Posts weergeven met het label mediawijsheid. Alle posts weergeven
Posts weergeven met het label mediawijsheid. Alle posts weergeven

woensdag 7 december 2011

Leren door verhalen te vertellen

Gisteren besprak ik hier hoe je met Moglue interactieve verhalen kan maken. Vandaag vertel ik hoe je het maken van zo’n boek gebruikt om les te geven, niet alleen de taal- maar ook de rekenles, de geschiedenisles, de aardrijkskundeles of de biologieles. En hoe je tussen neus en lippen door je leerlingen laat nadenken over copyright, over het zoeken en beoordelen van bronnen op internet, over hoe je informatie kan presenteren en over privacyzaken.

Taal-poëzie
Leerlingen maken een boek over een fictief beest. Daarvoor laat je ze eerst kennismaken met de Gorgelrijmen van Cees Buddingh. Daarbij kan je gebruik maken van deze nieuwe uitgave, geïllustreerd door Katinka van Haren waarvan hier een voorproefje te vinden is. In deze les kan je verder aandacht besteden aan poëzie, bijvoorbeeld op basis van de webpagina’s over poëzie op de site Leerkracht.nl.

Biologie
Vraag de kinderen vervolgens een lijst te maken van favoriete dieren en daaruit een top 3 te kiezen. Daarmee gaan ze straks een nieuw fabeldier samenstellen. Maar voordat het zover is, vraag je de leerlingen goed onderzoek te doen naar de eigenschappen van hun dieren: hoe zien ze eruit, wat zijn de karaktereigenschappen van de door hen gekozen dieren: leven ze in groepen of alleen, wat eten ze, hoe verplaatsen ze zich, hoe planten ze zich voort, met welke andere dieren leven ze samen?
Informatie zoeken en beoordelen
Bespreek met de kinderen tevoren hoe ze gaan zoeken en welke zoekwoorden ze gebruiken. Maak hiervoor een mindmap. Bespreek ook hoe ze de gevonden resultaten gaan beoordelen. Vraag ze te onderzoeken wie de makers zijn van de sites die ze hebben gevonden, waarom ze die sites hebben gemaakt en wanneer voor het laatst informatie is toegevoegd op die site. Maak hiervoor eventueel gebruik van de informatie op Schoolbieb.nl. Beoordeel samen met de leerlingen of ze gewerkt hebben met de juiste sites, of dat ze beter andere sites hadden kunnen gebruiken en waarom.

Samenwerken
Vraag de leerlingen de gevonden informatie samen te voegen zodat er per dier een compleet beeld ontstaat. Geef ze dan de opdracht een nieuw fabeldier te bedenken. Het nieuwe dier heeft de romp van het ene dier, de kop van het tweede dier, en de poten en eventueel vleugels van het derde dier. Het fabeldier heeft ook de eigenschappen van alle drie de dieren die de kinderen hebben onderzocht: het leeft bijvoorbeeld net als konijnen in grote groepen, het legt eieren om zich voort te planten en leeft in de woestijn. Bespreek met de leerlingen hoe ze gaan kiezen: gaan ze stemmen per eigenschap of willen ze met elkaar in debat, gaan ze onderhandelen?

Mens- en maatschappijvakken
Een verhaal kan overal plaatsvinden: in de omgeving van de school of juist in een andere plaats of ander land. Of op een plaats die niet bestaat: in een fictief land of op een onbekende planeet. En een verhaal kan zich afspelen in het nu, maar ook in het verleden of de toekomst. Bespreek met de leerlingen waar en wanneer het verhaal zich afspeelt. Je kan dit natuurlijk koppelen aan het onderwerp waarmee je in lessen aardrijkskunde of geschiedenis bezig bent.

Taal: proza-stelopdracht
Lees met de kinderen een verhaal en bespreek hoe dat verhaal is opgebouwd. Bijvoorbeeld eerst wordt verteld wie de hoofdpersoon is en hoe en waar hij leeft, dan wordt verteld hoe die persoon in de problemen komt, vervolgens wordt verteld hoe het probleem wordt opgelost, en tot slot hoe het de hoofdpersoon vergaat nadat de problemen zijn opgelost. Maak hierbij eventueel gebruik van dit achtergrondmateriaal, te vinden op de website van College de Heemlanden. Om het je leerlingen makkelijk te maken kan je de verhaallijn in een schema weergeven, zoals hier gedaan is door Henny Jellema. Je kan je leerlingen elk een eigen verhaal laten schrijven in een wiki, zoals leerkracht Elke Das, van basisschool St. Willibrordus, dat doet.

Tekenen
Natuurlijk moeten bij het verhaal ook tekeningen gemaakt worden. Hierbij kan je de taken verdelen en de kinderen in groepjes laten samenwerken. Je kan ervoor kiezen om elk groepje een eigen pagina te laten maken en één of meer objecten, of om per groepje ‘reeksen’ afbeeldingen te laten maken (bijv. achtergronden, hoofdpersonen, objecten). Stimuleer dat de leerlingen hun eigen fantasie gebruiken, dan is het geen enkel probleem als de tekeningen in stijl niet bij elkaar passen. Je kan tekeningen laten maken, maar je kan natuurlijk ook het verhaal 3-dimensionaal laten afbeelden en de leerlingen decors laten bouwen en kleifiguren laten maken. Maak daar dan foto’s die je kan gebruiken in je boek. Je kan er natuurlijk ook voor kiezen om je boek niet te maken met Moglue, maar om er een klei-animatie/stopmotion-filmpje van te maken. Lees in mijn blog welke tools je daarvoor kan gebruiken.

Mediawijsheid-copyright
Nu ga je het verhaal maken. Scan de tekeningen in en maak de achtergronden van de objecten transparant, bijv. met het gratis te downloaden programma Photofiltre. Laat leerlingen zoeken naar bij het verhaal passende geluidsbestanden. Bespreek dat je niet zomaar geluidsbestanden mag downloaden van internet, omdat daar copyright op zit, maar dat je wel gebruik mag maken van bestanden die gepubliceerd zijn onder een Creative Commons licentie. Maak hierbij eventueel gebruik van de informatie die hierover te vinden is op Wikikids: over auteursrecht en over Creative Commons. Upload het gevonden materiaal naar de Moglue builder.

Computervaardigheden
Nu ga je het boek echt maken. Maak nu zoveel pagina’s aan als nodig is voor het boek en sleep per pagina de achtergronden en de objecten in de pagina. Op de achtergrond plaats je een tekstblok waarin je de tekst van je verhaal zet. Aan de objecten koppel je de geluiden en de animaties. Kom je er niet uit hoe dat moet, raadpleeg dan de handleiding of stel een vraag in het Moglue-forum.

Rekenen
Wie een boek heeft geschreven, wil dat boek natuurlijk ook gaan verkopen. Dat kan met Moglue. Je kan je boek aanbieden via de Moglue Store. Maar het bedrag dat de mensen betalen voor jouw boek is niet helemaal voor jou: de app-store van Apple en de Android-Market willen éénderde deel van de opbrengst. Van het geld dat je verdient wil de belasting misschien ook wel een deel hebben. En om je boek te kunnen maken moest je zelf misschien een tablet aanschaffen, of een camera of een scanner om je tekeningen in te scannen. Hoeveel boeken moet je per jaar verkopen en welke prijs moet je ervoor vragen om na 1 jaar winst te maken? En na 2 jaar? Genoeg ingangen voor een uitgebreide rekenles met breuken en procenten.

