunnen helpen, hou ik mij aanbevolen.
Het blog sluit na dit blogje tot 17 mei ivm koninginnedag en vakantie. Wij wensen iedereen een fijne vakantie toe!
Wie weet het nog: lang geleden maakte Durk Jan de Bruin de website Startpagina: een verzameling linkjes die voor Nederlandstaligen de ingang moesten vormen voor het wereldwijde web. het idee was niet nieuw, maar Nederland was erg blij met de Startpagina van Durk Jan: menigeen zocht via Startpagina zijn weg op internet. Na verloop van tijd kreeg die Startpagina dochters: startpagina's rond een thema. Een geweldig idee, waar meneer de Bruin een behoorlijk fortuin mee heeft gemaakt. Er zijn heel wat varianten op Startpagina, voor alle landen van de wereld.
Zelf je eigen startpagina kunnen maken is nog handiger dan gebruik maken van kant-en-klare startpagina's. Daarvoor heb je inmiddels allerlei makkelijke tooltjes, zoals iGoogle, Delicious en Symbaloo. In het Nederlandse onderwijs wordt veel gebruik gemaakt van YURLS: Your favourite URL's, een heel eenvoudige maar doeltreffende tool die je niet alleen in staat stelt om je favoriete URL's online te categoriseren en te bewaren, maar ook om met anderen favoriete URL's uit te wisselen.
Livebinders is een vergelijkbare tool als YURLS: je kunt daarmee je favorieten opslaan en met anderen kunt delen. Vooral dat laatste vind ik interessant: Livebinders zijn ingedeeld in categorieën, waaronder een categorie Education. En die categorie bevat maar liefst 1822 Livebinders: verzamelingen van educatieve websites. Je kunt ook zoeken op woorden in de titel van de Livebinders, bijv. mathematics of educational games (let op: zonder aanhalingstekens!).
Het is de moeite waard om de collectie Livebinders te bekijken: je vindt er allerlei inspirerende sites en leermaterialen. Je kunt ook kijken in de bijbehorende wiki: daar zijn Livebinders op onderwerp (bijv. product tutorials en special needs), schoolvak (bijv. English en ESL) en niveau (van pre-K tot 10th grade) bij elkaar gezet. Hieronder een (kleine) Livebinder over het gebruik van woordenwolken in het onderwijs.
Zo af en toe krijg ik een verzoek of ik mee wil helpen bij een afstudeeronderzoek, door mee te helpen zoeken naar geschikte literatuur, vragen te beantwoorden of mee te helpen zoeken naar experts. Als dat mogelijk is, help ik graag.
Daarom sta ik vandaag mijn blogruimte af aan Jan Willem Lutgendorff. Hij studeert aan de Pabo en is bezig met een afstudeeronderzoek. In zijn onderzoek wil hij een vergelijking trekken tussen de traditionele geschiedenislessen en de mogelijkheden van het location based learning. Voor zijn onderzoek wil hij leerkrachten een interview afnemen. In de tekst hieronder vertelt Jan Willem zelf waar zijn onderzoek over gaat, en welke informatie hij nodig heeft. ik hoop dat jullie zijn vragen willen beantwoorden!
In Layar wordt de Berlijnse muur d.m.v 3D model weer teruggezet.
In de afgelopen jaren hebben we verschillende pilots en projecten voorbij zien komen rondom location based learning. Met een smartphone de omgeving verkennen. In de publicatie ‘De wereld als Leeromgeving’ kijkt SURFnet terug op een aantal projecten. Het laat ons zien dat er zoveel mogelijk is met behulp van een smartphone en GPS ondersteuning. In de voorbeelden wordt ook beschreven hoe stimulerend het werkt op de leerlingen. Inmiddels zien we dat er nieuwe projecten worden uitgezet waarbij de mogelijkheden van location based learning worden uitgebreid. Het opgekomen augmented reality waarover Margreet eerder al geschreven heeft, kent verschillende mogelijkheden voor het onderwijs.
Zelf zie ik voor het geschiedenisonderwijs veel mogelijkheden met location based learning. Om historisch besef bij te brengen worden er bij de geschiedenisles beeldvormers gebruikt. Dit zijn bijvoorbeeld afbeeldingen, video’s of verhalen. Hoewel er een heel scala aan mogelijke beeldvormers is, worden ze lang niet altijd gebruikt in een reguliere les. Met de mogelijkheden van een smartphone kunnen leerlingen worden uitgedaagd om een interview af te nemen, het bezoeken van een monument en met de mogelijkheden van augmented reality kan het kasteel worden geprojecteerd op de plek waar vroeger een kasteel stond.
Waar ik als onderzoeker naar geïnteresseerd ben is of u als onderwijzer er klaar voor bent om met uw groep erop uit te gaan met smartphones. Het onderzoek richt zich ook op geschiedenisonderwijs. Welke beeldvormers gebruikt u in uw geschiedenisles? Ziet u het zitten om een met behulp van een GPS wandeling het thema ‘Tweede Wereldoorlog’ dichtbij huis te halen? Misschien wordt door location based learning geschiedenis opeens wel erg boeiend! Uiteindelijk hoop ik een conclusie te kunnen trekken waarbij ik niet alleen een beeld zal geven hoe het onderwijs de inzet van smartphones ziet maar ook de waarde van location based learning naar voren brengen met betrekking tot geschiedenisonderwijs.
Ik hoop dat u als lezer de enquête zou willen invullen, welke vijf minuten duurt. De enquête richt zich op de bovenbouw van het basisonderwijs (5-8). Juist naar uw praktijkervaring als leerkracht ben ik op zoek! Klik hier voor de enquête. De uitkomsten zal ik met jullie delen via dit weblog!
Onlangs werd ik gewezen op de tool Holy, en de wedstrijd Clips voor Vrijheid. Met de tool Holy kan je eenvoudige animaties maken, waarbij je afbeeldingen over en achter elkaar kunt bewegen, bijv. een poppetje dat je van links naar rechts door je scherm verplaatst. Door voorwerpen in een bepaalde tijd te vergroten of verkleinen wek je de indruk dat een voorwerp in die tijd dichterbij komt, of verder van je af komt te staan. Met Holy kan je ook een tekst toevoegen aan je animatie (bijv. een tekstballon), of geluid, zodat je je figuurtje kunt laten praten. Ik vond zelf de tool niet heel intuïtief werken, maar mij werd verteld dat dat kan komen doordat ik met filmbewerkingssoftware werk: ervaren ict-gebruikers schijnen meer moeite te hebben met de tool dan mensen die geen ervaring hebben. Maar het kan natuurlijk ook gewoon zijn dat ik niet zo'n handige gebruiker ben ;-(
Hoe het ook zij: met wat doorzettingsvermogen en met hulp van Mr. Holy, die je stap voor stap uitlegt wat je moet doen, kan je al na een half uurtje een clip in elkaar zetten. Je kunt daarbij zowel gebruik maken van beeld, geluid en tekst die in de tool beschikbaar is, als van materialen die je zelf uploadt naar de site van Clips voor Vrijheid.
