dinsdag 30 november 2010

Software voor dyslecten (en voor wie Engels leert)

Screenshot + logo van MyStudyBar/JISCWie dyslectisch is, heeft niet alleen meer moeite met lezen en schrijven op papier, maar ook op de computer. Onlangs ontdekte ik een prachtig middel om dyslecten te helpen: MyStudyBar. MyStudyBar is één van de EduApps die worden uitgegeven door het JISC Regional Support Centre Scotland North & East. De tool biedt veel mogelijkheden voor wie dyslectisch is. Ik vind vooral de tools om lezen en schrijven makkelijker te maken indrukwekkend. Over het algemeen van een verbazende eenvoud, maar ik vermoed dat ze wel erg effectief zijn. MyStudyBar biedt ook hulp voor het plannen van taken (een agenda, een mindmaptool en een tool om sticky notes ('geeltjes')te gebruiken, maar daarvoor zijn volgens mij andere tools handiger en beter.

MyStudyBar geeft op een aantal manieren hulp bij het lezen en schrijven van teksten. Welke dat zijn, en hoe je ze kunt gebruiken, kan je lezen in de handleidingen die op de site van JISC RSC Scotland te vinden zijn. Heel handig: die tutorials zijn vaak in meer vormen te gebruiken: in tekst, maar ook als screencast, wat voor veel dyslecten waarschijnlijk veel handiger is in het gebruik.

Eén van de heel simpele tools is een virtuele lineaal in de vorm van een gekleurd vlak met een opening die je over je tekst heen legt. waardoor je steeds maar een beperkt deel van de te lezen tekst ziet. Hoeveel je ziet kan je zelf bepalen door de grootte van het open vlak groter of kleiner te maken. MyStudyBar is ook voorzien van een loupe om teksten te vergroten en je kunt je tekst voor laten lezen. Omdat het een Engelstalige tool is, is die functie alleen zinvol bij Engelstalige teksten.

Als je Engelstalige teksten wilt schrijven, helpt MyStudyBar met een woordenboek en een typ-hulp die tijdens het typen vraagt welk woord je wilt gebruiken, vergelijkbaar met de T9-functie op mobiele telefoons. Je kunt ook Balabolka gebruiken: een tool met heel veel mogelijkheden. Zo kan je met Balabolka de teksten terwijl je die intypt uit laten spreken of ze als je klaar bent overzetten naar een geluidsbestand (bijv. mp3), Balabolka helpt je om de spelling te controleren en om een tekst in te delen in kleinere stukken door er bookmarks in te zetten.

MyStudyBar lijkt me een tool die niet mag ontbreken op de desktop van iemand die dyslectisch is, maar het lijkt me ook erg handig voor gebruik in de Engelse les en voor wie moeite heeft met het lezen van Engelstalige teksten.

Heb je ervaring met MyStudyBar, dan hoor ik het graag! En ik hoop dat er iemand is die de tool kan vertalen naar het Nederlands. Want deze tool vind ik eigenlijk te mooi om onvertaald te laten!

maandag 29 november 2010

Laatste kans voor het aanvragen van subsidie

Op 13 september schreef ik dat we van start gingen met MediaMachtig: de stichting die subsidies beschikbaar stelt voor het basisonderwijs voor het uitvoeren van projecten waarbij mediawijsheid geïntegreerd wordt in het onderwijs. Inmiddels zijn we twee-en-een-halve maand verder en is het de laatste dag waarop aanvragen ingediend kunnen worden. We zijn als bestuur natuurlijk superbenieuwd wat onze nieuwe regeling gaat opleveren, en welke vragen gehonoreerd gaan worden. Dat hebben we namelijk niet zelf in de hand: we laten het beoordelen van de aanvragen over aan een 'Comité van Machtigen': een groep van leerkrachten met veel ervaring op het gebied van het gebruik van media in het onderwijs. Zij bekijken de aanvragen en bepalen welke aanvragen gehonoreerd moeten worden.

Maar voordat we het Comité aan het werk zetten, is er nog één dag de mogelijkheid om een aanvraag in te dienen bij het fonds. Dus heb je nog een idee voor een project, doe dan nog snel een aanvraag voordat de deadline verstreken is. Heb je nog geen idee, maar wil je wel aan de slag met mediawijsheid in het basisonderwijs, laat je dan inspireren door deze blogpost. Heb je nog vragen voordat je een aanvraag in wilt/kunt dienen? Stuur dan een mailtje. Pak je kans en dien een aanvraag in zodat je in 2011 met je leerlingen aan de slag kunt gaan!

donderdag 25 november 2010

De praktijk: dubbel fulltime



Door: Martijn van den Berg
Ik herinner me nog uit het eerste jaar hoe kapot ik kon zijn als ik een dag praktijk had gelopen. Horecawerk is zeer intensief, omdat je continu zowel fysiek als sociaal bezig bent. Dan heb je in sommige departementen ook nog eens een shift van boven de 8 uur, dus dan was de vermoeidheid als helemaal compleet. Ongelofelijk is het dan als je dan bedenkt dat je met dit alles geen cent verdient, alleen de ervaring: het leren van praktijk.

Afgelopen jaar moesten we vier dagen in de week praktijk lopen. Dit was uit te houden, want dan had je tussendoor nog een dag vrij om het huiswerk te maken dat je ook voor die week nog op kreeg. Dit jaar hebben de eerstejaars vijf dagen praktijk, net als de tweede- en de derdejaars.

Als ik in het eerste jaar keek naar wat ik nu eigenlijk op zo'n dag geleerd had, kwam ik af en toe tot de conclusie dat ik weer een dag compleet voor school gedraaid heb, een gevoel dat ik tijdens praktijk in het tweede jaar amper krijg. Hierdoor heb ik veel respect voor de eerstejaars. Ten slotte verrichten die vaak het meest simpele en vaak ook zware werk. Daarnaast zouden er zonder eerstejaars ook geen supervisors kunnen zijn, en zonder supervisors geen managers.

Toch heb ik het in het tweede jaar ook niet makkelijk. Ik mag dan wel supervisor zijn, en tijdens praktijk amper huiswerk hebben, maar ik draai alsnog meer dan 40 uur in de week, en heb daarnaast ook nog, net als veel andere studenten, een bijbaantje in het weekend, en wil daarnaast ook graag nog iets van een sociaal leven onderhouden.

Praktijk lopen is zwaar, en zeker niet een van de makkelijkste dingen die er op school te doen valt, maar zeker vanaf het tweede jaar is de ervaring al veel waard, alhoewel praktijk misschien af en toe een beetje te veel van het goede is, zeker als je ook nog eens in het weekend ingedeeld worden. Het zijn af en toe haast onmogelijke situaties, maar als student leer je daar gelukkig flexibel mee om te gaan.

woensdag 24 november 2010

Nuttige hebbedingen?

afbeelding van een apparaat dat stuk isDagelijks krijg ik mailtjes, feeds en tweets binnen over allerlei handige apparaatjes. Ik ben een behoorlijke gadgetfreak en als mijn portemonnee vol genoeg was geweest, zou ik vast een heleboel van die apparaatjes kopen. Maar helaas: mijn portemonnee heeft een bodem, dus ik moet altijd de afweging maken of het apparaat zinvol is of niet en of de kosten ervan opwegen tegen de baten. Dat is niet altijd makkelijk te beoordelen omdat de verhalen die je leest als regel afkomstig zijn van de producent van de gadgets (en die is natuurlijk per definitie verschrikkelijk enthousiast over dat ding) of van mensen die het apparaat net hebben gekocht en - volgens de theorie van de cognitieve dissonantiereductie - daar juichend over publiceren omdat ze voor zichzelf niet willen toegeven dat ze hun geld aan een apparaat hebben uitgegeven dat minder leuk/zinvol is dan ze hadden verwacht.