Taal
Nog behoefte aan een extra les taal? Laat je leerlingen dan eens het boek voorlezen. Daarbij kan je bijvoorbeeld de dialogen laten voorlezen door verschillende kinderen, je kan letten op het aanbrengen van  rustpauzes in het voorlezen op basis van de interpunctie, enz. Je kan er - als je dat wilt - een wedstrijd van maken: wie leest het leukste voor en waarom vind je dat?

Tot slot
In dit blogje vertel ik hoe je een geanimeerd verhaal kan maken met Moglue omdat ik dat zo'n inspirerende tool vindt. Maar je kan natuurlijk ook een verhaal maken met andere software (bijv. met de tool TaleSpring, die ongeveer hetzelfde doet als Moglue), je kan er (zoals ik gisteren al suggereerde) een klei-animatie van maken of een diapresentatie waarbij je het verhaal laat voorlezen, en je kan natuurlijk ook 'gewoon' het verhaal op (virtueel) papier zetten. De lessen draaien niet om de software, maar om het vertellen van een verhaal. De tool die je gebruikt kan je les wel verrijken.

Deze serie lessen is natuurlijk maar een voorbeeld: er zijn allerlei andere manieren waarop je het maken van een boek kan gebruiken als kapstok voor een les. Je hoeft het maken van een boek natuurlijk ook niet zo uitgebreid en verspreid over zoveel lessen te doen: je kan er ook voor kiezen om er maar een paar lessen aan te besteden. Je kan ervoor kiezen om te laten stemmen op het beste/mooiste/spannendste boek, en daarvoor prijzen uit te laten reiken. Je kan al je leerlingen hun eigen boek laten maken, of ze in teams laten werken. En je kan het project verspreiden over de verschillende bouwen: leerlingen uit de onderbouw maken de tekeningen, leerlingen uit de middenbouw doen onderzoek en leerlingen uit de bovenbouw schrijven het verhaal en animeren het.

Leerlingen een boek laten maken biedt heel veel kapstokken: jij kan als leerkracht kiezen welke jassen je eraan ophangt!

Afbeelding van ticoneva, gepubliceerd onder CC-by-nc.

dinsdag 6 december 2011

Moglue: om verhalen interactief te maken

Alhoewel tablets veel meer kunnen, wordt als belangrijke reden voor aanschaf van zo’n apparaat vaak opgegeven dat het zo handig is dat je daarmee toegang kunt hebben tot een complete bibliotheek van boeken. En dat is ook zo: ik heb al heel wat uurtjes weggelezen op mijn iPad. Maar dan heb ik het niet over het lezen van pure tekstboeken. Die kan ik wel lezen op mijn iPad, maar het beeld daarvan is toch minder prettig voor mijn ogen dan het beeld dat ik krijg op mijn e-reader. Maar de iPad (of een andere tabletcomputer) is ideaal voor het lezen van multimediale content. Content met mooie foto’s, filmpjes of animaties.

Met de komst van de iPad komen er ook steeds meer interactieve boeken. Boeken waar geluid in zit en waaraan dingen kunnen bewegen. De mogelijkheden op zo’n tablet zijn natuurlijk enorm en er komen steeds meer interactieve boeken op de markt, met name ook voor kinderen. Boeken als Timo en het Toverboek en Krakje kan niet slapen zijn heerlijke kost voor kinderen, vol met verrassingen en kunnen zowel gelezen als beluisterd worden.

Het maken van zo’n boek vereiste tot voor kort nogal wat kennis, maar sinds kort is hiervoor een heel eenvoudig programma: Moglue. Moglue bestaat uit twee delen: een programma om boeken mee te maken, de builder, en een programma om boeken mee te lezen: Moglue-viewer. De builder kan je zowel op Windows-p.c.’s gebruiken als op Mac’s; de Moglue-viewer werkt op Apple en Android smartphones en tablets. Moglue is nog een open bèta, dus je kan nog een bug tegenkomen, maar bij mij werkte het prima!

Met de Moglue-builder kan je je eigen boeken maken, inclusief geluiden en animaties. Wat moet je daarvoor doen? Allereerst moet je natuurlijk het verhaal bedenken en opschrijven. Daarna maak je de tekeningen: van de achtergronden waar het verhaal zich afspeelt en van alle figuren en objecten waarvan je wilt dat die kunnen bewegen of die op meer plaatsen in het boek voorkomen. Denk bijvoorbeeld aan de hoofdpersonen uit jouw verhaal die ergens naar toe lopen, een zon die kan wiebelen en blaadjes die van de boom vallen. Die tekeningen kan je op papier maken en inscannen; je kan ze natuurlijk ook maken met een tekenprogramma op je p.c. Belangrijk is wel dat je de figuren en objecten die je op meer plaatsen wil laten terugkomen, een doorzichtige achtergrond geeft. Dat kan bijvoorbeeld met het programma Photofiltre, dat je gratis kan downloaden.

Als je dat allemaal hebt gedaan, start je het programma Moglue-builder op. Je importeert je tekeningen en eventuele geluidsopnamen die je wilt gaan gebruiken in het programma. Je maakt net zoveel pagina’s aan als je nodig hebt. Dan zet je op iedere pagina eerst de achtergrond van de tekening en je voorziet deze van een tekstveld waarin je je tekst plaatst. Vervolgens plaats je de tekeningen van de objecten en de figuren op de achtergrond. Als dat allemaal naar je zin is ga je animaties en geluiden toevoegen. Dat is het meest eenvoudige deel van het traject: Moglue kent een aantal standaard animaties (bijv. schuiven, draaien, wiebelen, ‘zweven’, springen) en geluiden die je aan de verschillende onderdelen van je tekening kan koppelen door ze ernaar toe te slepen.

Om het resultaat te bekijken heb je een tablet met daarop de Moglue-viewer nodig: voor een iPad of een Android-tablet. Je koppelt je tablet of smartphone aan je computer. Die herkent het device en toont je boek daarop.

Met Moglue is interactieve boeken maken een fluitje van een cent. Iedereen kan hiermee zijn eigen interactieve boeken maken: leerkrachten èn leerlingen. Hoe je het maken van zo’n boek kan gebruiken in je les, daar ga ik morgen op in.

maandag 28 november 2011

Betalen? Alleen als ik weet wat ik koop

Steeds vaker zie ik het op Twitter langskomen: 'Pay with a Tweet'. Een bestand dat je mag downloaden als je er een tweet over post: een boek, een verslag of een ander bestand dat veel mensen graag willen hebben. Dat moet je doen voordat je het bestand downloadt: als je klikt op de knop 'Pay with a Tweet', ga je naar je Twitter-account. Daar geef je dan toestemming aan de applicatie om vanuit jouw account een tweet te plaatsen, met een door de aanbieder geschreven tekst en URL. Die tekst kan je meestal wel aanpassen; de URL niet. In feite maak je dus via Twitter reclame om het product te kunnen downloaden.

Ik snap dat mensen graag iets terug hebben als ze hun werk met jou delen, en een tweet versturen is een kleine moeite.  Maar ik vind het een heel vreemde gang van zaken om reclame te maken voor iets waarvan je nog helemaal niet weet wat het is. Het kan natuurlijk dat interessante rapport zijn dat je verwacht te krijgen, maar het kan ook zijn dat het iets heel anders blijkt te zijn of dat de kwaliteit ervan erg tegenvalt. En ik heb weinig zin om reclame te maken voor iets waarvan ik geen idee heb of ik het goed vind.