Door leerlingen een clip te laten maken over vrijheid, zullen ze op zoek gaan naar een beeld over vrijheid dat past bij hun eigen ervaringen en belevingswereld. Ze zoeken naar passende beelden, waarbij natuurlijk ook symbolen gebruikt mogen worden. Ze kunnen ook bij een (zelf geschreven) gedicht een clip maken, waardoor je ze beeld en tekst laat combineren. Het maken van een clip levert een heleboel aanknopingspunten op om te praten over zaken als auteursrecht, (verborgen) boodschappen in tekst, beeld en geluid en hoe en waar je moet zoeken op internet.
Wie nu een clip maakt op de site Clips voor Vrijheid, doet automatisch mee met de wedstrijd. Je moet er wel snel bij zijn: je clip doet mee als je die voor 29 april 'inlevert' op de site. De jury kiest op 3 mei de beste clips. Deze clips worden op één van de landelijke bevrijdingsfestivals vertoond op een groot scherm, en de makers van de clips krijgen daar een Backstage VIP Tour.
Er zijn al een aantal blog- en Twitterberichtjes over verschenen: de Searchstories van Google en YouTube. Een Searchstory is een kort verhaaltje in de vorm van beelden van 6 zoekopdrachten. Een Searchstory maak je door 6 zoekopdrachten in te voeren, waarbij gezocht kan worden naar teksten op het web, naar een locatie in Google Maps, naar afbeeldingen (via Google Images), naar nieuws (via Google News), je kunt zoeken in blogberichten (in Google Blogsearch), naar producten (via Google Product Search) en naar boeken (via Google Books).
In onderstaande searchstory zie je hoe je door een aantal zoekvragen te combineren, een verhaal kunt maken. Je krijgt een beeld van de hoofdpersoon doordat je over zijn schouder meekijkt naar de informatie die hij nodig heeft om zijn leven te leiden. Een erg leuk concept voor een verhaal vind ik, en zeker ook bruikbaar in het onderwijs.
Je kunt searchstories ook op een andere manier gebruiken: je kunt leerlingen vragen om zich voor te stellen aan een ander op basis van zoekvragen, voor een kennismaking met leerlingen van een partnerschool (in het buitenland) of voor een vak als levensbeschouwing of maatschappijleer. De zoekvragen kunnen dan gaan over hun hobbies, ze kunnen hun vriendenkring ermee in beeld brengen, een weekend- of vakantiebaan, hun toekomstdromen, karaktereigenschappen of waarden die ze belangrijk vinden enz. Voor aardrijkskunde kan je leerlingen een searchstory laten maken over een plaats, regio of land, voor geschiedenis kan je een tijdperk of een historische figuur in kaart laten brengen, en voor biologie kan je een searchstory laten maken van het milieu in de omgeving van de school.
Wat is de winst van het gebruik van een searchstory? Om te beginnen zijn leerlingen vaak gemotiveerder om met beeld en computer aan de slag te gaan, dan met boeken en tekst. Om een searchstory te kunnen schrijven, moeten leerlingen heel wat informatie zoeken en selecteren, waarbij aandacht besteed kan worden aan het slim formuleren van een zoekvraag en het beoordelen van gevonden informatie en aan de verschillende manieren waarop informatie gepresenteerd kan worden: in beeld of tekst. Aan het maken van het verhaal zelf hoeven ze maar weinig aandacht te besteden: de tool is zo gebruiksvriendelijk dat ze die praktisch direct zullen doorgronden. Dat maakt searchstories dus interessant zowel voor het verwerken van de gewone leerstof als voor het mediawijs maken van leerlingen. Voorwaarde daarvoor is wel dat leerlingen begeleid worden bij het omgaan met informatie op internet, want dat leren ze - net zo min als andere vakken - niet vanzelf!
Driekwart jaar praktijkervaring met PBL heb ik. En niet zo maar praktijkervaring. Ik heb mijn eigen tactieken ontwikkeld. Tactieken waarmee ik hoge punten kan scoren. Tactieken waarmee ik de groep kan helpen verder te komen in het proces van kennisvergaring. Tactieken om een PBL sessie te veranderen.
Allereerst begin ik met het grootste voordeel en nadeel van PBL. De leraar die erbij zit. Iedere leraar is anders, dus binnen een moduul kan het zijn dat twee verschillende leraren bij verschillende groepen totaal een andere strategie hebben van PBL geven. De een is bijvoorbeeld meer betrokken bij het proces, en de ander laat het graag over zich heen komen. De verwachtingen zijn ook verschillend bij iedere leraar, en zo ook helaas de punten.
Als leerling zul je hierop in moeten spelen. Iedere leraar heeft een bepaald beeld van een ideale PBL leerling. Aan jou de taak om uit te vinden hoe je dit bent. Moet je bijvoorbeeld op de achtergrond blijven en alleen aanvullingen maken of moet je iedere keer direct de leiding nemen? Moet je veel informatie onthullen of slechts de groep inspireren door een tipje van de sluier op te lichten. Allemaal aspecten die je in overweging moet nemen.
Een ander groot probleem zijn de dominante mensen in een groep. De mensen die bij iedere vraag meteen een perfect antwoord geven en geen kans meer laten aan de andere mensen in de groep, het zij de iets meer verlegen mensen. Je mag passief zijn in een groep, maar verlegen is zeker een niet aan te raden kwaliteit. Dominante mensen zijn niet tegen op te boksen. Je kunt ze slechts veranderen door ze te confronteren met hun gedrag. Immers, twee dominante mensen draait vaak uit op een verbale ruzie.
Dit was mijn serie blogjes over PBL. Ik hoop dat ik iedereen genoeg heb kunnen informeren over PBL. Ik vind het zelf een originele manier van leren, alhoewel veel leerlingen het niet de meest prettige manier vinden. Niet iedere module is PBL leuk, af en toe is het bikkelen. Maar uiteindelijk is toch mijn ervaring dat het wel werkt.