Gelukkig hebben SURFnet en Kennisnet daar wat op gevonden. In het kader van het Innovatieprogramma worden (jaarlijks) een aantal nieuwe apparaten aangeschaft. Wie een idee heeft hoe die apparaten in het onderwijs ingezet kunnen worden, kan zijn idee inzenden. De inzendingen worden beoordeeld: wie het beste idee heeft krijgt het apparaat dat bij zijn idee hoort 3 maanden te leen. Daarbij krijgen ze dan wel de verplichting om te schrijven over hun ervaringen. In september van dit schooljaar zijn zeven aanvragen van hogeronderwijsinstellingen gehonoreerd. Zij hebben tot 30 november de tijd om de apparaten uit te testen en hiervan verslag uit te brengen op het weblog van het Innovatieprogramma Onderwijsdevices.

Er zijn een aantal positieve aspecten aan deze manier van testen. Om te beginnen worden de tests allemaal uitgevoerd op de werkvloer: in het onderwijs. Dat betekent dat je veel meer informatie krijgt dan alleen informatie over het apparaat zelf. De tests geven ook inzicht in de technische plussen en minnen van het apparaat. Als een apparaat niet functioneert als je er thuis mee aan het spelen bent, is dat over het algemeen minder frustrerend dan wanneer het apparaat niet werkt terwijl er een aantal studenten verwachtingsvol naar je kijkt en je maar één lesuur tot je beschikking hebt om de leerstof door te nemen.

Daarnaast krijg je informatie over hoe studenten het werken met het apparaat ervaren. Ze zijn vaak erg kritische consumenten: ze zitten als regel niet te wachten op techniek om de techniek, maar alleen op een goede manier om de leerstof tot zich te nemen (alhoewel een iPad ook voor hen best een leuk hebbeding is natuurlijk!).

Omdat de aanvragers het apparaat niet zelf hoeven aan te schaffen, zullen ze vermoedelijk ook meer geneigd zijn om daarover eerlijk te rapporteren. Natuurlijk is het jammer als het idee dat je had met een apparaat in de praktijk niet blijkt te functioneren zoals je had gehoopt, maar omdat je dat geen centen kost, is het iets makkelijker om voor de teleurstelling uit te komen. Voldoet het gebruik van het apparaat wel aan de verwachtingen, dan heb je als potentiële koper niet alleen informatie over het apparaat, maar - veel belangrijker - ook een idee over een toepassingsmogelijkheid en de randvoorwaarden om het apparaat succesvol in te zetten.

Gewoon een verschrikkelijk goed idee, dit SURFnet/Kennisnet-programma. Kijk op de site welke apparaten aangeboden zijn, welke projecten gehonoreerd zijn en uitgevoerd gaan worden en lees de verslagen over de projecten in de blogs. Overweeg je één van de apparaten in te gaan zetten in je eigen onderwijs? Dan is dit een mooi moment om een vraag te stellen aan de gebruikers van de apparaten via hun blogposts. Wie weet vallen er mooie kongsies te vormen om gezamenlijk een aantal apparaten aan te schaffen of om projecten te doen!

Afbeelding van makelessnoise, gepubliceerd onder CC-by.

dinsdag 23 november 2010

Aanplakmuren

Ik ben een grote fan van het programma Wallwisher. Wallwisher is een digitale aanplakmuur, waar je met een groep mensen berichtjes achter kunt laten. Handig, bijvoorbeeld als je een brainstorm houdt, als je je leerlingen vraagt om te reflecteren op een onderwerp of om met een groep informatie te verzamelen over een bepaald onderwerp. Je kunt zo'n muur natuurlijk ook gebruiken als aanplakbord voor je klas, als vervanging van of aanvulling op het klassenboek of het gebruikelijke prikbord in de school.

Een bericht op een Wallwisher-muur bestaat uit tekst en - als je dat wilt - een link naar een afbeelding, geluidsbestand, video of een website. Wallwisher heeft wel een aantal beperkingen. Een van de lastigste vind ik dat je op een Wallwisher aanplakbiljet maar een beperkt aantal tekens kwijt kunt: niet meer dan 160.

Gelukkig zijn er inmiddels een paar goede alternatieven, zoals Stixy en Lino-it, die iets andere mogelijkheden dan Wallwisher. Bij deze beide tools kan je een ongelimiteerd aantal karakters kwijt in een berichtje. In welke opzichten verschillen deze tools verder?

Bij Stixy kan je de muur voor iedereen zichtbaar maken of alleen vindbaar maken voor wie de URL heeft. Vervolgens heb je de keuze of iedereen die de muur bekijkt die ook mag bewerken. Je kunt dat voorkomen door een wachtwoord te koppelen aan de muur, zodat alleen degenen die een wachtwoord hebben, de muur kunnen bewerken. Op die manier kan je ervoor zorgen dat alleen de klas die bezig is met het onderwerp berichten kan toevoegen, terwijl je andere klassen wel in de gelegenheid stelt om de muur te bekijken.

Op een Stixy muur kan je tekstberichtjes plakken, afbeeldingen, bestanden (die je kunt uploaden vanaf je eigen p.c.) en to-do-lijstjes. Het is niet mogelijk om al die verschillende soorten informatie aan elkaar te koppelen in één bericht maar je kunt natuurlijk wel berichtjes naast elkaar plaatsen, zodat duidelijk is dat die bij elkaar horen.

De mooiste aanplakmuur vind ik Lino-it. Bij deze tool kan je groepen aanmaken. Per muur bepaal je of je die privé wilt houden, beschikbaar voor een bepaalde groep of dat je de muur voor iedereen toegankelijk wilt maken. Als je muur toegankelijk is voor meer mensen, kan je per bericht bepalen of je die privé wilt houden.

Op een muur van Lino-it kan je tekstberichtjes achterlaten, plaatjes en een link naar een filmpje dat staat op YouTube, Vimeo of Ustream. Je kunt ook een bestand uploaden naar Lino-it en dat als berichtje achterlaten. De verschillende soorten berichtjes (tekst, afbeelding, video en bestand) kunnen niet gecombineerd worden. Je kunt wel in een tekstberichtje een link zetten: die wordt door de software omgezet naar een aanklikbare link.

Bijzonder van Lino-it is dat je aan een berichtje een datum kan koppelen. Als je een datum in de toekomst neemt, wordt het berichtje niet direct op de muur geplakt, maar pas op die datum. Dat kan handig zijn, bijvoorbeeld als je een huiswerkopdracht op de muur op plakt en na een tijdje de leerlingen extra tips wilt geven of een reminder om aan de slag te gaan.

Lino-it heeft ook een paar leuke e-mailmogelijkheden. Elke muur wordt door Lino-it voorzien van een e-mailadres dat je kunt gebruiken om via mail een berichtje te sturen naar de muur. En als je een berichtje op je muur plaatst, kan je direct vanaf je muur een kopie van dat bericht versturen.

Waar kan je zo'n digitale aanplakmuur nu voor gebruiken? Ik vind een aanplakmuur een leuke manier om voorkennis te activeren. Vraag je leerlingen voordat je een nieuw onderwerp gaat bespreken om op de aanplakmuur berichtjes te plaatsen over wat ze al weten van dat onderwerp. Als je vervolgens met het onderwerp aan de slag gaat, kan je de berichtjes groeperen, nieuwe berichtjes plaatsen of aan al geplaatste berichten een link toevoegen of een afbeelding of film ernaast plaatsen. Zo ontstaat een mooi beeld van het totale onderwerp dat de leerlingen kunnen gebruiken voor een eventuele toets.