Maar anderzijds snap ik natuurlijk wel dat iemand die veel tijd en energie heeft gestoken in het schrijven van een boek of een ander document, graag wat publiciteit wil hebben over zijn werk. En als het een product is waar ik enthousiast over ben, wil ik daar natuurlijk graag aan meewerken. Per slot van rekening is dat precies waar dit blog voor bedoeld is, en ook de reden waarom ik (heel af en toe) twitter: ik vind het leuk om mensen te helpen goed onderwijs te maken, door ze te laten zien wat er allemaal al is, en wat je daarmee kan doen.

Daarom heb ik een anoniem Twitteraccount aangemaakt. Via 'Ikbenspamvrij' heb ik een tijdelijk e-mailadres aangemaakt. Daarmee heb ik een twitteraccount aangemaakt, en vervolgens heb ik dat twitteraccount alleen zichtbaar gemaakt voor degenen die ik toestemming geef om dat account te volgen. En dat is natuurlijk helemaal niemand, want het is een account waar ik verder niets mee doe. Via dat twitteraccount vraag ik toegang tot documenten die worden aangeboden met 'Pay with a Tweet'. De tweet die vervolgens via dit twitteraccount geplaatst wordt, is voor helemaal niemand zichtbaar, dus daar stoor ik niemand mee. En als het document dat ik heb gedownload mooi vind, dan schrijf ik daarover een blogje. Met plezier. Zie het maar als een vorm van 'burgerlijke ongehoorzaamheid': mijn manier om te laten zien dat ik het niet eens ben met deze werkwijze, maar graag reclame maak voor iets waarvan ik weet dat het goed is!

Morgen daarom een blogpost over iets waar ik via Pay with a Tweet toegang heb gekregen, dat ik heb gelezen en wat ik echt absoluut de moeite waard vind.

dinsdag 22 november 2011

Spam?





spam [spem] de; m ongevraagde e-mails of sms’jes, vaak met reclame

  




Is dit spam?
  • een mailtje versturen naar je vrienden als je genomineerd bent in een verkiezing en wilt dat zoveel mogelijk mensen op je stemmen?
  • een mailtje sturen naar alle mensen in je adressenboek als je genomineerd bent in een verkiezing en wilt dat zoveel mogelijk mensen op je stemmen? 
  • een tweet sturen als je genomineerd bent in een verkiezing en wilt dat zoveel mogelijk mensen op je stemmen? 
  • via LinkedIn een oproep doen naar al je contacts als je genomineerd bent in een verkiezing en wilt dat zoveel mogelijk mensen op je stemmen?
  • als reactie op een vraag een berichtje sturen naar een mailinglijst over een (onderwijs)product dat je hebt gemaakt en commercieel in de markt zet, en de vragensteller kan helpen bij het oplossen van zijn probleem?
  • als reactie op een vraag een berichtje sturen naar een mailinglist over een (onderwijs)product dat je hebt gemaakt en commercieel in de markt zet, en de vragensteller kan helpen bij het oplossen van zijn probleem?
  • een algemeen berichtje sturen naar een mailinglijst over een (onderwijs)product dat je zelf hebt gemaakt en waar je een vergoeding voor vraagt?
  • een algemeen berichtje sturen naar een mailinglist over een (onderwijs)product dat gemaakt is door het bedrijf waar je werkt?
  • op Facebook of Hyves (laten) zetten dat je een app goed/mooi/handig vindt, omdat je die wil gaan gebruiken?
  • een oproep doen om een goed doel te steunen via Hyves/Facebook/Twitter? 
  • een persbericht sturen over een product van jouw bedrijf naar jou bekende eigenaren van websites?
  • een persbericht sturen over een product van jouw bedrijf naar jou onbekende eigenaren van websites?
  • een tweet sturen als je een blogpost hebt geschreven?
  • een tweet sturen als je een boek wilt hebben dat je alleen maar gratis kan krijgen als je een tweet stuurt (pay with a tweet)?

Verwacht van mij geen antwoord op deze vragen: ik weet het niet. Wat ik wel weet is dat ik steeds vaker allerlei berichten krijg waar ik niet om heb gevraagd en die op de een of andere wijze reclame bevatten voor een product. Soms ben ik toch blij met zo'n mailtje: omdat ik de informatie interessant vind, omdat ik mijn steun graag wil geven of omdat de persoon in kwestie me aan het hart ligt. In andere gevallen klik ik de mail weg of negeer ik een tweet of bericht op Hyves of Facebook: zoveel moeite is dat niet. Maar dat wordt wel steeds lastiger, omdat er steeds meer van dit soort berichten komen. Waar ligt voor jou de grens tussen informeren en spammen?

Afbeelding van Vince_Lamb, gepubliceerd onder CC-by-sa.

woensdag 16 november 2011

(media)wijs sprookje

In een land, hier ver vandaan woonde eens een koning met zijn zoon die later, als hij groot zou zijn, het land zou gaan regeren.

Op een dag kreeg de koning bezoek van een troubadour. Hij vertelde de koning over een land heel ver van het koninkrijk vandaar waar een schat te vinden was die zo groot was, dat iedereen daar wat van af kon pakken zonder dat die schat ooit op zou raken. Maar de weg naar die schat was niet zonder gevaar. Al heel veel mensen waren op zoek gegaan naar de schat en dat was niet altijd goed afgelopen.

Ook was nog niet helemaal duidelijk wat de schat precies was. Sommigen die de schat hadden gevonden spraken van kralen, anderen van kostbare sieraden. Ze vertelden over een land waar bijzondere ertsen te vinden waren en van een land met vooral modderige grond, van een land van goeroes en een land van oplichters en van een land van inspiratie en van imitatie. Maar wie je ook sprak: iedereen zei dat als je goed zocht er voor iedereen wel wat te vinden was.

Na het vertrek van de troubadour dacht de koning diep na over zijn verhaal. Zijn koninkrijk verkeerde in een ernstige crisis, dus hij kon die schat goed gebruiken. Hij besloot dat hij zijn zoon opdracht zou geven om te zoeken naar de schat. Maar hij maakte zich zorgen over hoe zijn zoon: zou hij de gevaren onderweg kunnen trotseren? Hij had de jongen nog nooit meegenomen naar een ander land. Hij wist wel dat zijn zoon met het buurjongetje er soms stiekem op uit trok tot over de grenzen van zijn koninkrijk, maar hij had daar met zijn zoon nooit over gesproken en het leek hem daar niet echt veilig.

Maar de schat was nodig voor het rijk dus de koning vroeg zijn raadsheer, de slimste man uit het hele koninkrijk, om advies. De raadsheer dacht diep na en kwam na een paar uur met een advies. Uiteraard, zoals het een wijs raadsheer betaamt, in leren band met goud op snee en drievoud uitgeschreven. In het advies stond dat de koning een plan moest maken. Eerst moest hij in kaart brengen welke gevaren de jongen onderweg tegen zou kunnen komen. Daarna moest hij de jongen onderwijzen hoe hij die problemen het hoofd zou kunnen bieden. Wanneer de jongen over 2 jaar geslaagd zou zijn voor zijn examen, kon hij vertrekken om de schat te gaan zoeken.

De koning vond het een veilige aanpak maar hij betwijfelde of ze de schat op tijd zouden vinden om het land te redden en of zijn zoon in de tussentijd niet stiekem zelf met zijn buurjongetje op zoek zou gaan.