Zoals in mijn profiel hiernaast te lezen is, werk ik op dit moment - naast mijn andere klussen - parttime voor SURFfoundation. Eén van de taken die ik daar heb, is het - in samenwerking met SURFnet - vormgeven van SURF-academy, een samenwerkingsverband van SURFnet en SURFfoundation. SURF-academy is een professionaliseringsprogramma rondom ICT in het hoger onderwijs en onderzoek. Binnen dat programma worden allerlei soorten trainingen verzorgd, variërend van één dagdeel, tot een aantal dagen, en vanaf inleiding tot masterclass.
Op 6 en 7 mei organiseert SURF-academy een Spring School Leren in Sociale Netwerken. Sociale netwerken als Hyves en LinkedIn worden door steeds meer mensen gebruikt: om zich te profileren, om contacten te leggen of te onderhouden, om bestanden uit te wisselen enz. Je kunt sociale netwerken privé gebruiken, maar ze bieden ook mogelijkheden in het onderwijs: ten behoeve van de eigen professionalisering of binnen het eigen onderwijs, bijvoorbeeld voor communicatie met (oud-)studenten, het praktijkveld, collega’s en andere specialisten of als leeromgeving waarin lerenden informatie delen en samenwerken. In de Spring School gaan deelnemers actief aan de slag met sociale netwerken, waarbij ze input krijgen van en bijgestaan worden door specialisten op het gebied van Sociale netwerken.
Het programma van de Spring School is samengesteld door een programmacommissie en ik ben erg enthousiast over wat dat heeft opgeleverd. Er is een prachtige mix van luisteren, zelf werken, evalueren en creatief denken, en er komen allerlei verschillende sociale netwerken aan bod. Bijdragen worden geleverd door o.a. Peter Sloep, Indira Reynaert, Sanne Roemen, en door Matthijs Douwes en Simone Levie van Durftevragen.
Ben je ICT&O-medewerker of docent in het hoger onderwijs en wil je in je onderwijsinstelling met sociale netwerken aan de slag gaan, dan ben je van harte uitgenodigd om deel te nemen aan onze Spring School.
Laatst was ik met iemand in gesprek over religie. Hij stelde dat je het geloof begrenst door het te verwoorden. Ik kon me wel vinden in dat standpunt: gevoelens, mysteries, schoonheid: je kunt het eigenlijk niet in woorden vangen. Taal kan ook een gesprek doodslaan: met woorden kan je iemand overreden zonder hem te overtuigen, en - erger nog - over iemands emoties heen walsen. Toch ben ik tegelijkertijd gek op woorden, omdat ze me in staat stellen om te communiceren met anderen, grappen te maken en omdat ik kan genieten van een goed lopende zin, een mooie beeldspraak, een beknopte formulering.
Ik heb dus een haat-liefde verhouding met taal: taal beperkt me enerzijds, en anderzijds biedt het me heel veel mogelijkheden. Ik vind het daarom leuk om te kijken hoe je extra mogelijkheden kunt toevoegen aan taal, bijvoorbeeld door taal te verbinden met een andere kunstvorm zoals muziek of beeldende kunst. Daarin ben ik niet de eerste: dichters als Paul van Ostaijen en Paul de Vree waren mij ruimschoots voor met gedichten als Boem Paukeslag en Kids.
Een eenvoudige manier om woorden te combineren met beeld, of - zo je wilt - met woorden beeld te maken, is het maken van een woordenwolk. In een woordenwolk worden de meest gebruikte woorden in een tekst bij elkaar gezet, waarbij de grootte van de letters bepaald wordt door de frequentie van de woorden. De meest gebruikte tool voor het maken van een woordenwolk is waarschijnlijk Wordle. Dat is een prachtige tool, die veel gebruikt wordt om snel een indruk te krijgen van een lange tekst. Ik heb het zelf onlangs gebruikt om een overall-beeld te krijgen van een groot aantal (ca. 1000) commentaren die ik via een peiling had gekregen. Dat werkte perfect: in een oogopslag kon ik zien of de meningen positief of negatief waren, en wat de belangrijkste trefwoorden waren.
Wordle is niet alleen een goed middel om een snelle indruk te krijgen van veel of van lange teksten: de wolk die gecreëerd wordt, ziet er ook nog eens prachtig uit. Wel jammer is dat je de vorm van de wolk maar heel beperkt kunt bepalen: je kunt de hoeken ronder maken, en de kleuren veranderen, maar veel meer dan dat zit er niet in. Daarmee is Wordle prima gereedschap voor het samenvatten van teksten, maar de tool leent zich niet echt voor het maken van 'concrete poëzie'.
Een tool waarmee je dat wel kan doen, is Tagxedo. Je kunt bij Tagxedo, net als bij Wordle, een tekst of een webpagina/URL invoeren, waarna door Tagxedo de woorden worden geteld, en de meest voorkomende woorden in een wolk worden geplaatst, waarbij de woorden die het meest voorkomen vetter en groter worden afgebeeld dan woorden die minder voorkomen. Bij Tagxedo kan je kleuren en lettertype e.d. veranderen (helaas kan je die niet zelf kiezen: ze worden random gewijzigd), maar je kunt ook kiezen welke vorm je wolk moet hebben. Er zijn een aantal vaste vormen, zoals een ster en een hart, maar je kunt ook een eigen vorm gebruiken. Je tekent daarvoor een afbeelding in een (eenvoudig) tekenprogramma, en - nadat je de tekst hebt ingevoerd in Tagxedo - uploadt je je tekening naar de site. De wolk vormt zich naar de contouren van de tekening, waarbij witte of licht gekleurde plekken in je tekening leeg blijven.
Tagxedo lijkt mij een prachtige tool om leerlingen concrete poëzie mee te laten maken. Het zelf uploaden van vormen is op dit moment gratis omdat het nog om een betaversie gaat. Het kan dus zijn dat na verloop van tijd geld gevraagd wordt voor het uploaden en gebruiken van je eigen tekeningen. Een goede reden, lijkt mij, om er gauw gebruik van te maken. Stuur je mij een plaatje van het werk van de leerlingen als je Tagxedo gebruikt in de klas?