Een aanplakmuur kan je ook goed gebruiken om te brainstormen of ideeën te verzamelen. Als je dat in de klas doet, wil dat er nog wel eens toe leiden dat het erg rumoerig wordt, dat leerlingen niet luisteren naar elkaar of dat ze al commentaar gaan geven terwijl nog niet alle ideeën geïnventariseerd zijn. Als je alle leerlingen tegelijkertijd aan de slag zet om hun ideeën op een muur te zetten, dan heb je binnen 5 minuten een overzicht dat je vervolgens kunt uitwerken.

maandag 22 november 2010

Doen: wedstrijdje mediawijsheid

screenshot quiz OBAVeel leerlingen vinden mediawijsheid saai. Ze weten allemaal allang hoe ze moeten zoeken op internet (althans: dat denken ze) En natuurlijk gaan ze niet in op rare vragen op MSN (maar ja, die ene jongen daar zijn ze wel heel verliefd op) en dat sommige foto's bewerkt zijn, daar zijn ze zich wel van bewust (maar niet van het feit dat de fotograaf bepaalt wat hij fotografeert en dat een foto dus een eigen impressie is en niet 'de waarheid').

Van 24 november tot 1 december is de Week van de Mediawijsheid. Morgen is de officiële opening. Dan worden in talloze bibliotheken activiteiten georganiseerd rond het onderwerp mediawijsheid. Er is ook een speelse quiz te vinden, waarin je kunt testen hoe mediawijs je bent.

Ook de openbare bibliotheek Amsterdam (OBA) heeft in het kader van de Week van de Mediawijsheid een quiz gemaakt over mediawijsheid. Deze - wat meer inhoudelijke- quiz bestaat uit 9 filmpjes met daarin vragen over mediawijsheid. Als je de vragen in één keer goed beantwoordt krijg je het maximale aantal punten. Als je een verkeerd antwoord geeft, krijg je een nieuwe kans, maar dat levert wel minder punten op.

De quiz is gemaakt om te spelen in de bibliotheek; voor een aantal vragen moet je op zoek gaan naar informatie in de bibliotheek. Maar veruit de meeste vragen kan je ook beantwoorden als je niet in de bibliotheek bent. Er zijn vragen over:
  • Digitaal pesten,
  • Twitteren,
  • Google,
  • Internetgevaren
  • Alles is te zien (over
  • Lekker Lezen (leesbevordering),
  • Invloed van de media,
  • Manipuleren met beelden,
  • Invloed van soaps.
De quiz biedt mooie kansen om leerlingen actief aan de slag te laten gaan met mediawijsheid. Laat de leerlingen hun score vastleggen d.m.v. een screendump. Dan kijk je wie de hoogste score heeft en ga je met ze in gesprek over de quiz. Dat is dan weer een mooie ingang om met ze in gesprek te komen over hoe zij omgaan met media. Wijsheid begint met bewustzijn!

donderdag 18 november 2010

Interculturaliteit op Stenden

Door: Martijn van den Berg
Vandaag, terwijl we bezig waren met de les, hoorden we opeens een feestelijk geluid ons lokaal binnenkomen. Het geluid van bongo's, saxofonen en drums vulde ons lokaal. Toen ik door het raam van het lokaal naar buiten keek, zag ik veel mensen langs de verschillende kraampjes zwerven. Het was International Day op Stenden.

Stenden kent studenten van 82 verschillende nationaliteiten en is erg trots dat hun marketing zo de hele wereld bereikt, en wil met deze dag interesse wekken voor de verschillende culturen.

Maar dit is niet het enige waaruit blijkt dat Stenden een internationale school is. De meeste opleidingen binnen Stenden zijn in het Engels en binnen de praktijkdepartementen wordt ook gestimuleerd om Engels te praten, om de internationale studenten die onze taal niet kennen niet buiten de boot te laten vallen. Daarnaast kan men op Stenden veel verschillende talen leren en worden er lessen gegeven in interculturele communicatie.

Maar er zitten ook addertjes onder het gras. Hoe Stenden ook zijn best doet, het blijft een school in Nederland. Daarom praten de meeste studenten onderling, maar ook vaak met leraren gewoon Nederlands, en zie je zelfs dat praktijkbegeleiders en leraren onderling vaak ook onderling Nederlands spreken. Men vindt dit gemakkelijker.

De gemiddelde Nederlander kan de Duitse cultuur best begrijpen, maar bij de Chinese cultuur wordt het al erg moeilijk. Zo heb ik onder andere mensen gezien die in de feedback van Chinese mensen opgeschreven dat ze niet genoeg zelfvertrouwen hadden of beter Engels moesten gaan leren. In mijn ogen is dat even onbegripvol als iemand met één been een voetbal geven.

Ik begrijp dat op een school in Nederland, die zo groot is, het moeilijk is om dingen in de hand te houden, maar ik zou toch wel verwachten dat de leraren, die werken op een internationale school en vaak ook zelf internationale ervaring hebben, toch wat meer begrip hebben voor andere culturen. Maar af en toe gaat het toch mis, en dit is jammer, want internationale kennis en begrip kan je horizon ongelofelijk vergroten naar mijn mening.

Het blijft een ingewikkeld probleem. In Nederland, waar men toch de Nederlandse identiteit heeft, is het moeilijk van mensen te verlangen dat ze de hele dag op school Engels praten. Toch streef ik er zelf altijd wel naar om in het bijzijn van mensen met een andere nationaliteit Engels te praten of in sommige gevallen zelfs hun eigen taal. Of ik een Don Quichot ben? Misschien wel.

woensdag 17 november 2010

Toy Theater voor op het digibord

screenshot afbeeldingen Toy TheaterDigiborden zijn volop in gebruik in het onderwijs. En hoe meer materiaal er komt, des te waardevoller de borden zelf. Er zijn dan ook talloze verzamelsites met digibordmateriaal. Een goed overzicht daarvan is te vinden op de site van De Rode Planeet, de uitgever van het - zeer complete - Handboek Digibord en didactiek. Maar de site Toy Theater ben ik op nog geen enkele digibordportal tegengekomen, terwijl daar toch erg veel leuke en interessante dingen te vinden zijn.

Op de site van Toy Theater vind je materiaal:
Toy Theater is een site waar ik kinderen graag zou laten spelen. Er is genoeg materiaal om te leren en om te spelen (en zo ongemerkt ook te leren).

dinsdag 16 november 2010

De macht van Google

afbeelding voorkant boek Peter OlsthoornHier op dit blog en tijdens presentaties heb ik al een paar keer geschreven wat Google allemaal van ons weet. Een zoekmachine die zoveel weet over ons: is dat wel wat wij willen? Precies over dat onderwerp heeft Peter Olsthoorn een boek geschreven: De macht van Google. Een boek dat ik iedereen die gebruik maakt van internet kan aanraden. Ik heb het zelf in ieder geval in één ruk uitgelezen ;-)

Wat heeft het lezen van het boek me opgeleverd? Om te beginnen een erg interessante plug-in, die laat zien wanneer Google iets van mijn gedrag registreert. Daaruit blijkt dat Google niet alleen je doen en laten registreert als je gebruik maakt van de zoekmachine, maar dat dat ook gebeurt op talloze andere websites. Websites die gebruik maken van Google webmaster tools of andere web apps, bijvoorbeeld om bij te houden wie de site bezoekt, sites die reclames laten plaatsen door Google, sites die gehost worden door Google (zoals de weblogs van Blogger), sites die gebruik maken van een API van Google: er is veel meer wat Google onder ogen krijgt dan je verwacht. Bij mij blijkt dat mijn activiteit op ongeveer de helft van de sites die ik bezoek, wordt vastgelegd door Google.