Daarom vroeg hij de nar om advies. Die had veel minder tijd nodig voor het formuleren van zijn aanpak. 'Koning', zei hij, 'waarom sturen we de prins niet direct op pad? De schat is groot en zal niet alleen het rijk, maar ook uw zoon zelf veel voordelen bieden'. 'En', zei de nar: 'uw zoon maakt onderweg vast vrienden die ook op zoek zijn naar de schat. Samen zullen ze ontdekken hoe ze de gevaren onderweg het hoofd kunnen bieden.'

De koning betwijfelde of kon vertrouwen op het gelukkige gesternte van de jongen om hem zonder voorbereiding en begeleiding op pad te kunnen sturen.

Daarom ging hij naar zijn kanselier. Dat was een man van de wereld die in zijn jonge jaren de wereld had verkend. Hij zou vast goede raad kunnen geven. 'Sire', zei de kanselier, 'het is goed om uw zoon direct op pad te sturen want de staatskas kan wel wat input gebruiken. Maar om er zeker van te zijn dat uw zoon veilig terugkomt stel ik voor dat ik de eerste dag met uw zoon op pad ga en dat u die dag uw ministers vraagt om de dagen daarna met uw zoon mee te reizen.'

De koning was blij met het aanbod van de kanselier maar een land in crisis moet niet alleen letten op zijn troonopvolger maar ook op de centen, en dat was nu precies de taak van de kanselier. Die kon hij dus geen dag missen en ook zijn ministers hadden andere zaken aan hun hoofd. 

De koning trok zich terug in zijn torenkamer en ging op zijn troon zitten peinzen. Heel diep en heel lang, zoals alleen koningen dat kunnen.  Hij zag dat de crisis erger werd en de mensen ongelukkig, dus hij zocht nog harder naar de beste oplossing. Hij piekerde zo hard dat hij van zijn troon afviel en zijn rijk verging. En de prins? Die ging helemaal in zijn eentje op weg, op zoek naar het verre land waar hij - zo was zijn vaste overtuiging - de schat zou vinden. En niemand weet hoe het met de jongen is vergaan .....


De moraal van het verhaal

Wie te ver vooruit kijkt naar de enige goede oplossing, struikelt over de kansen.


N.B. Volgende week is de week van de Mediawijsheid. Een goed moment om plannen te maken èn die uit te gaan voeren!



Afbeelding van ell brown, gepubliceerd onder CC-by-nc.

woensdag 9 november 2011

Kinderen & internetrisico's

Het Sociaal en Cultureel Planbureau heeft alweer een paar weken geleden de uitkomsten van nieuw onderzoek gepubliceerd: Kinderen en internetrisico's. Daarvoor is onderzoek gedaan onder 9-16 jarige internetgebruikers in Nederland. In het onderzoek, dat onderdeel is van het programma EU Kids Online, wordt onderscheid gemaakt tussen risk (de mate waarin de doelgroep te maken heeft met online risico’s (iets op internet gezien, ontvangen) en de nadelige gevolgen (van streek zijn, van iets geschrokken zijn, nare belevenis) die ze daarvan ondervinden (harm). De focus in het onderzoek lag op:
  • zien van pornografische beelden
  • ontvangen van seksuele toespelingen (sexting)
  • ontmoeten van onbekenden na online contact
  • online gepest worden (cyberbullying)
Met name dat laatste onderdeel is iets waar veel scholen zich mee bezig houden. Niet onterecht, blijkt uit het onderzoek. Want de percentages van kinderen die slachtoffer zijn van cyberbullying is weliswaar laag (4%), maar de absolute cijfers liegen er niet om: ongeveer 60.000 jongeren van 9 tot en met 16 jaar worden gepest via internet. Bovendien kunnen de gevolgen van cyberbullying kunnen groot zijn en een leven lang van invloed zijn.

Dat geldt ook voor de andere aspecten die onderzocht zijn. Van de Nederlandse internetgebruikers van 9 tot en met 16 jaar zegt nog geen kwart online pornografische beelden te hebben gezien en zegt 15% (300.000 jongeren) seksuele boodschappen via het internet te hebben ontvangen (sexting). Een derde van de Nederlandse jongeren onderhoudt online contacten met onbekenden en 6% van hen ontmoet deze online contacten ook in het echt (90.000 jongeren). De meeste jongeren ervaren geen hinder van deze ervaringen, maar een kleine minderheid ervaart die wel. Jongeren geven aan het vaakst van streek te zijn door het zien van seksueel getinte beelden op het internet (5% van alle 9-16-jarige internetgebruikers oftewel 75.000 jongeren), gevolgd door het ontvangen van seksuele boodschappen (3%, 45.000 jongeren) en het persoonlijk ontmoeten van een online contact (0,5%, 7500 jongeren).

Uit het rapport Kinderen en internetrisico's van het SCP, Sonck & De Haan, 2011

Het rapport relativeert dus enerzijds de paniekberichten in de media; anderzijds wordt er de nadruk op gelegd dat het wel van belang is dat jongeren leren omgaan met media.

Een andere belangrijke uitkomst van het onderzoek is dat er zowel voor ouders en onderwijs als voor vrienden (peer-to-peer teaching) een taak ligt om jongeren te begeleiden bij het gebruik van media. Dat kan op verschillende manieren:
  1. restrictieve begeleiding: regels, stellen van grenzen (technisch, content),
  2. actieve begeleiding: uitleg, advies,
  3. gezamenlijke mediabeleving: delen van online ervaringen,
  4. controlerende begeleiding: toezicht, monitoring.
Alhoewel restrictieve begeleiding soms noodzakelijk en zinvol is,vragen de overige 3 manieren van begeleiding dat kinderen actief aan de slag gaan met media. Daarbij moet mijns inziens dan niet het accent leggen op het verbieden van of het waarschuwen voor het gebruik van media, maar juist op de positieve kanten daarvan. Door kinderen kennis te laten maken met de positieve kanten van mediagebruik, creëer je momenten waarop je met hen kan bespreken hoe zij omgaan met media en hoe zij dat ervaren. Je biedt openingen voor de leerlingen om met vragen te komen, en motiveert ze om 'wijs' gebruik te maken van de middelen die hen ten dienste staan.

De derde uitkomst van het onderzoek: 'internetvaardigheden verkleinen de risico's niet' lijkt in contrast met mijn tip om actief met leerlingen aan de slag te gaan met media. Een mogelijke verklaring van deze uitkomst die in het rapport wordt gegeven is dat kinderen die (technisch) vaardig zijn met internet daarvan ook meer en 'extremer' gebruik maken en daardoor meer risico's lopen. De vraag is of kinderen die ook hebben geleerd (positief) kritisch na te denken over hoe je omgaat met media, dezelfde risico's lopen. In het onderzoek wordt dit helaas buiten beschouwing gelaten: alleen de technische vaardigheden van de doelgroep zijn onderzocht. Het zou fijn zijn als dat in een volgend onderzoek aan de orde zou kunnen komen.