Video wordt in het onderwijs steeds vaker gebruikt. Video's die worden gebruikt om de lesstof te illustreren, video's om te laten zien dat leerlingen zich een bepaalde competentie eigen hebben gemaakt (video als portfolio) en video's van de lessen die zijn gegeven.
Als een video is gemaakt, zul je die meestal nog willen bewerken, al is het alleen maar om er een titel aan toe te voegen, en een aftiteling. Maar het is natuurlijk ook handig als je het ene shot op een soepele manier over kunt laten gaan naar een ander shot, als je het beeld kunt laten bevriezen of stilstaande beelden kunt toevoegen aan je film of om muziek aan je film toe te voegen.
Meestal worden hiervoor programma's gebruikt als Windows Moviemaker of iMovie. Maar er zijn ook programma's waarmee je online films kunt bewerken. Eén daarvan is Jaycut: een online movie-editor. Met Jaycut kan je films bewerken maar je kunt ook van een aantal foto's achter elkaar een film maken.
De mogelijkheden met Jaycut zijn beperkt in vergelijking met professionele filmbewerkingssoftware, maar ruim voldoende om een aardig filmpje te monteren. Het grote voordeel van de software is dat je er niets voor hoeft te downloaden en dat je - na het aanmaken van een account - er direct mee aan de slag kunt gaan. Eerst uploadt je de media die je wilt gaan gebruiken (plaatjes, video en geluid) naar Jaycut. Daarna sleep je de beelden die je na elkaar wilt vertonen naar de tijdlijn. Als je ze achter elkaar zet gaat het ene beeld zonder overgang in het andere over. Wil je een overgang creëren tussen twee beelden, dan zet je de beelden onder/boven elkaar, en je sleept de overgang die je wilt gebruiken er tussenin. Tot slot zet je in de audiobalk het geluidsbestand dat je onder film wilt zetten en je voegt desgewenst speciale effecten toe (bijv. beelden spiegelen of in zwart-wit tonen zetten).
Werken met Jaycut is erg makkelijk. Het enige waar ik aan moest wennen was dat als je van een serie beelden een naam hebt gegeven en er een 'preview' van hebt gemaakt, die preview niet meer bewerkt kan worden. Je moet dan een kopie van die beelden openen. Dat doe je door onderaan in het scherm te kiezen voor 'Open', de preview die je hebt gemaakt aan te klikken en dan te kiezen voor 'Open as a copy'. Niet onhandig overigens, die aanpak: door steeds tussendoor je werk op te slaan als opeenvolgende versies, kan je steeds terug gaan naar een vorige versie als een bewerking niet het effect heeft dat je wilt.
Als het filmpje naar wens is, kan je het opslaan op je eigen p.c. (in MPEG-, AVI of Flash-formaat), een mobieltje (in MPEG of AVI-formaat), op op internet plaatsen (YouTube of Jaycut, waar je het dan weer kunt embedden in een website of weblog).
Programma's als Windows MovieMaker en iMovie hebben meer mogelijkheden dan Jaycut, maar die moet je wel op je computer hebben staan. Daarnaast is Jaycut héél erg gebruiksvriendelijk. Als je nog geen enkele ervaring hebt met het werken met dit soort software dan kan je gebruik maken van het filmpje op de site (liever niet van de filmpjes op YouTube want de editor is recent vernieuwd, en de filmpjes op YouTube zijn dus verouderd), maar ik vermoed dat de meeste leerlingen dat niet eens nodig hebben. Laat ze er maar eens mee experimenteren door ze een filmpje te laten maken waarin ze zelf uitleg geven over een deel van de leerstof, vertellen over een boek dat ze hebben gelezen of waarin ze een expert op hun (toekomstig) vakgebied een interview afnemen. Toepassingsmogelijkheden genoeg!
Om na te gaan of je leerlingen de leerstof hebben begrepen, kan je ze een quiz laten spelen. Tegenwoordig is het heel makkelijk om online allerlei quizzen te maken: daarvoor zijn op het web allerlei tools te vinden. Je kunt zo'n quiz dan individueel of klassikaal laten spelen. In dat laatste geval kan je gebruik maken van een digibord of een laptop + beamer.
MyStudiyo is zo'n tool om een online (multiple choice) quiz te maken. Het aardige van deze tool is dat je in je quiz niet alleen gebruik kunt maken van tekst en plaatjes, maar ook van video's op YouTube en TeacherTube. Je kunt bij elke een vraag een tijdslimiet opgeven, waarbinnen de vraag beantwoord moet worden. Ook kan je feedback geven bij elke vraag, bijv. een uitleg over het goede antwoord. Helaas is het niet mogelijk om die feedback te geven per antwoord. Een met MyStudiyo gemaakte quiz kan je op een door jou gekozen URL zetten, of embedden in een blog of website, zoals hieronder.
Als je een quiz hebt gemaakt met MyStudiyo kan je zien hoeveel mensen die quiz hebben gemaakt en wat de score is per vraag. In de quiz kan je aangeven of je gebruik wilt maken van een scorebord waarop de spelers aan het einde van de quiz kunnen zien hoe hoog hun score is in vergelijking met die van anderen. Als leerlingen de quiz individueel spelen, kan je ze van het scorebord een screendump laten maken zodat ze kunnen laten zien dat ze de quiz hebben gemaakt en wat hun score is.
Je kunt zelf een quiz maken, maar je kunt dat ook door je leerlingen laten doen, waarna ze elkaars quiz kunnen spelen. Je kunt ze gebruik laten maken van filmpjes die ze hebben gevonden op YouTube, maar je kunt ze ook zelf filmpjes laten maken en die op YouTube laten zetten. Door zelf vragen te bedenken (en de goede antwoorden erbij te laten geven) leren leerlingen vaak meer dan van alleen het beantwoorden van een vraag. Daarbij moeten ze dan wel sturing krijgen wat voor soort kennis in die vragen aan de orde moet komen: moeten het feitenvragen zijn, vragen waarin begrip wordt getoetst of moeten ze vragen maken waarbij kennis wordt toegepast?
Het gebruik van filmpjes biedt veel mogelijkheden voor de (vreemde) talen, omdat door het kijken/luisteren naar filmpjes in de doeltaal een beroep wordt gedaan op de kennis van de leerling. Dat geldt natuurlijk in nog grotere mate voor het zelf maken van een quiz: door het zoeken naar een gepast filmpje of het zelf maken van een filmpje is de leerling intensief bezig met de taal.