Uit het boek blijkt hoeveel informatie Google onder ogen krijgt. Toch is het geen negatief boek, en Google wordt zeker niet met de grond gelijk gemaakt. Olsthoorn bespreekt de basisfilosofie van Google: 'Don't be evil' en wat daarvan de gevolgen zijn. Olsthoorn laat zien wat voor leuke, handige en mooie dingen Google heeft gemaakt, maar ook welke producten geflopt zijn. En hij laat zien welke strijd er op dit moment geleverd wordt door grootmachten als Google, Apple, Microsoft en Facebook. Hij toont aan hoe wij Google steeds meer macht geven: door gebruik te maken van Google en alle apps e.d. die ze bieden, geven we ze steeds meer informatie, waardoor Google steeds beter in staat is om onze vragen in kaart te brengen, en ons de antwoorden te verschaffen waar we naar op zoek zijn. Actief, omdat we gebruik maken van de zoekmachine van Google, of passief, omdat we op een site of bij de mail advertenties te zien krijgen die aansluiten bij waar we mee bezig zijn. Erg interessante kost allemaal, voor iemand die zich bezig houdt met internet.

Maar wat mij vooral fascineert is de vraag hoe we moeten omgaan met informatie in deze maatschappij waarin zoveel informatie voor het grijpen lijkt te liggen. De eerste vraag die ik me daarbij stel is of het wel wenselijk is dat zoekmachines de informatie zo goed voor ons lijken te ordenen. Uit een heleboel onderzoeken is gebleken dat de meeste mensen niet verder kijken dan de eerste treffers en dus gebruik maken van de ordening die Google aanbrengt. Dat is niet heel vreemd: heel vaak is het antwoord dat we zoeken daar te vinden. Maar je weet niet wat je mist: het kan best zijn dat er heel goede en interessante antwoorden te vinden zijn in de treffers daaronder. Het doet me denken aan een gesprek dat ik ooit had met Thijs Chanowski, niet alleen de man achter De Fabeltjeskrant, maar ook één van de mensen achter de aquabrowser, de associatieve zoekmachine die o.a. wordt gebruikt door de openbare bibliotheek. Chanowski vertelde dat hij het belangrijk vindt dat een zoekmachine mensen stimuleert om verder te kijken en niet te snel genoegen te nemen met een antwoord. Zoeken met de aquabrowser kost meestal meer tijd en dat wordt niet altijd gewaardeerd, maar hij levert je soms wel antwoorden waar je niet op zoek naar was maar die je wel wilde hebben. Is dat beter of slechter dan zoeken met Google?

Een tweede vraag die bij mij blijft hangen na het lezen van het boek van Olshoorn is de vraag of we het moeten toestaan dat één bedrijf toegang heeft tot zoveel informatie. Zelfs als je ervan uitgaat dat Google het beste met ons voor heeft (een vraag waar niemand het antwoord op kan geven), dan nog blijft voor mij de vraag of je de verantwoording voor zoveel informatie in handen van één organisatie kunt geven. Google moet regelmatig afwegingen maken: mogen ze informatie wel of niet censureren omdat een land dat van ze eist, moet je informatie die door iemand online is gezet verwijderen als degene die die informatie online heeft gezet daarom vraagt? Mag je een bedrijf dat je ranking-algorithme gebruikt om hoog in de lijst te komen, tijdelijk uit de index halen en zo ja: hoe lang laat je dat dan duren als je weet dat een bedrijf miljoenenverlies lijdt doordat het niet meer gevonden wordt door Google? Het beheren van informatie kan niet waardenvrij gebeuren: er moeten altijd keuzes gemaakt worden waarbij je mensen, organisaties, politieke systemen wel of niet toegang geeft tot informatie.

Gelukkig geeft Olsthoorn in zijn boek ook een aantal manieren hoe we dit soort vragen kunnen beantwoorden. Uitgevers van kranten en boeken kunnen grenzen stellen aan wat Google doet en gebruikers kunnen hun stem laten horen als Google zich niet houdt aan hun basisprincipe 'Don't be evil'. En natuurlijk kan de politiek grenzen stellen aan de macht van Google.

Ik denk dat er op dit moment geen pasklare antwoorden zijn. Er wordt - gelukkig - door tal van organisaties op gelet dat onze privacy gewaarborgd blijft, dat iedereen zoveel mogelijk toegang krijgt tot informatie en dat we internet voor iedereen toegankelijk maken. Maar dat is lang niet voldoende: informatie is altijd van belang geweest, maar door internet is de toegang daartoe wezenlijk aan het veranderen. We moeten ons met ons allen beraden hoe we daarmee omgaan.

Ik denk dat onderwijs daarin een rol moet spelen: we moeten onze leerlingen en studenten bewust maken van het feit dat zoeken meer is dan gebruik maken van de bovenste treffers van een zoekmachine, dat het soms zinvol is om op zoek te gaan naar antwoorden die je niet verwacht in plaats van genoegen te nemen met het antwoord waar je naar op zoek was. We moeten ze leren dat het handig kan zijn als zoekmachines weten wie je bent en waarin je geïnteresseerd bent, maar dat diezelfde zoekmachines je daarmee soms ook de weg versperren naar informatie die misschien veel interessanter is voor je. We moeten in het onderwijs zorgen dat er een gesprek op gang komt over de macht van informatie en van degenen die ons daartoe toegang kunnen geven of ons die toegang kunnen ontzeggen. Misschien dat we dan een manier vinden hoe we om moeten gaan met de paradox dat zoekmachines die veel over ons weten, ons toegang geven tot informatie en tegelijkertijd ons informatie ontnemen.


N.B. de plug-in die je laat zien wanneer je een site bezoekt waar Google je bewegingen vastlegt, heet Google-alarm en is gemaakt door het kunstenaarscollectief F.A.T. (Free Art & Technology). Er zijn plug-ins voor Firefox en voor Chrome, en je kunt kiezen voor een plug-in met geluid, en eentje zonder. Als je je eigen oren en die van je omgeving wilt ontzien, raad ik je aan de plug-in zonder geluid te nemen!

maandag 15 november 2010

Monkeytales: games om te rekenen

screenshot spelIn Vlaanderen is toenemende aandacht voor de educatieve mogelijkheden van games. Zo werd onlangs het spel PING gelanceerd: Poverty Is Not a Game. Martijn besprak dat een dag of 10 geleden in dit weblog. In Vlaanderen zijn er ook commerciële educatieve uitgevers van games. Larian Studios ontwikkelde, in samenwerking met de educatieve uitgeverij Die Keure een reeks van games om te oefenen met rekenen: Monkey Tales. Het eerste spel uit de reeks is De Bibberburcht van Draconion.

In dit spel moet je de burcht van Draconian Huros Stultus overmeesteren. Je moet daarvoor door een heleboel kamers. In elke kamer vind je hindernissen die je moet overwinnen: monsters die je te grazen willen nemen, laserstralen die je moet ontwijken enz. Daarnaast is er in elke een aapje dat je moet verslaan met rekenen om de deur naar de volgende kamer open te maken. De rekensommen in het spel passen zich aan aan het niveau van de speler.