Wat heb je nu als leerkracht/docent aan dit onderzoek?
Allereerst geeft het onderzoek je een beeld van de aantallen kinderen die risico's lopen bij het gebruik van media en de mate waarin ze zelf aangeven last te ondervinden van de nadelige gevolgen ervan. Je zou het onderzoek kunnen gebruiken om met leerlingen het gesprek aan te gaan over hun gebruik van internet. Hoe gebruiken de leerlingen in de klas internet en hebben zij wel eens problemen gehad bij het gebruik ervan? Door de kinderen zelf onderzoek te laten doen, kunnen ze o.a. leren:
  • hoe je met behulp van ict een onderzoek kan doen, 
  • wat het verschil is tussen kwalitatief en kwantitatief onderzoek,
  • hoe je vragen kan stellen zonder dat je daarbij de ondervraagde een bepaald antwoord in de mond legt,
  • hoe je de uitkomsten van een onderzoek kan verwerken in tabellen in grafieken,
  • hoe je gegevens kan samenvoegen en zo conclusies kan trekken die betrekking hebben op verschillende subgroepen/subsets,
  • hoe en waar je de uitkomsten van het onderzoek kan presenteren,
  • welke risico's het gebruik van media met zich meebrengt, enz. 
Als het onderzoek gedaan is, is het natuurlijk interessant om te kijken hoe de uitkomsten van het onderzoek dat ze zelf hebben gedaan, zich verhouden tot de uitkomsten van het onderzoek van het SCP. En ben je een keer zover gekomen, dan is het misschien ook interessant om eens te onderzoeken hoe het onderzoek van het SCP in de pers besproken wordt, bijv. op deze plaats, door Mediasmarties, in het persbericht van het SCP en op de website van Pedagogiek in Praktijk. Zoek de verschillen!

maandag 3 oktober 2011

Met de hand op de knip

afbeelding van geld in plantenpottenOp veel scholen wordt er aandacht aan besteed: wat is geld en hoe moet je daarmee omgaan? Een goede zaak, die aandacht hiervoor, want we worden op tal van manieren verleid om (te) veel geld uit te geven. Dat geldt niet alleen voor volwassenen: ook kinderen worden via allerlei kanalen benaderd om hun zakgeld uit te geven of om hun ouders te vragen om voor hen geld uit te geven.

Met de komst van internet wordt geld uitgeven steeds makkelijker. Als je een keer in een internetwinkel iets hebt gekocht, dan wordt vaak je bankrekening gekoppeld aan de winkel en hoef je daarna alleen nog maar je creditcardnummer in te vullen of een andere (geheime) code als je weer in die winkel wat wilt kopen. Op smartphones en tabletp.c.'s is het vaak nog makkelijker. Gebruikers daarvan koppelen éénmalig hun bankrekening aan hun account bij een appstore, waarna je alleen nog maar één wachtwoord in te voeren (en soms zelfs helemaal niets) om te kunnen betalen voor al die mooie apps die je daar vindt.

Zeker voor kinderen die met de telefoon of tablet van hun ouders mogen spelen is het zo wel heel makkelijk om - zelfs zonder dat ze zich daarvan bewust zijn - geld uit te geven. Maar ook als ze met hun eigen telefoon spelletjes spelen is geld uitgeven met de telefoon niet moeilijk: met een (betaald) sms'je naar de verkopen wordt het voor de aankoop benodigde geld van hun (prepaid)tegoed afgeschreven.

Handig, maar geld uitgeven wordt zo natuurlijk niet alleen makkelijk: je maakt geld ook tot iets heel abstracts. Het voelt anders wanneer je 10 euro uitgeeft in munten, dan wanneer je dat doet door een code in te vullen op een schermpje.

Dat is één van de oorzaken waarom kinderen soms heel ongemerkt (voor henzelf èn hun ouders) aankopen doen op internet.

Een andere oorzaak is dat de manier waarop kinderen verleid worden om geld uit te geven, soms wel heel geniepig is. Stel je bent een spel aan het spelen en je krijgt de mogelijkheid om helemaal gratis een tijd een upgrade te krijgen waardoor je meer punten kunt verdienen in het spel waarmee je dan weer mooie virtuele goederen kan kopen. Natuurlijk pak je die kans en speel je in die periode zoveel mogelijk spellen zodat je zoveel mogelijk goederen kan kopen. Je weet immers dat je upgrade tijdelijk is dus je wilt voor die tijd je kas spekken. Maar wat doe je dan als na het verlopen van die upgrade blijkt dat je de toegang tot die goederen wordt ontzegd? Je mag er alleen maar bij als je een upgrade koopt...... !

Of stel: je meld je aan bij een (gratis) virtuele wereld. Bij aankomst in die wereld krijg je een leuk cadeau: een hondje. Helemaal leuk natuurlijk. Totdat het beestje begint te piepen en water en eten wil. Je klikt en ja hoor: daar kom je al in het scherm waar je het nodige kan kopen voor je lieve hondje. Natuurlijk moet je daarvoor wel betalen, maar dat is minder erg dan de gedachte dat je hondje misschien wel doodgaat. En als nieuwe bewoner van die virtuele wereld weet je helemaal niet dat je ook op een andere manier voer voor je hondje kan kopen.

Voor kinderen is omgaan met geld al lastig in het echt, maar leren met digitaal geld om te gaan is nog lastiger. Lastiger omdat je niet het gevoel hebt dat je echt geld uitgeeft, lastiger omdat je niet naar een winkel hoeft te gaan en zo extra 'bedenktijd' creëert, lastiger omdat het vaak gebeurt uit het zicht van de ouders en opvoeders en lastig omdat er nog veel minder 'reclamecodes' zijn hoe je kinderen binnen games mag verleiden om je product te kopen.

Mijn Kind Online heeft onderzoek gedaan naar geld in virtuele kinderwerelden: hoe wordt daar geld verdiend op welke manieren kan er betaald worden voor virtuele producten en hoe worden kinderen verleid om hun geld (of dat van hun ouders) daaraan uit te geven? De brochure 'Pas op je portemonnee', met daarin de resultaten van dit onderzoek, kan gratis gedownload worden. Een mooie aanleiding om in een les over rekenen niet alleen te rekenen met munten, maar ook met de kinderen te praten over wat sparen is en ze eens te vragen hoe zij denken dat aanbieders van spellen hun geld verdienen. Zo snijdt het mes aan twee kanten: kinderen gaan beter rekenen en ze weer iets mediawijzer!

N.B. Meer links over leren met en over geld zijn o.a. te vinden via de Internetwijzer (geld), op Spelletjesplein en natuurlijk ook Davindi.

Afbeelding van Images_of_Money, gepubliceerd onder CC-by.

donderdag 29 september 2011

Omgaan met ICT

Door: Martijn van den Berg
Toen ik nog op de middelbare school zat, ergerde ik me vaak kapot aan de gebrekkige ict-voorzieningen van mijn school. Dat er altijd gebrekkig, of zelfs geen internet was. Dat het enige wat je kon op een pc Word en internet was. Dat de helft van de websites geblokkeerd werd om ons maar niet af te leiden van schoolwerk. Gelukkig zie ik, met name de laatste tijd, steeds meer scholen die een stap naar ICT proberen te zetten.

Zo zag ik een tijdje geleden een voorbeeld van een school die alle leerlingen Ipads had gegeven. Natuurlijk was dat voor de leerlingen als een droom. Maar later bleek dat de leerlingen met hun Ipad meer met spelletjes en sociale netwerken bezig waren dan met school, tot frustratie van de docenten. Hetzelfde zag ik ook bij verschillende scholen die laptops in de klas uitprobeerden.

ICT aanschaffen voor leerlingen is natuurlijk heel erg leuk, maar als je leerlingen alleen een laptop of een Ipad geeft gaan ze natuurlijk eerst de dingen doen die ze thuis ook het liefst doen. En dat is geen school. Je moet dan wel een heel erg goed plan klaar hebben staan om met de nieuwe ict ook daadwerkelijk te gebruiken.