Mystudiyo laadt - in ieder geval bij mij thuis - wel behoorlijk traag, en bij het spelen krijg je na afloop steeds reclame te zien. Dat is natuurlijk wel lastig, zeker als leerlingen snel zijn afgeleid, maar daar staat tegenover dat het wel uitermate gebruiksvriendelijk en gratis is.
Ik denk persoonlijk dat PBL (PGO in het Nederlands) effectiever is dan alleen hoorcolleges. Mensen leren er meer van dan de vele manieren en wanhopige pogingen die op de middelbare school gebruikt worden om mensen bij te spijkeren. Maar om goed te kunnen leren van PBL, zul je eerst duidelijk moeten weten hoe het in elkaar zit. En dit is iets waar veel mensen een trage start mee maken. Maar dit is niet erg, want die trage start maak je met z'n allen.
Je persoonlijke doel is om zo veel mogelijk punten te scoren iedere sessie. PBL is ten slotte een groot deel van je totaal aantal punten in ieder moduul. Daarnaast is het doel van PBL om coöperatief nieuwschierigheid op te wekken en hier samen van te leren. Nu gaat het er in de praktijk er vooral om dat iedereen zo hoog mogelijk wil scoren.
Vreemd genoeg ligt de basis van een goede score vaak niet aan de hoeveelheid en kwaliteit van de informatie die je meebrengt. Als je deze informatie niet uitspreekt, heb je er niets aan, want dan kan je niemand overtuigen van je voorbereiding. Het beste zal zijn als je goede informatie hebt van betrouwbare bronnen, en dit goed in je eigen woorden weet samen te vatten in de sessie. Daar zou je volgens het principe van PBL de meeste punten mee krijgen. Wat het in de praktijk vaak is, is dat diegene die het meeste praat, en daarbij het meest wijs over komt, de meeste punten krijgt.
Ik moet eerlijk toegeven, ben een van dit soort mensen. Mijn bronnen zijn vaak praktijkervaring en internet, terwijl leraren graag hebben dat ik boeken gebruik. Ik heb meestal wel een goed idee waar alles over gaat, en maak vaak een goede indruk door dit met enige zelfvertrouwen te vertellen.
Ik ben heel eerlijk, er zijn genoeg mensen die meer tijd besteden aan de voorbereiding, betere andwoorden hebben, maar wel minder punten krijgen omdat ze hun eigen informatie niet uitspreken, of niet weten waar ze moeten beginnen met samenvatten. Dit veroorzaakt verschillende groepssituaties. De dominante mensen zijn vaak de mensen die veel zeggen, maar niet veel informatie bijdragen aan het groepsproces. Deze worden dan ook het meest gevreesd. De ideale PBL groepsgenoot is diegene die luistert, en waar nodig iets toevoegt. Dit zijn drie vormen van PBL strategieën. Afhankelijk van de combinatie van dit soort mensen, zal het proces van de groep beïnvloed worden. Soms gaat dit het resultaat te goede, soms eindigt dit in verbale gevechten, of gewoon lange stiltes.
Wie wel eens met leerlingen een film heeft gemaakt, zal mijn ervaring delen. Op het moment dat je ze vertelt dat ze een film mogen maken, stormen ze naar de camera en willen ze aan de slag. Het is dan behoorlijk lastig om ze te vertellen dat voordat je gaat filmen je eerst een plan moet maken dat je vastlegt in een storyboard.
Met dit digitale storyboard (afkomstig van de site Kid's Vid) wordt dat in ieder geval een stuk leuker en daarmee iets minder een hindernis die ze moeten nemen onderweg naar de camera ;-) In het storyboard leg je per scène vast:
wat er gebeurt
waar de scène zich afspeelt,
hoeveel personen in de scène voorkomen,
hoe de belichting moet zijn,
welk shot genomen moet worden,
welk geluid bij de scène wordt gebruikt,
hoe de overgang moet zijn naar de volgende scène,
welke taken de verschillende spelers hebben in de scène.
Je kunt ook in een tekening aangeven wat iedereen moet doen. Die tool vond ik niet erg handig werken: ik maak zelf veel liever een tekening op een stukje papier. Je kunt dat oplossen door het storyboard online te maken, het geheel te printen en dan de tekeningen op het printje te tekenen.
Om je digitale storyboard terwijl je bezig bent op te slaan, moet je je als docent aanmelden. Je krijgt dan een inlogcode voor je hele groep. Als je dat niet doet, zou ik je aanraden om voordat je online aan de slag gaat, eerst een printje te maken van een storyboard waarin je nog niets hebt ingevuld. Je kunt de leerlingen dan eerst laten nadenken over hoe ze het gaan doen en dat alvast in de print vast laten leggen. Als ze het plan in grote lijnen klaar hebben, kunnen ze het vervolgens online invoeren.
Wie (hoger) onderwijs volgt zal meestal al in het eerste jaar onderzoek moeten doen. Om goed onderzoek te kunnen doen moet je eerst een beeld hebben welke stappen je daarbij moet doorlopen, zoals het bepalen van het onderwerp, welke bronnen er zijn en hoe je zoekmachines kunt gebruiken, hoe je kunt bepalen wat de waarde is van wat je gevonden hebt en hoe je de gebruikte bronnen moet vermelden. De Vaughan Memorial Library heeft hiervoor een aantal animaties gemaakt die de moeite waard zijn:
Research It Right: over de keuze van je onderwerp, selectie van bronnen, kritisch kijken naar bronnen en over citeren van bronnen;
De animaties zijn interactief: naast informatie krijg je vragen die duidelijk maken waarom het belangrijk is om het zo te doen als in de animatie. De inhoud zal waarschijnlijk niet precies het verhaal vertellen dat jij als docent of mediathecaris wilt overbrengen op je studenten, maar ik denk dat het wel een hele leuke manier is om het onderwerp onder de aandacht te brengen. Daarbij zou ik niet elke student alle animaties laten bekijken (elke animatie duurt ongeveer 10 minuten), maar ze per team een animatie laten bestuderen, ze laten zoeken naar aanvullende informatie over dat onderwerp en ze dan hun visie laten presenteren aan de anderen. Natuurlijk moet daarna het geleerde in de praktijk worden gebracht en wie het geleerde goed toepast, krijgt daarvoor punten.
Verhalen vertellen is leuk en zinvol. Je kunt verhalen gebruiken voor alle vakken: van rekenen tot taal, en van aardrijkskunde tot geschiedenis. Ik houd zelf ook van verhalen die zich afspelen in een omgeving die ik ken: dat geeft een verhaal een extra dimensie.