Het spel is niet moeilijk om te spelen maar wel uitdagend genoeg om door te blijven spelen. En om te kunnen blijven spelen moet je ook blijven rekenen. In dat opzicht voldoet het spel zeker. Wat ik wel heel jammer vind is dat je als speler geen feedback krijgt bij het rekenen. Als je een bepaald type opgaven niet snapt, dan krijg je geen tips hoe je het wel moet aanpakken. Dat vind ik een gemiste game-kans. Een leerkracht (of een medeleerling) kan daarin wel bijspringen, maar dat haalt je als speler uit het spel, waardoor het plezier vermindert. Daarnaast kreeg ik na een tijdje wel genoeg van het rekenwerk: het werd een soort rijstebrij-berg waar je doorheen moest om weer lekker te kunnen spelen. En dat is natuurlijk niet de visie op rekenen die je je leerlingen bij wilt brengen. Daarnaast biedt het spel geen mogelijkheden om de prestaties van de leerlingen te monitoren, dus je zult als leerkracht regelmatig zelf moeten toetsen of de leerling zijn rekenvaardigheid op de goede manier verder ontwikkelt.

Al met al vind ik het daarom niet echt een goed spel. Leerlingen zullen zeker aangezet worden om te gaan oefenen met rekenen, maar didactisch gezien vind ik dat er kansen zijn blijven liggen. Wel lijkt het spel me een kans voor kinderen die het leuk vinden om extra sommen te maken. Dan is het spel niet een middel om de vaardigheden van de zwakkere leerling te verbeteren, maar om de goede leerling te laten excelleren. En dat is natuurlijk ook een goed streven!

donderdag 11 november 2010

De echte praktijk

Door: Martijn van den Berg
Afgelopen maandag was het weer zover. Ik werd vroeg wakker, trok mijn nette schoolpak aan en ging naar school. Ik mocht weer praktijk lopen. Alhoewel ik in het tweede jaar niet meer onderaan de ladder hoefde te werken, en alle rotklusjes te doen, zag ik er toch tegenop om te gaan. Het wrok van het afgelopen jaar zat nog in mijn achterhoofd. Alhoewel ik ook leuke tijden heb gehad, denk ik toch vooral terug aan de lange shifts waar je van hot naar her wordt gestuurd zonder dat je iets in te brengen hebt.

Voor ik in detail treed wat betreft praktijk, eerst even een uitleg over praktijk lopen op Stenden. Op Stenden moet elke student 4 modules praktijk lopen. Twee in het eerste jaar, één in het tweede jaar en één in het derde jaar. (welke ook extern gelopen kan worden) In het eerste jaar begin je onderaan. Je moet alle basisklusjes doen om zo kennis op te doen over het werken in de horeca. In het tweede jaar ben je supervisor. Je hebt de leiding over een paar eerstejaars, en zorgt dat op jouw afdeling alles goed uitgevoerd wordt. In het derde jaar ben je manager en heb je de verantwoordelijkheid over een hele afdeling.

Nu klinkt dit allemaal prima op papier, aangezien je langzaam omhoog klimt en zo alle kennis en ervaring opdoet, maar bedenk wel dat je alles verdeelt over drie jaar loopt. Dit is nog niet eens het grootste probleem, aangezien na een halve week je het wel weer in de vingers hebt. Het grootste probleem is dat er punten worden gegeven voor de inzet door de student boven je.

Deze punten worden vaak niet gegeven op inzet, maar op prestaties. Iemand die zich maximaal inzet, maar gewoon niet alles onder de knie heeft, zal nooit een hoog aantal punten krijgen en andersom wel. Omdat aan het eind van de week de punten worden gegeven, en iedere eerstejaars door een week heen meerdere supervisors boven zich heeft, geeft de laatste supervisor de punten. Dit alles leidt af en toe tot erg oneerlijke inschattingen, wat naar mijn mening heel erg jammer is.

Ik heb een kans gekregen supervisor te zijn dit moduul, en hoop het goed te doen. Niet omdat ik veel punten krijg, maar omdat ik hoop de eerstejaars wat te kunnen leren, en daarnaast zelf ook nog wat nieuwe kennis op te doen in een prettige werksfeer. We zijn ten slotte op een school, dus leren moet absoluut centraal staan.

woensdag 10 november 2010

Geschiedenis in verhalen

afbeelding voorkant brochureGeschiedenis was een vak waar ik op school van genoot. Vooral die ene docent in de brugklas, die zo prachtig verhalen kon vertellen. Wat aan de vreugde bijdroeg, was dat de man een beetje doof was. Dat had tot gevolg dat zijn stemgeluid wisselde van fluisterstil (waardoor je wel heel goed moest luisteren, anders verstond je niet wat hij zei), tot luid gebulder. Dat werd waarschijnlijk minder gewaardeerd door de docent in het klaslokaal naast ons, maar het hield me absoluut bij de les!

Maar niet iedere leraar heeft de gave van het vertellen. Gelukkig voor hen zijn er boeken die die taak van hen over kunnen nemen. De Stichting Lezen en het Sectorinstituut Openbare Bibliotheken hebben een handige brochure gemaakt waarin ze bij elk van de 50 vensters van de Canon van Nederland boeken gezocht voor kinderen van 8 tot 14 jaar. Zoals in de brochure staat:
Verhalen die de geschiedenis inkleuren, verlevendigen en voor de jonge lezers aantrekkelijk maken. Verhalen die hen meenemen naar het verleden en hun even het gevoel geven in de beschreven periode rond te dwalen.
In de brochure wordt bij elk venster van één boek een korte beschrijving gegeven, en verwezen naar een aantal andere boeken die gaan over de betreffende periode. De titels zijn overgenomen van de site Entoennu.

Openbare bibliotheken hebben zich ten doel gesteld om de boeken uit de brochure zoveel mogelijk in de collectie op te nemen en aan te bieden aan scholen. Uit de brochure:
Leerkrachten die een bepaald venster behandelen, kunnen een beroep doen op de bibliotheek voor het leveren van bijbehorende boeken en ondersteunende expertise.
Dat lijkt me een heel mooi aanbod voor scholen. Hiermee stimuleer je dat kinderen (meer) lezen en tegelijkertijd is er aandacht voor geschiedenis. En als kinderen niet zelf lezen, dan heb je prachtig materiaal om voor te lezen. Want voorgelezen worden is altijd leuk, ook als je al lang zelf kunt lezen!

dinsdag 9 november 2010

MediaMachtige mogelijkheden voor subsidie

logo MediaMachtigZoals velen al wel zullen weten, is MediaMachtig een (nieuw) subsidiefonds waar basisscholen een beroep op kunnen doen voor projecten waarbij leerlingen leren werken met media. Aan mij is al vaak gevraagd om voorbeelden, waarvoor je nu precies subsidie aan kunt vragen. Daarom een blogje met tips van anderen en van mezelf om inspiratie op te doen.

Eerst wat tips van anderen:
  1. Elke Das geeft in haar weblog tips voor:
    1. het gebruik van camera's en cameraphones,
    2. het werken met een digitale microscoop (bijv. om onderzoek te doen naar het leven in een sloot),
    3. de inzet van een Mac-computer,
    4. het maken van stop-motion-filmpjes,
    5. voor een abonnement op een muziekuitgever op internet.

  2. Ook Remco Pijpers van Mijn Kind Online geeft tips in zijn weblog. Hij laat leerlingen werken met het spel Guitar Hero.

  3. In het weblog van MediaMachtig vind je ook tips, bijvoorbeeld over het maken van een podcast of de inzet van sociale media voor het doen van onderzoek.