En dan ben je er nog niet, want zelfs met een erg goed plan kan het nog mis gaan. Het moeilijkste is vaak om de hele school mee te krijgen. Aangezien de ontwikkeling van ict niet stilstaat, moet je ook verder blijven ontwikkelen, en dit kan alleen door docenten zo ver te krijgen dat ze ook manieren gaan bedenken om de ict op een leuke manier te gaan gebruiken.

Het lukt misschien niet altijd om dingen als laptops en Ipads succesvol in te voeren. Dit is een moeilijk proces, en gaat niet altijd even snel. Ik denk wel dat het op elke school te doen valt, mits het geleidelijk gaat. Als je eerst een goede internetverbinding hebt door de hele school en een goed computernetwerk met een creatieve systeembeheerder, komt het vanzelf dat mensen nieuwsgierig worden naar wat er nu gaan gebeurt, en gaan uitproberen. Na een tijdje kan je dan gaan denken aan de volgende stap.

dinsdag 27 september 2011

Professionalisering: door de school zelf!

De laatste tijd heb ik me veel bezig gehouden met professionalisering: hoe kan je dat het beste vormgeven op scholen? Hoe zorg je ervoor dat lesgevenden geïnspireerd raken om hun onderwijs te vernieuwen en verbeteren en voldoende kennis en vaardigheden in huis hebben om die vernieuwingen tot stand te brengen?

Wat vaak gebeurt is dat scholen studiemiddagen organiseren en dan experts workshops en presentaties laten verzorgen. Mijns inziens wel een goede aanpak om een kleine groep mensen te inspireren, maar helaas blijft het daar dan vaak bij. Lang niet altijd komt het tot uitvoering van de ideeën en nog minder vaak worden de ideeën van de innovatieve voorhoede overgenomen door de collega's, waardoor op zich mooie projecten na verloop van tijd een stille dood sterven.

Ik denk dat het van groot belang is dat vernieuwing en verbetering van het onderwijs van binnenuit komt. Dat is geen nieuwe visie: ik zie op steeds meer scholen dat - naast workshops en presentaties van externe experts - ook interne experts - collega's - hun kennis delen. Ik ben daar erg enthousiast over: het is fijn om van je 'peers' te leren, om te laten zien welke expertise en ervaring je in huis hebt en als je een vernieuwing wil doorvoeren is het veel eenvoudiger om - vaak tussen de bedrijven door - een collega om hulp te vragen dan een externe expert die lang niet altijd aanwezig is op de momenten dat jij hem nodig hebt.

In alle gevallen is het belangrijk dat professionalisering plaats vindt op basis van een visie: hoe ziet op dit moment het onderwijs eruit, waar moet het naar toe en op welke gebieden is professionalisering noodzakelijk?

Wie het onderwijs wil verrijken met ICT kan voor professionalisering gebruik maken van één van de '23 Dingen'-cursussen. Deze cursus, die in eerste instantie is ontwikkeld voor informatieprofessionals in de VS (23Things), is vertaald voor de Nederlandse bibliotheken (23 Dingen), en vervolgens voor allerlei andere sectoren, waaronder het basisonderwijs, het voortgezet onderwijs (23 Onderwijsdingen en 23 OVC-Dingen) en het hoger onderwijs (21eDingen).

Deze cursussen zijn beschikbaar onder een Creative Commons licentie en kunnen vrij gebruikt worden door onderwijsinstellingen. Natuurlijk kan je voor het geven van zo'n cursus een externe expert inhuren, maar dat is niet hoe deze cursussen opgezet zijn. Het is de bedoeling dat de cursus in groepjes van 4 tot 8 mensen gevolgd worden, onder leiding van een groepsbegeleider: een collega van de eigen onderwijsinstelling.

Deze begeleider hoeft zelf geen expert te zijn op het gebied van ICT in het onderwijs: daarvoor kan hij een beroep doen op de collega's in de onderwijsinstelling of - als niemand binnen de onderwijsinstelling de vraag kan beantwoorden, de cursuscoördinator. De taak van de begeleider is zijn collega's te stimuleren om met het materiaal aan de slag te gaan, onderling kennis te delen en eventuele (inhoudelijke of procesmatige) problemen te signaleren en die op te lossen. Als dat nodig is organiseert de begeleider overleg tussen de deelnemers van zijn groepje, extra bijeenkomsten of roept de hulp in van de cursuscoördinator.

De cursuscoördinator heeft tot taak een aantal centrale bijeenkomsten te organiseren (voor alle deelnemers aan de cursus), overleg tussen de groepsbegeleiders tot stand te brengen en vragen te beantwoorden die door de collega's binnen de eigen instelling niet beantwoord kunnen worden.

De 23Dingen-cursussen zijn behoorlijk omvangrijk en - zo heb ik ervaren - voor de meeste onderwijsinstellingen - teveel om als geheel aan te bieden aan de onderwijsgevenden. Ik zou daarom willen adviseren om als je zo'n cursus aanbiedt, eerst een selectie te maken uit het beschikbare lesmateriaal op basis van de onderwijsvisie van de onderwijsinstelling. Wat wil je bereiken met het inzetten van ict: wil je het onderwijs verbinden met de buitenwereld, competenties centraal stellen, onderwijs flexibeler maken, wil je dat leerlingen metacognitieve vaardigheden ontwikkelen of dat ze hun eigen kennis construeren?

Op basis van deze visie en op basis van de wensen van de groepjes (van een sectie, afdeling, jaarlaag) maak je een selectie uit het materiaal van een 23dingen-cursus. Niet minder van belang vind ik het dat dat dit materiaal aangepast wordt aan de onderwijsinstelling zodat de ict-mogelijkheden van de onderwijsinstelling (hardware en software) in de cursus verwerkt worden.

Ik zie een aantal voordelen aan deze aanpak:
  • de in de school aanwezige expertise wordt optimaal benut doordat collega's van elkaar leren. Dit heeft als gevolg dat na afloop van de cursus de expertise niet met de externe expert uit de school verdwijnt, maar in de school aanwezig blijft.
  • omdat het materiaal online beschikbaar is en de cursus in groepjes gevolgd wordt, kan optimaal afgestemd worden op de mogelijkheden (tijd en plaats) en (inhoudelijke) wensen van de cursisten,
  • Omdat de 23dingen-cursussen onder een CC-licentie beschikbaar zijn en door zoveel verschillende organisaties zijn aangepast en verder ontwikkeld, is het materiaal vrij beschikbaar en het is relatief eenvoudig om het materiaal aan te passen aan de eigen wensen.
  • Daarnaast maakt het brede gebruik van de 23dingen-cursussen het mogelijk om gebruik te maken van expertise van anderen die al eerder een 23dingen-cursus hebben gevolgd. Scholen in het VO en PO kunnen bijvoorbeeld contact leggen met de openbare bibliotheek in hun plaats om te kijken of zij een bijdrage kunnen leveren in het professionaliseringstraject. Ik denk hierbij zowel aan het helpen van de docenten om zich de stof eigen te maken als aan het helpen van leerlingen wanneer zij van hun docent/leerkracht de opdracht krijgen om met de ict-tools uit de 23dingen-cursus aan de slag te gaan.
Ik denk dat de 23dingen-cursussen het onderwijs veel te bieden hebben en ik hoop dat veel onderwijsinstellingen dit gratis materiaal gaan gebruiken om het onderwijs te verbeteren met behulp van ICT.