Een tool waarmee je dat kan doen, is Scribblemaps. Met Scribblemaps kan je aan op een kaart tekenen en je kunt er tekst en afbeeldingen aan toevoegen. Het gebruik van Scribblemaps is gratis. Op dit moment kan je ook gratis inschrijven voor de pro-versie van de software; het kan zijn dat dat na verloop van tijd een betaalde versie wordt of dat bepaalde functies alleen tegen betaling zijn, maar op dit moment is dat in ieder geval nog niet het geval. Er zijn erg veel kaarten beschikbaar in Scribblemaps: je kunt niet alleen gebruik maken van de gewone Google-kaarten, maar bijvoorbeeld ook van kaarten van ESRI en zelfs sterrenkaarten.
Op de kaarten kan je teksten schrijven en je kunt er afbeeldingen aan toevoegen. Dat kunnen afbeeldingen zijn op het web die je met behulp van een linkje in de kaart plaatst, maar je kunt ook zelf afbeeldingen uploaden en ze dan in je kaart plaatsen. Het is even wat uitproberen voordat je weet hoe het werkt, maar je leert het snel.
Met Scribblemaps kan je leerlingen allerlei verhalen laten vertellen: een verhaal over iets bijzonders in hun eigen leefomgeving, over de natuur of over wat ze tegenkomen onderweg naar school. Of een verhaal over het leven van een bijzondere persoon: een schrijver, een bekende wetenschapper of een historische figuur. Je kunt leerlingen ook een samenvatting laten maken van een boek dat zich afspeelt op verschillende locaties. Op de sterrenkaart kan je een droomverhaal laten vertellen of - natuurlijk - een science fiction verhaal.
De kaart die je maakt kan je opslaan en - zoals hieronder - embedden in een website of weblog, waar je anderen je verhaal kunt laten lezen en kunt vragen om reacties. En dat is misschien nog wel het allerleukste van verhalen schrijven: dat ze gelezen worden!
Veel kinderen zijn gefascineerd door sterren, planeten, ruimtevaart en alles wat daarmee samenhangt. De website ESA Kids (van het European Space Agency) springt daarop in: je vindt daar een heleboel informatie over sterren, planeten en melkwegstelsels, over hoe het is om te leven in de ruimte en hoe een raket wordt gelanceerd. Maar de website van ESA Kids gaat verder dan dat: je vindt er ook informatie over de aarde. In dit onderdeel van de website gaat het over klimaatverandering, natuurrampen, de wereld onder water en natuurbescherming. Alle informatie is (ook) in het Nederlands en is goed te begrijpen voor leerlingen van de bovenbouw van het basisonderwijs.
Op de website is ook een lab met bouwplaten die je (op karton) moet printen om ze vervolgens in elkaar te zetten, de (leukste) weetjes van de site verzameld, en een paar dingen die kinderen online kunnen doen. Er is ook een onderdeel 'Fun'. Daarin vind je onder andere quizzen, afbeeldingen die de leerlingen kunnen inkleuren en spelletjes in de vorm van legpuzzels. Dat onderdeel vind ik onhandig uitgevoerd: de puzzels zijn te eenvoudig (als je de stukken over de plaat heen beweegt, geeft een geluidje aan als die op de juiste plaats ligt), om te kleuren moet je vooral een heel goede oog-hand-coördinatie hebben omdat je online met je muis een potlood moet besturen, en de wedstrijd die ze online hebben staan liep tot 2009. Wat ik wel leuk vind in dit onderdeel is 'Kunst': een pagina met tekeningen van (ik vermoed) kinderen over de ruimtevaart. Deze tekeningen kunnen goed gebruikt worden als inspiratiebron voor eigen werk van de leerlingen.
ESA Kids zit knap in elkaar: in elk onderdeel vind je teksten terug uit onderdelen, maar door de duidelijke kopjes en symbolen blijft het overzichtelijk. De site wordt regelmatig vernieuwd, dus het is de moeite waard om na verloop van tijd terug te komen. De informatie is inpasbaar bij vakken als aardrijkskunde, techniek en de creatieve vakken, betrouwbaar èn leuk!
Als iemand bij Stenden op school wil, bij een opleiding waar meer mensen zich aanmelden dan er plaats is, wordt er selectie gedaan. Een selectie bij mij op school bestaat meestal uit drie onderdelen. De klassieke intelligentietest, het persoonlijkheidsgesprek en als laatste de groepsopdracht. Vooral de groepsopdracht is wat mijn school uniek maakt ten opzichte van andere scholen. Dit is omdat de vorm van lesgeven op school uit PBL bestaat.
Ik heb in een van mijn eerste blogjes dit jaar al een basisuitleg gegeven over PBL. Ik heb daar het hele jaar al wat dieper op in willen gaan. PBL is tenslotte de manier waarop ik in mijn dagelijkse studie les krijg, naast de workshops en hoorcolleges. Daarom schrijf ik een serie van drie blogjes over PBL de komende drie weken. Vandaag zal ik de basisprincipes uitleggen, de volgende keer ga ik in op strategieën en tactieken, en in mijn laatste blogje zal ik uitleggen hoe dit in de praktijk gaat en wat er mis kan gaan.
PBL staat voor Problem Based Learning, en handelt direct het probleem af waar je in de middelbare school altijd moest vragen waar de kennis die je opdeed nu in de praktijk voor diende. In bovenstaand schema wordt het proces weergegeven.
Het begint allemaal met het probleem: een veelvoorkomend probleem in de praktijk. Met de groep wordt geanalyseerd wat nu precies de kern van het probleem is door het maken van een probleemstelling, en vervolgens wordt er vastgesteld welke kennis nodig is om dit probleem op te lossen in de vorm van vragen. Iedereen gaat vervolgens thuis antwoorden opzoeken op deze vragen. Dit gebeurt meestal in boeken, maar er kan bijvoorbeeld ook praktijkervaring van anderen toegepast worden, en goede internetbronnen zijn ook toegestaan. Ten slotte wordt de volgende sessie deze antwoorden besproken om uiteindelijk tot een oplossing voor de probleemstelling te komen. Iedereen wordt iedere sessie geëvalueerd op individuele contributie in de groep, en iedere vier sessies wordt iedereen geëvalueerd op het verantwoording dragen voor het groepsresultaat.