  4. En dan nog een paar nieuwe tips:
    1. Laat leerlingen in de les een Hyvespagina aanmaken voor de klas. Op die pagina schrijven de kinderen (bij toerbeurt) voor de taalles een verslag van de week, van een bijzondere activiteit, een project enz. Goed voor de taalles, én een manier om te leren wat je wel en niet op een Hyvespagina zet. Je hebt wel een camera nodig om foto's te maken en/of een laptop of computer waar de leerlingen aan kunnen werken,
    2. Laat leerlingen een speurtocht maken door het dorp/de stad: over de kunst, over de geschiedenis van het dorp, over verschillende wijken. Je kunt een speurtocht laten maken op papier (met foto's van de plaatsen waar de speurders langs moeten lopen), op een mp3-speler (een gesproken speurtocht) of op een mobiele telefoon (waarbij de leerlingen onderweg bijvoorbeeld sms-berichtjes krijgen hoe ze verder moeten gaan en welke opdrachten ze uit moeten voeren),
    3. Laat leerlingen voor Nederlands spreekwoorden uitbeelden op een foto of een filmpje (zoals te zien is bij Wikikids),
    4. Maak een weblog en zoek contact met een school in Engeland, bijvoorbeeld via de website van eTwinning. Laat leerlingen met de leerlingen in Engeland uitwisselen hoe hun leven eruit ziet. Een camera, computer en/of een set koptelefoons (om te Skypen) zullen daarbij goed van pas komen.
    5. Laat leerlingen een product bedenken, maken en verkopen via internet voor het goede doel (bijv. materialen voor de school zelf of voor een school in een ander land). Een inspirerende manier om te rekenen, te schrijven, te tekenen en nog veel meer. En tussendoor wordt natuurlijk overlegd hoe je mensen via de media kunt verleiden om iets te kopen, wat spam is (en wat niet) en wat je doet als je reacties krijgt van mensen die je niet kent (en misschien ook niet vertrouwt). Ook hier geldt weer: je hebt wel een camera nodig om te kunnen laten zien wat je verkoopt en een (extra) computer waar de leerlingen mee kunnen werken.
    6. Laat leerlingen een eigen startpagina maken voor de klas, met daarop handige links voor de zaakvakken, werkstukken enz.
    7. Laat leerlingen voor de taalles een (foto)stripverhaal maken (bijv. met de proefversie van ComicLife, Pixton, Pikikids of Creaza),
    8. Laat leerlingen voor muziek een lipdub maken, laat ze hun eigen muziek componeren met Drumsteps of een andere site waar je muziek kunt maken.
En zo zijn er natuurlijk nog veel meer voorbeelden te bedenken van projecten waarvoor je subsidie kunt aanvragen. Het gaat erom dat je leerlingen iets leert met behulp van internet. Dat moment gebruik je om met je leerlingen te bespreken hoe ze zelf internet gebruiken en hoe ze dat bevalt. Niet heel moeilijk dus en voor velen niet anders dan wat ze al heel vaak hebben gedaan. Maar wel een pracht mogelijkheid om subsidie aan te vragen: voor de usb-sticks die zo handig zijn, voor camera's, een extra computer, een digitale microscoop, een paar extra uren om lesmateriaal te ontwikkelen, een set koptelefoons enz.

Ik zou zeggen: pak die kans en dien snel een aanvraag in. Dat kan tot 28 november 2010. Als je subsidie krijgt heb je tot juni 2010 de gelegenheid om je project uit te voeren.

maandag 8 november 2010

ICT-beurzen: teveel van het goede?

In de LinkedIn-groep 2.0 is een discussie gaande over ict-beurzen. Menno Van Hasselt stelde daar 8 maanden geleden de vraag wat de toegevoegde waarde is van de overkill aan ICT-beurzen in het onderwijs. Menno stelt dat het hem opvalt dat de meeste bedrijven op ict-beurzen niets met onderwijs te maken hebben. Ze bieden oplossingen voor het administratieve proces of de infrastructuur maar niet voor het primaire proces. Hij zegt dat het zou helpen wanneer we in Nederland één beurs organiseren waar de onderwijsbehoefte van een kind of de didactische behoefte van de leerkracht centraal staat en niet de technische oplossingsmogelijkheden.

Op de vraag van Menno zijn in de afgelopen 8 maanden meer dan 120 reacties binnengekomen en inmiddels staan we aan het begin van een nieuwe reeks onderwijsbeurzen en conferenties: De Onderwijsdagen, de i&i conferentie, in januari de NOT: we kunnen de komende maanden weer terecht op allerlei plekken.

De meeste mensen die reageren zijn het van harte eens met Menno:
  • er zijn teveel beurzen; het zou beter zijn als congresorganisatoren hun krachten bundelen en één grote beurs zouden aanbieden,
  • we bereiken alleen de ict-coördinatoren en ICT&O-medewerkers,
  • voor standhouders is het kostbaar om op zoveel beurzen te staan en voor de bezoekers is het moeilijk om een keuze te maken omdat er beperkt tijd en geld beschikbaar is voor dit soort zaken,
  • er is vooral aandacht voor techniek en niet voor didactiek,
  • docenten hebben helemaal geen tijd om beurzen te bezoeken.
Ik volg de discussie nu al een tijdje en vraag me af of we het nu allemaal echt zo verkeerd doen. Ook ik vind het moeilijk om keuzes te maken omdat er zoveel is en omdat alles geld kost en ook ik mis de docenten op de conferenties. Is de oplossing om - zoals door sommigen wordt geadviseerd - één grote conferentie te organiseren waarin vooral aandacht wordt besteed aan didactiek?

Daar heb ik mijn twijfels bij. Om te beginnen vind ik diversiteit belangrijk: alhoewel er tussen de verschillende beurzen duidelijk overlap is, zijn er ook altijd verschillen: in onderwerpen, de manier waarop die onderwerpen aangeboden worden en natuurlijk ook in locatie, tijdstip en en duur van de conferentie. Uit het feit dat alle beurzen naast elkaar kunnen bestaan (en dus blijkbaar voldoende bezoekers trekken om de kosten tegen de baten weg te kunnen strepen), trek ik de conclusie dat het grote aanbod voldoet aan een behoefte. Als wij als bezoekers niet zouden komen, dan zouden er pas een aantal beurzen minder zijn. Idem geldt voor standhouders: het is niet verplicht om te komen, maar omdat er blijkbaar voldoende bezoekers zijn, is het voor hen interessant om op die beurzen te komen. Vergelijk het met winkels: zouden we het fijn vinden als we in de toekomst alleen nog maar eten kunnen halen bij Albert Heijn, kleding bij C&A en auto's bij de Opelfabrieken? Dat lijkt me geen prettig vooruitzicht.

De bezoekers van de beurzen zijn bijna altijd mensen die zich bezighouden met ICT in het onderwijs: ICT&O-medewerkers en ict-coördinatoren, beleidsmedewerkers met ICT in hun portefeuille. Dat vind ik niet vreemd. ICT en onderwijsbeurzen worden als regel georganiseerd door mensen die zich vanuit hun ICT-expertise bezighouden met onderwijs. Hun netwerk bestaat uit andere ICT-en-onderwijsexperts, en niet uit docenten. Als zij een conferentie willen organiseren voor docenten, dan zullen ze daarvoor een beroep moeten doen op andere netwerken en duidelijk moeten maken waarom gebruik van ICT voorwaarde is voor goed onderwijs. Ik ben bang dat we daarin falen: het is ons nog altijd niet gelukt om die noodzaak goed over te brengen. Niet voor niets hangt Kennisnet - terecht - aan de bel bij de overheid dat het gebruik van ICT in het onderwijs versneld moet worden: dat proces verloopt te langzaam om onze plannen om Nederland neer te zetten als kennismaatschappij te kunnen realiseren. Ook op de werkvloer kost het ons moeite om de docent te overtuigen dat hij ICT moet inzetten: het is een probleem dat (bijna) iedere ict-coördinator/ICT&O-medewerker zal herkennen. Trainingen, bijscholingsdagen die door ons georganiseerd worden op onderwijsinstellingen worden soms alleen bezocht omdat ze verplicht worden gesteld: als die stok achter de deur verdwijnt, blijkt de behoefte aan deze professionaliseringsactiviteiten van de school soms te verdwijnen als sneeuw voor de zon.