Hieronder een 'glog' waarin ik mijn visie op het gebruik van de 23dingen-cursussen (in dit geval de cursus 23 OVC-dingen) heb samengevat.

Ben je geïnteresseerd in het lesmateriaal van de cursus, neem dan contact op met de OVC of een van de andere aanbieders van een 23 (of 21)dingen-cursus. Je kunt natuurlijk ook reageren via dit blog: dan zal ik proberen je in contact te brengen met de juiste mensen.

dinsdag 20 september 2011

Mediawijsheid-dominospel

Vorige week mocht ik voor een groep bovenschoolse ICT-coördinatoren uit het PO een interactieve presentatie verzorgen over mediawijsheid. Nou ben ik niet zo'n fan van presentaties, en al helemaal niet als dat aan het einde van een middag moet gebeuren. Meestal zijn mensen dan al moe, en dan wordt het wel heel lastig om een boodschap over te brengen naar de luisteraars. Daarom bedacht ik een manier om met de mensen aan de slag te gaan. Na wat gepieker en gepeins bedacht ik een dominospel. Echt uittesten kon ik het niet omdat je voor het spelen van het spel minstens een stuk of 8 spelers nodig hebt, dus ik besloot de gok te wagen en het spel ter plekke uit te proberen.

Alhoewel het spel zeker niet vlekkeloos verliep, vond ik het toch de moeite waard. Hadden bij de inleiding op het spel sommige mensen nog moeite om de aandacht erbij te houden; bij het feitelijke spelen werd iedereen actief en betrokken. Wat dat betreft was mijn doel dus bereikt. Maar qua vormgeving moest ik er nog het nodige aan sleutelen en het spelen van het spel vroeg meer uitleg dan ik had verwacht. Maar na herziening ben ik nu tevreden met het resultaat en hoop ik dat het ook voor anderen bruikbaar is.

Wat is nu eigenlijk dit mediawijsheid-dominospel?

Het mediawijsheid-dominospel is bedoeld om onderwijsgevenden en anderen die zich in een school bezig houden met het gebruik van media (bijv. mediathecarissen, mediacoaches, ict-coördinatoren) door leerlingen, met elkaar in gesprek te laten gaan over wat zij al doen op het gebied van mediawijsheid en het werken met media, en wat zij zouden willen gaan doen. Het spel wordt ingezet om zichtbaar te maken:
  • op welke gebieden van mediawijsheid weinig of geen activiteiten ontwikkeld worden,
  • om op gebieden waarop al wel activiteiten ontwikkeld worden gesprekken te voeren hoe deze activiteiten op elkaar afgestemd kunnen worden en hoe aan deze activiteiten verdieping gegeven kan worden,
  • wat er nodig is om onderwijsgevenden en leerlingen en in staat te stellen media in te zetten om hun (onderwijs- en leer)doelen te realiseren,
  • wie binnen de school welke expertise heeft op het gebied van mediagebruik en mediawijsheid.
Het spel kan zowel ingezet worden om scholen te helpen een visie te ontwikkelen ten aanzien van mediagebruik en mediawijsheid, als voor het geven van een praktische invulling aan deze visie.

Na een korte introductie over wat mediawijsheid en hoe dit begrip onderverdeeld kan worden in deelgebieden (in kansen en bedreigingen m.b.t. content, contact en conduct/creatie) wordt het spel gespeeld. Daarvoor worden eerst lege dominostenen door de deelnemers ingevuld met beschrijvingen in steekwoorden van de activiteiten die zij met leerlingen ondernemen op het gebied van het gebruik van media of die zij met de leerlingen zouden willen ondernemen. Vervolgens worden de stenen uitgelegd, waarbij het de bedoeling is dat deelnemers die activiteiten op een bepaald gebied willen ondernemen op zoek gaan naar mensen die hiermee al ervaring hebben opgedaan.

Na het uitleggen van de stenen wordt met de deelnemers het resultaat bekeken en het resultaat geëvalueerd:
  • Zijn er gebieden waarop geen activiteiten ontwikkeld worden of waarop juist overlap is? Is deze situatie gewenst?
  • Wordt aan de leerlingen voldoende ondersteuning (kennis, software, hardware) geboden bij het ‘wijs’ inzetten van media?
  • Wordt aan de onderwijsgevenden voldoende ondersteuning (kennis, software, hardware) geboden bij het ‘wijs’ inzetten van media?
  • Hoe kunnen de deelnemers elkaar helpen bij het wijs gebruik van media in het onderwijs?
Ben je nieuwsgierig geworden en wil je het spel zelf spelen, met leerkrachten/docenten van één of meer scholen, secties, afdelingen, jaarlagen? Je kunt alle informatie (complete beschrijving van het spel en de regels, lege dominostenen enz.) als pdf-bestand hier downloaden. Het spel is beschikbaar onder de Creative Commons licentie CC-by, dus je mag het vrij gebruiken en aanpassen, zolang je er mijn naam als originele maker bij vermeldt. En natuurlijk zou ik het erg leuk vinden om het te horen als je het spel gaat spelen, en als je het hebt gespeeld, hoe het je is bevallen. Mocht je nog vragen hebben of zoek je hulp bij het spelen van het spel, dan kan je me hier vinden.

Succes!

Afbeelding van Tafkabecky, gepubliceerd onder CC-by-nc-sa.

maandag 19 september 2011

Nieuw MediaMachtig-jaar van start

logo Stichting MediaMachtigVandaag is door MediaMachtig een persbericht verstuurd waarin aangekondigd wordt dat met ingang van vandaag een aanvraag voor subsidie voor een mediawijs project ingediend kan worden. Natuurlijk publiceer ik het persbericht ook op mijn blog ;-)


Nieuwe subsidieronde MediaMachtig voor mediawijsheid in het basisonderwijs

Na een zeer succesvolle start in het schooljaar 2010-2011 stelt Stichting MediaMachtig ook dit schooljaar weer subsidie beschikbaar voor scholen in het basisonderwijs die met mediawijsheid aan de slag willen gaan. In het afgelopen jaar konden 12 scholen in het (speciaal) basisonderwijs met hulp van MediaMachtig een project doen waarbij mediawijsheid geïntegreerd in het curriculum werd aangeboden aan de leerlingen. Dit schooljaar hoopt Stichting MediaMachtig 20 scholen een steun in de rug te bieden om leerlingen mediawijs te maken. Aanvragen voor subsidie kunnen met ingang van 19 september ingediend worden via het formulier op de site.

Stichting MediaMachtig wil scholen voor basisonderwijs stimuleren hun leerlingen bewust te maken van de macht van media door ze het werken met media machtig te maken. Door leerlingen digitale vaardigheden bij te brengen en ze laten werken met media, worden ze zich bewust van de mogelijkheden en bedreigingen van het gebruik ervan. Daarvoor stelt MediaMachtig subsidies beschikbaar voor onderwijsvernieuwende projecten waarbij media worden ingezet. Deze projecten moeten passen binnen het normale curriculum, dat wil zeggen dat door het uitvoeren van deze projecten invulling wordt gegeven aan de leerdoelen van het basisonderwijs. Daarnaast moeten deze projecten ook invulling geven aan leerdoelen ten aanzien van mediawijsheid, zoals veilig internetten, informatievaardigheden en leren communiceren met elektronische middelen.