Een PBL sessie kent een voorzitter, een notulist en een bordschrijver. De rest is groepslid. De voorzitter leidt het geheel, om iedere sessie to the point en gestructureerd te houden, zodat de groep niet afdwaalt. De notulist houdt bij wie er absent is, wat de probleemstelling is, wat de leerdoelen zijn en maakt de agenda voor de volgende sessie en ten slotte de bordsschrijver schrijft tijdens de het analyseren alle relevante dingen op het bord.
Dit is de totale basis van het PBL, en nodig om het geheel te begrijpen. Ik ben nu driekwart jaar bezig met PBL. Genoeg om in ieder geval te begrijpen hoe het er aan toe gaat. Volgende keer ga ik in op de verschillende strategieën die ik door de verschillende modules geleerd heb met PBL. Ik begin net met de laatste moduul, en ik ben iedere week dus weer wat praktijkervaring rijker.
Ik heb het paasweekend onder andere gebruikt om eens te gaan experimenteren met een aantal programmaatjes voor 'augmented reality'. Met augmented reality programma's leg je bovenop de realiteit, een laag met extra informatie, bijv. een stukje tekst, een foto of zelfs een filmpje. Je kunt het vergelijken met wat je vroeger ook wel in boeken zag: een tekening waaraan je, door er een doorzichtige pagina overheen te leggen, een beeld opbouwde. De basistekening was bijvoorbeeld een afbeelding van het menselijk lichaam waarover je achtereenvolgens een pagina legde met daarop de luchtwegen, vervolgens eentje van de bloedcirculatie en ten slotte een afbeelding van de overige organen en de huid.
Augmented reality werkt eigenlijk op dezelfde manier, alleen is daarbij je onderste laag geen tekening, maar het beeld dat je ziet door de camera van je mobiele apparaat; meestal een mobiele telefoon. In die mobiele telefoon zit gps-software en een kompas. De gps-software maakt dat de software weet waar je bent; het kompas zorgt ervoor dat de software weet welke kant je opkijkt. Op basis van die informatie wordt informatie opgehaald uit een database. Als je dan door de lens van je camera kijkt wordt die informatie - als een transparante pagina - gelegd over het beeld dat je dan te zien krijgt. Het is dus niet zo dat de software het beeld herkent dat jij door je camera ziet. Dat soort software wordt overigens wel ontwikkeld, maar die wordt, voor zover ik weet, nog maar zelden gebruikt voor augmented reality programma's.
Er is inmiddels aardig wat software waarmee augmented reality wordt gecreëerd. Een heel enkele keer zie je over het beeld in je camera een afbeelding of een filmpje, zoals in dit filmpje, waarbij je door je camera ziet hoe vliegtuigen het WTC in vliegen. Maar meestal gaat het om teksten die geprojecteerd worden over een beeld: informatie over een buiten-kunstwerk, over een historisch gebouw, een bijzondere boom enz. Vanuit die tekst kan je dan soms doorklikken naar meer informatie op het web: een afbeelding, filmpje of een website.
Bij de eerste augmented reality programma's konden alleen ict-experts lagen maken en beschikbaar maken via internet. Maar tegenwoordig zijn er ook programma's waarmee iedereen dat kan doen. Ik heb het weekend zitten oefenen met Gowalla en Wikitude. Met allebei deze programma's kan je lagen maken die je aan een locatie koppelt. Bij Gowalla doe je dat via je mobiele telefoon; bij Wikitude maak je een laag op je computer. Het maken van zo'n laag is kinderlijk eenvoudig: je hoeft alleen de aanwijzingen op je telefoon of je computer op te volgen.
Ik zie in augmented reality prachtige voorbeelden voor het onderwijs. Voor de biologielessen kan je je leerlingen in groepen elk seizoen naar buiten sturen met de opdracht om in de omgeving te zoeken naar kenmerken van het seizoen vast te leggen (in tekst of beelden) en die in Gowalla of Wikitude op te nemen. In het daarop volgende seizoen lopen ze die route opnieuw en vergelijken ze wat ze zien met de vorige tocht, enz. Voor geschiedenis en de CKV-vakken kan je teams van leerlingen in tekst of beeld vast laten leggen wat in de omgeving te zien is. Aan die beelden koppelen ze ook opdrachten. Andere teams lopen die route en doen de opdrachten. Voor een vak als maatschappijleer kunnen leerlingen per wijk informatie opzoeken en in Gowalla of Wikitude vastleggen, bijvoorbeeld over de cultuur van een wijk, statistische informatie over aantallen bewoners, gemiddeld inkomen e.d., en je kunt ze op zoek laten gaan naar samenhang tussen verschillende soorten informatie. Dat zelfde geldt voor het vak aardrijkskunde: vraag leerlingen eens om de infrastructuur van de stad of het dorp te verklaren op basis van de informatielaag die de docent of een team van medeleerlingen heeft geplaatst in Wikitude. En je kunt voorafgaand aan een schoolreisje de leerlingen in Wikitude voor hen belangrijke plaatsen laten vastleggen die ze, als ze eenmaal ter plaatse zijn, gaan bekijken en van een ter plekke gemaakte foto gaan voorzien.
Is dit nu heel anders dan een ouderwetse speurtocht? Nee, niet echt, maar het voelt wel anders. Deels komt dat omdat je via Wikitude en Gowalla ook informatie ziet van andere gebruikers. Dat is natuurlijk een risico, omdat je niet weet wat anderen 'achterlaten' in die virtuele laag. Maar het plaatst je als leerling tegelijkertijd ook in de wereld, die groter is dan school. Wat Gowalla verder bijzonder maakt, is dat je kunt zien waar anderen hebben gelopen, en wie hebben ingecheckt op 'point of interest' die jij hebt toegevoegd. Bij Gowalla kan je ook 'trips' maken door een aantal points of interest samen te voegen en je kunt op je route virtuele items achterlaten, die door anderen opgepakt kunnen worden. En natuurlijk is het leuk om zo te spelen met je mobiele telefoon en een spoor achter te laten dat door anderen gevolgd kan worden. Ook daarbij is begeleiding belangrijk, want dat biedt allerlei contactmogelijkheden die niet altijd gewenst zijn, maar dat is een prachtige gelegenheid om te bespreken hoe je met dit soort dingen omgaat!