Dat het organisatoren van congressen en beurzen niet lukt om massaal docenten naar deze evenementen te laten komen, is dan ook niet iets wat we hen kunnen verwijten: het is een probleem dat op heel veel plaatsen speelt. En niet alleen m.b.t. ICT: ik heb ook onderwijsonderzoekers wel horen klagen dat ze er niet in slagen om met de vruchten van hun werk de docent te bereiken. Op de één of andere manier lijkt ons aanbod niet goed aan te sluiten op de vraag van de docenten.

Om docenten te kunnen bereiken moeten we volgens mij eerst hun vraag kennen: wat zijn de problemen waar docenten voor staan? Welke problemen willen zij oplossen, waar lopen ze tegenaan in hun dagelijkse lespraktijk? Ik verwacht antwoorden als:
  • hoe kan ik ervoor zorgen dat ik minder tijd kwijt ben aan nakijken?
  • waar vind ik snel bruikbaar oefenmateriaal?
  • hoe kan ik mijn leerlingen/studenten actiever laten deelnemen aan de les?
  • hoe zorg ik ervoor dat leerlingen/studenten hun werk beter plannen?
Maar misschien heb ik dat helemaal mis en staan andere vragen bij docenten op de eerste plaats. Een onderzoek zou helderheid moeten verschaffen.

Ik denk dat docenten het antwoord op hun vragen vaak niet direct zullen zoeken in ICT. Waarschijnlijk hebben ze gelijk en zijn er (ook) andere manieren om hun problemen op te lossen. Om antwoord te kunnen geven op de vraag van de docent moeten we - denk ik - onze ICT-bril afzetten en niet alleen kijken naar hoe je die problemen kunt oplossen met ICT, maar met een veelheid aan middelen en manieren. Een andere didactiek, andere leermiddelen, een andere schoolorganisatie: er is meer dan ICT om een docent terzijde te staan.

Het lijkt mij geweldig om een beurs te organiseren voor docenten die helemaal uitgaat van de vragen die docenten hebben, en waar we met didactici, psychologen, organisatiedeskundigen, lifehackers, neuropsychologen onderwijsonderzoekers enz. ingaan op de vragen die naar voren zijn gekomen uit onderzoek naar de behoeften van docenten. En zou het dan niet geweldig zijn als we de docenten niet alleen de tools kunnen aanbieden, maar ook de didactiek die het beste daarbij past, of een overzicht van welke tools passen bij welke leerstijlen, of hoe je de lessen die we leren uit onderwijsonderzoek kunt vormgeven met ICT? Ik ben ervan overtuigd dat ICT niet altijd het enige antwoord is op de vragen die leven bij docenten, maar dat het wel bijna altijd een bijdrage kan leveren aan de oplossing.

Ik durf te wedden dat als we op die manier een conferentie organiseren, heel wat docenten zich zullen opgeven als bezoeker. Voor de docenten die zich niet van hun gewone taken vrij kunnen maken en niet fysiek aanwezig kunnen zijn, verzorgen wij als ICT'ers dat de inhoud van de beurs op een andere manier voor hen bereikbaar is. Dat moet voor ons toch geen probleem zijn, lijkt me ;-) Ik doe hierbij een oproep aan organisatoren van ICT en Onderwijsbeurzen om onderzoek te doen naar de behoeften van de docent, en dan vervolgens samen met anderen die zich bezig houden met het verbeteren van onderwijs één grote gezamenlijke beurs te organiseren.

En wat mij betreft houden we daarnaast onze eigen ICT&Onderwijsbeurzen want we moeten als ICT&O'ers zelf natuurlijk ook gevoed worden. Ik doe zelf in ieder geval elke keer weer heel wat inspiratie op: door de inhoud en de gesprekken met vakgenoten en bedrijven. Face-to-face contacten zijn belangrijk, naast alle digitale contacten. Al was het alleen maar om de inhoud van deze blogpost eens met anderen te bespreken. Nu alleen nog kiezen waar ik wel en waar ik niet naar toe ga ....... !


Afbeelding van Myles!, gepubliceerd onder CC-by-nc-sa.

donderdag 4 november 2010

Poverty Is Not A Game!

screenshot PINGDoor: Martijn van den Berg
Ik was laatst een weekendje op Ameland waar ik door een misverstand bijna de avond zonder onderdak was gekomen. Op zoek naar onderdak op het toch dunbevolkte Ameland kwam ik midden op straat iemand tegen die ons meteen ging helpen. Hij vertelde ons dat hij zelf drie jaar dakloos was geweest, en hoe moeilijk het was geweest continu onderdak te vinden. Ik dacht tot dat punt dat dakloosheid niet veel bestond in Nederland, maar dit verhaal raakte me toch. Mijn moeder stuurde me een week geleden een spel om te reviewen: Poverty is not a game. Met dit verhaal in mijn achterhoofd begon ik te spelen.

Poverty Is Not A Game (PING) is een samenwerking van verschillende organisaties om met name aan de tweede en derde klas middelbare school een beeld te geven van wat armoede nu precies is en hoe hiermee om te gaan. Als medium voor deze boodschap is een game gekozen, aangezien deze doelgroep graag gamet.

In PING ben je of Sophia of Jim, twee personen die elk met hun eigen verhaal op straat zijn komen te staan, en zo moet je jezelf redden in de grote boze stad. Om te overleven moet je niet alleen een woning vinden, maar ook werk. Om dit te krijgen moet je vele organisaties afstruinen.

PING is grafisch en gametechnisch absoluut niet de beste game die er bestaat. Maar het gaat bij deze game naar mijn mening voornamelijk om de boodschap. Je bent in deze game voornamelijk van de ene organisatie naar de andere aan het lopen, terwijl je eigenlijk niets vooruit komt. En dit maakt toch wel heel erg duidelijk hoe hun nu is om zonder opleiding en zonder geld vooruit te moeten komen.

Aan bijna ieder spel een happy ending, en zo ook bij dit spel. Hoe zal ik niet vertellen, maar het voelt geweldig als je karakter eindelijk zijn zaakjes op orde heeft en kan beginnen met een leven zonder zorgen. Absoluut een mooie game!

woensdag 3 november 2010

Gouden Apenstaart weer van start

Om leerlingen mediawijs te maken, moet je actief, kritisch en bewust aan de slag met media, schreef ik afgelopen maandag in dit weblog. Een leuke manier om dat te doen, is door met je leerlingen mee te doen aan de verkiezing van de Gouden Apenstaart. De Gouden Apenstaart wordt uitgereikt aan degene die de beste website maakt voor kinderen. Er zijn 2 Gouden Apenstaarten te verdienen: er is een staart voor de beste website gemaakt door kinderen en een staart voor de beste website gemaakt door volwassenen.

Hoe kan je de Gouden Apenstaart gebruiken om je leerlingen mediawijs te maken?
Om te beginnen kan je je leerlingen stimuleren om een eigen website te maken en die in te sturen. Je kunt ook met je leerlingen websites van anderen bekijken en die voordragen voor de Gouden Apenstaart. Hoe je dat kunt doen, staat beschreven in deze les die door Mijn Kind Online is gemaakt.

Je kunt ook wachten totdat de nominaties bekend zijn (op 17 januari 2011) en dan websites bekijken en je leerlingen laten stemmen (tot 1 februari 2011). In dat geval kan het maken van een eigen site een goede manier zijn om de leerlingen alvast bewust te maken hoe een website in elkaar zit en waar je aandacht aan moet besteden. Daarbij kan je gebruik maken van de criteria die door de jury van de Gouden Apenstaart gebruikt worden voor het selecteren van de aangemelde websites. Maar laat eerst je leerlingen daarover nadenken: ze hebben vaak heel duidelijke ideeën over wat goed en fout is aan de websites die ze zelf bezoeken en het geeft jou als leerkracht een goed beeld van wat op internet voor jouw leerlingen belangrijk is.

Overigens: de Gouden Apenstaart is een initiatief om trots op te zijn. Dit Nederlandse product is overgenomen in 14 landen in de EU en wordt zo naar Europees niveau getild. Uiteindelijk zal dit leiden tot een winnaar op Europees niveau. Ik hoop natuurlijk dat Nederland wint!

dinsdag 2 november 2010

Onderzoek mediabewustzijn kinderen

Media zijn volop in ontwikkeling. Het internet als plek waar we allemaal informatie kunnen vinden, bestaat pas sinds een jaar 15, en de term web 2.0 werd voor het eerst genoemd in 1999, dus iets meer dan 10 jaar geleden. En alhoewel de eerste mobiele telefoons al in het begin van de 20e eeuw gemaakt werden: de mobieltjes zoals wij die nu kennen zijn niet ouder dan een jaar of 10 en bij elke nieuwe versie worden die apparaten voorzien van nieuwe functionaliteiten. Ook de toegang tot internet is enorm veranderd: van toegang via de vaste telefoon wat veel tijd en nog meer geld kostte naar toegang via mobieltjes en tegen een flat fee.

Al die ontwikkelingen hebben een enorme impact op ons bestaan en we moeten steeds opnieuw leren hoe we met die nieuwe middelen omgaan. De media bieden ons kansen, maar vormen ook een bedreiging: we komen in contact met ongewenste content, we kunnen beroofd worden van onze digitale identiteit en mensen kunnen via internet ongewenst ons bestaan binnendringen.

Wat kinderen doen op internet, hoe groot de risico's van internet op dit moment voor hen zijn wat kinderen en ouders doen om die gevolgen het hoofd te bieden (bijv. of ze als ze online bedreigd worden alleen de mailtjes weggooien of dat ze daar - ook - melding van maken bij de politie) en of de kinderen 'van streek raken' als ze dingen meemaken die ze niet wilden, is onderzocht door de EU in het EU Kids Online onderzoek. In 23 landen van de EU is onderzoek gedaan bij kinderen in de leeftijd van 9 tot 16 jaar en één van hun ouders.

Een paar van de uitkomsten:
  • 12% van alle Europese 9- tot 16-jarigen die internet gebruiken, zeggen dat zij zich zorgen gemaakt hebben of geschokt geweest zijn door iets op het internet,
  • De meest voorkomende online risico´s waarover kinderen rapporteren zijn het communiceren met nieuwe mensen die ze nooit persoonlijk ontmoet hebben en het zien van mogelijk schadelijke usergenerated inhoud. Het is veel zeldzamer dat kinderen een online contact offline ontmoeten of online gepest worden,
  • volgens de kinderen resulteert risico niet altijd in schade,
  • Ouders van kinderen die een ervaring gehad hebben met één van de risico’s realiseren zich dit vaak niet: 41% van de ouders van wie het kind seksueel getinte beelden gezien heeft zijn zich van geen kwaad bewust (in NL: 37%), 56% van de ouders van wie een kind hatelijke of kwetsende online berichten ontving zeggen dat dit niet voorgekomen is (in NL: 47%), 52% van de ouders van wie het kind seksueel getinte boodschappen ontving realiseren zich dit niet (in Nl: 60%); 61% van de ouders met een kind dat offline een online contact ontmoet heeft weten dit kennelijk niet.
  • Thuis wordt het meest van internet gebruik gemaakt (85%), gevolgd door op school (63%). Maar de toegang tot internet is aan verandering onderhevig – 48% gebruikt internet op haar/zijn slaapkamer (in Nederland: 58%) en 31% via de mobiele telefoon of een ander mobiel platform.
  • Kinderen gaan op steeds jongere leeftijd online – de gemiddelde leeftijd voor het eerste internetcontact is zeven jaar in Zweden en acht in verschillende andere Noord-Europese landen.
Over het algemeen scoort Nederland in de middenmoot. Over de vraag of dat goed of slecht is, laat ik me niet uit. Belangrijker vind ik de vraag of we de situatie kunnen verbeteren, en dat lijkt me een mooie taak voor zowel ouders als onderwijs. Een goede tip voor wie hieraan wil werken: lees de special van het tijdschrift J/M over pubers op internet: daar staat veel informatie en nog meer praktische tips in!

Voor wie zich verder wil verdiepen in het onderzoek:


maandag 1 november 2010

Mediawijs: actief, bewust en kritisch

afbeelding van een mindmap over het onderwerp kritisch denkenDe Raad voor Cultuur definieerde in 2005 in hun advies "Mediawijsheid: de ontwikkeling van nieuw burgerschap" het begrip mediawijsheid als: 'Mediawijsheid duidt op het geheel van kennis, vaardigheden en mentaliteit waarmee burgers zich bewust, kritisch en actief kunnen bewegen in een complexe, veranderlijke en fundamenteel gemedialiseerde wereld'.

Dat we media nodig hebben, en dat mediawijsheid daarom onze aandacht verdient is iets waar we het in het onderwijs over het algemeen wel eens zijn. Mede daarom laten we onze leerlingen in toenemende mate gebruik maken van de media. Maar door media te gebruiken, worden leerlingen niet per definitie 'mediawijs'. Om mediawijs te worden moet je de media niet alleen actief kunnen gebruiken: je moet ook een kritische mentaliteit ontwikkelen en je bewust zijn waarom je wanneer welke media gebruikt.

Ik heb de indruk dat het in het onderwijs daaraan nog wel eens schort. We laten onze leerlingen wel filmpjes maken, maar gaan we ook met ze het gesprek aan hoe je dat medium kunt inzetten om je doel te bereiken en of dat het beste medium is voor dat doel? En als we leerlingen een weblog laten maken, hebben we het er dan ook over of ze dat moeten doen onder hun eigen naam of juist niet, en of ze daar hun e-mailadres achterlaten? Leggen we verband met Hyves of Facebook waar de leerlingen privé informatie achterlaten en vragen we ze of ze hoe ze hun privacy-settings daar hebben ingesteld en wat ze doen als iemand ze daar spamt met berichten die ze liever niet hebben? Bespreken we met onze leerlingen dat in de VS de Patriot Act geldt die de overheid vergaande rechten geeft om informatie te vergaren, en dat dit betekent dat de informatie die wij op servers in de VS zetten (o.a. Google Docs, Google mail enz.) door de Amerikaanse overheid bekeken mag worden, zelfs zonder ons daarover te informeren? Vragen we onze leerlingen of ze de media kunnen inzetten om hun eigen doelen te bereiken, zoals het opbouwen van een netwerk, het vinden van mensen die ze kunnen helpen bij het bereiken van hun doel, het opbouwen van een online identiteit die bij ze past? Vragen we ze hoe vaak ze gebruik maken van media en of dat ook echt de tijd is die ze aan media willen spenderen?

Leerlingen mediawijs maken is meer dan media gebruiken. Het betekent dat je met leerlingen in gesprek gaat over hun mediagebruik. Om dat te kunnen doen creëer je gelegenheden om het onderwerp ter sprake te brengen: je laat ze voor school gebruik maken van de media en gaat op basis daarvan het gesprek met ze aan. Kritisch en bewust gebruik van media: iets om actief aan te werken, ook in het onderwijs!

Afbeelding van jean-louis zimmermann, gepubliceerd onder CC-by.