Prachtig spul, dus, die augmented reality programma's: nu alleen nog even zorgen dat scholen de apparatuur hiervoor in huis krijgen ;-)
Via Twitter las ik allerlei berichtjes dat Microsoft een nieuwe add-in heeft voor Word, de tekstverwerker uit hun Officepakket. Met deze add-in, Chem4Word, kan je in een tekst een woord markeren als scheikundige term. Als die term bekend is, dan kan je het woord ook weergeven als formule of als 2d-weergave zoals in de afbeelding hiernaast.
Je kunt vervolgens die afbeelding ook weer bewerken, bijv. een ander atoom eraan koppelen. Dat gaat mijn kennis van scheikunde ver te boven, maar ik verwacht dat het voor iemand die er wel verstand van heeft, heel handig is. De tool is namelijk ontwikkeld in samenwerking met het Unilever Centre for Molecular Science Informatics van de Cambridge University, en ik vermoed dat zij wel verstand hebben van deze materie ;-)
Hoe de stoffen eruit zien, en wat de formules zijn e.d. is beschreven in CML: Chemical MarkUp Language. De beschrijvingen zijn opgeslagen in een Gallery, die je kunt vinden in de add-in. Het is jammer dat in de gallery nog maar 6 stoffen te vinden zijn: daarmee kom je niet ver in je scheikundelessen. Het is de bedoeling dat er een community gaat ontstaan van mensen die zich hiermee bezig houden die dan stoffen gaan 'beschrijven' en die met elkaar delen. Nu weet ik niet of Microsoft in staat is om zijn community neer te zetten en te faciliteren: ik heb niet de indruk dat dat hun sterkste kant is. Maar in dit geval hoop ik zeker dat het ze lukt: ik ben ervan overtuigd dat als de 'gallery' van deze add-in goed gevuld is, menig scheikundedocent er veel plezier van zal hebben.
Mijn moduul is bijna over. Nu komt het erop aan. Het grote werkstuk moet ingeleverd worden, de toetsen geleerd. Maar het meest belangrijke deel is misschien nog wel de presentaties van dit moduul. Presenteren is naar mijn idee namelijk een van de belangrijkste vaardigheden van een horecamanager. Een manager moet niet alleen het bedrijf presenteren en vertegenwoordigen aan potentiele gasten, maar ook zichzelf continu presenteren aan werknemers en gasten. Daarnaast voelt het voor mij alsof ik dit weblog vertegenwoordig als ik presenteer, dus ik moet continu innovatief blijven.
Vandaag was een van die dagen. Ik moest een presentatie geven over leiderschap. Bij definitie is leiderschap het innovatiever zijn dan anderen, dus ik moest wel goed over de brug komen. Een paar voorbeelden van presentatietechnieken die ik gebruikt heb voor deze presentatie:
Het verrassingselement: Wat mensen verwachten van een presentatie is meestal dat jij met een powerpoint punt voor punt langs gaat om zo concepten uit te leggen. Alles wat je hierin omdraait werkt tot je voordeel. In mijn geval was het de schrikreactie van het opeens powerpoint uitzetten, en op een compleet nieuwe manier verder gaan. Het is het mensen een bepaalde kant op leiden, om vervolgens compleet om te draaien.
Het gebruik van geen of weinig bulletpoints: Onder normale omstandigheden kijken mensen naar de powerpoint en niet naar jou. Aangezien de meeste informatie nonverbaal wordt overgebracht, verlies je een heel belangrijk deel van je presentatie. Je kan effectief presenteren door je powerpoint saaier te maken, door bijvoorbeeld alleen een plaatje of twee bulletpoints in te voegen. Daardoor verliezen mensen snel interesse voor de powerpoint en krijgen ze meer aandacht voor jou, mits je natuurlijk op een interessante manier nonverbale comminucatie kan overbrengen.
Interactiviteit De concentratieboog van de gemiddelde persoon is niet meer dan vijf minuten. Stil zitten en luisteren is niet de beste vaardigheid van de mens. Je kunt daarom het publiek actief laten meedoen. Dit kan je beter niet doen door vragen te stellen, want de gemiddelde luisteraar zal daar niet van wakker schrikken. Je kan het best materiaal meenemen waar mensen kort mee aan de slag kunnen. Dit kan elk voorwerp zijn mits op de juiste manier gebruikt. Pas wel op, want door mensen iets te doen te geven, verliezen ze snel hun concentratie.
Het is jammer dat ik de presentatie van vandaag niet kon laten zien. Het was een mooi voorbeeld van hoe je in je presenatie bewust mensen op een bepaalde manier kan laten reageren, en bepaalde gevoelens laten krijgen. Ik kan redelijk presenteren, en ben nog in opleiding. Ik denk daarom dat dit element in de toekomst helemaal goed komt!
Na een start als bibliothecaris in het onderwijs heb ik me gespecialiseerd in informatie (gedrukt of digitaal, in tekst, games, illustraties enz.) en communicatie m.b.v. ICT. Het stimuleren van actief, kritisch en bewust gebruik van media door lerenden staat centraal in mijn werk. Ik werk voor het hele onderwijsveld: vanaf basis- tot en met hoger onderwijs. Mijn meest recente activiteiten zijn: medeschrijver van het boek Slimmerkunde, initiatiefnemer en bestuurslid MediaMachtig, ontwikkelen van een serie best practices voor SURFnet, begeleiden van gamesprojecten bij de Innovatieregeling van SURFnet, ontwikkelen 23 OVC Dingen en mede-ontwikkelaar 21eDingen, ontwikkeling Creative Game Challenge.
Lees meer over wat ik doe en heb gedaan in mijn portfolio.
Hallo, ik ben Martijn en ik ben 23 jaar. Ik ben de zoon van Margreet van den Berg en ben daarom de jongere kant van het weblog. Ik begon toen ik bij het weblog kwam met het schrijven van reviews, maar in de tijd dat ik blog, heeft zich een wereld voor mij geopenbaard. Ik ben hier dan ook mee aan de slag gegaan, en ik ben dankbaar voor alle kansen die ik heb gekregen om hier een bijdrage aan te leveren. Tegenwoordig laat ik het gamen een beetje links liggen, en schrijf ik vooral over onderwijs en wat ik daarin zie. Mijn toekomst zit niet hierin, daarvoor zouden mijn ambities te hoog liggen (I can't change the world ;-) ), maar tot die tijd hoop ik een interessante bijdrage te leveren aan dit weblog.
N.B. In verband met zijn studie heeft Martijn zijn bijdrage aan dit blog (voorlopig) opgeschort.