Stichting MediaMachtig zet het onderwijsveld zelf aan het stuur in het subsidietraject. De scholen bepalen zelf hoe ze mediawijsheid willen vormgeven in het onderwijs en de beoordeling van de aanvragen is in handen van een ‘Comité van Machtigen’, bestaande uit leerkrachten. Voor het uitvoeren van hun project leggen scholen contact met een ‘Maatje’: iemand van een andere school of een organisatie die zich bezighoudt met media en mediawijsheid.

Stichting MediaMachtig wordt gesteund door een groot aantal sponsors. Dankzij de steun van APS IT-diensten, Prowise, THORAX en Kennisnet kunnen dit jaar maar liefst 20 aanvragen gehonoreerd kunnen worden. Vives sponsort in 2012 het werk van MediaMachtig in natura door tijdens de IPON een MediaMachtig-bijeenkomst te organiseren.

Aanvragen voor de subsidieronde 2011/2012 kunnen worden ingediend tot uiterlijk 26 november 2011 via het aanvraagformulier dat is te vinden op de website van Stichting MediaMachtig. Een contactformulier biedt de mogelijkheid vragen te stellen aan de organisatie over dit initiatief.

dinsdag 13 september 2011

Webdocs: een document vol met van alles

Wie wil werken op het digibord, zal vaak gebruik maken verschillende websites, tekeningen, video's enz. Je kunt die natuurlijk allemaal tevoren klaar zetten op je digibord, maar je kan ze ook verzamelen in één document en er zo een complete les van maken.

Om zo'n les te maken heb je verschillende tools. Allereerst hebben de meeste digiborden eigen software om een les te maken. Het nadeel daarvan is dat je soms speciale software hebt om die lessen op een andere plek te bekijken en dat je de les die je hebt gemaakt soms niet op borden van een ander merk kan bekijken. Vooral als je lessen wil delen met collega's van andere scholen (met andere digibordsoftware) is het daarom handig om te werken met bord-onafhankelijke software.

Een tool die op veel p.c.'s te vinden is, is het programma OneNote van Microsoft. Pieter Kleinjan, interimdirecteur op Basisschool De Zandbaan, heeft daarover een mooi artikel geschreven. Maar een nadeel van OneNote is dat het niet gebruikt kan worden op apparaten met een ander besturingssysteem dan Windows: dus geen Mac's, geen iPad's en geen Android-apparaten.

Een webbased tool om lessen te maken is Webdoc. Ik heb er wat mee gespeeld, en er onderstaande document mee gemaakt. Webdoc is erg gebruiksvriendelijk (en onderstaande handleiding is dus eigenlijk niet nodig, maar meer bedoeld als vingeroefening voor mijzelf ;-) ), en de mogelijkheden zijn uitgebreid. Je kunt in het document tekstvakken plaatsen, afbeeldingen, geluiden en video's. Je kunt gewoon een witte achtergrond aanhouden in het document, maar je kan ook een kleurtje of een patroon gebruiken. Alles wat je maakt kan je voorzien van een tekstvak of een tekstbubbel, waarin je bijv. uitleg geeft wat het is.

Wat ik erg goed vind van Webdocs is dat ze bij het zoeken van plaatjes de mogelijkheid geven om alleen te zoeken naar plaatjes die hergebruikt mogen worden (dus onder een Creative Commons licentie beschikbaar zijn). Dat biedt prachtige mogelijkheden om met leerlingen het gesprek aan te gaan hoe zij daarmee omgaan en wat zij ervan vinden dat plaatjes hergebruiken van het web niet zomaar mag, maar wel vaak gedaan wordt. Geluidsbestanden worden gehaald van Soundcloud: een website waar je geluidsbestanden vindt die je vrij mag gebruiken.

Naast afbeeldingen, tekst, video en geluid, kan je in een webdoc ook gebruik maken van een behoorlijk aantal apps. Je klikt ze aan, stelt in hoe ze vormgegeven moeten worden in jouw document en klaar. Er zijn apps om te stemmen of te ranken, kleine spelletjes, een diashow te embedden of een presentatie van Slideshare, een Twittersearch en nog zo wat dingen.

Al met al ben ik behoorlijk onder de indruk van Webdocs: makkelijk, veelzijdig en omdat het webbased en niet werkt op Flash, is het bruikbaar op alle mogelijke platforms. Een blijvertje, wat mij betreft!

dinsdag 6 september 2011

MediaMachtig: we gaan door in 2011-2012

logo Stichting MediaMachtigHet schooljaar 2010-2011 was het eerste jaar waarin Stichting MediaMachtig subsidie kon geven aan projecten op het gebied van mediawijsheid. We hadden subsidie gekregen van het programma Digivaardig Digibewust waardoor we maar liefst 12 basisscholen geld konden geven om aandacht te geven aan mediawijsheid binnen het curriculum. Van die 12 scholen zijn er 2 afgehaakt gedurende het schooljaar, en 2 scholen zullen hun project afronden in december van dit jaar. De overige 8 scholen hebben hun projecten uitgevoerd voor de zomervakantie. Eind juni hebben ze hun projecten afgerond en een eindevaluatie geschreven, die - samen met de blogposts die geschreven zijn gedurende de looptijd van het project - te vinden zijn op de site van MediaMachtig.

We zijn trots op wat er in de projecten bereikt is:
  • Basisschool De Vendelier die met iPad, iPod en sociale media aan de slag is gegaan, waar leerlingen interviews afnamen, apps beoordeelden en via Twitter vertelden waar ze mee bezig waren. En al doende leerden dat je niet zomaar alles kan delen via het web en dat sommige apps leuk zijn maar dat het niet allemaal goud is wat er blinkt,
  • De Witte Olifant, waar ouders en leerkrachten gezamenlijk optraden en met de leerlingen een heus filmfestival organiseerden en van experts hoorden wat je wel en wat je beter niet kan doen op het web,
  • Op de Dr. Bosschool lazen leerlingen boeken en vertelden in een filmpje waarom ze dat boek zo leuk (of juist helemaal niet leuk) vonden,
  • Leerlingen van groep 2 en 3 van De Groningse Schoolvereniging gingen aan de slag met het maken van een digitale schoolkrant. Daarvan leerden niet alleen de leerlingen: ook voor de leerkrachten ging een wereld open,
  • Op de Brede School Merenwijk maakten leerlingen filmpjes over 'moeilijke woorden' en vergrootten zo hun woordenschat, maar leerden ook over beeldtaal,
  • Voor Nutsschool Hertogin Johanna was de subsidie van MediaMachtig de start van een breed traject waarin de bibliotheek samenwerkt met de school om leerlingen te leren over de mogelijkheden en onmogelijkheden van media, leerlingen hun eigen digitaal portfolio opbouwen en leerkrachten scholing krijgen over sociale media in het onderwijs,
  • Leerlingen van St. Willibrord gingen naar buiten en deden daar een speurtocht met iPods en QR-codes. Gelukkig was het voor de vakantie begon lekker weer, dus dat was een buitenkansje ;-),
  • De achtstegroepers van de Van Asch van Wijckschool, tot slot, zijn dit jaar goed voorbereid aan de slag gegaan in de brugklas. Zij hadden voor de zomervakantie leerlingen uit het VO geïnterviewd over hun ervaringen in de brugklas. Daarmee maakten ze hun eigen overstap naar die grote nieuwe school natuurlijk wel een stuk eenvoudiger!
Wij van MediaMachtig vinden dat de successen van deze projecten smaken naar meer en we zijn dan ook hard op zoek gegaan naar nieuwe sponsors. En alhoewel we nog niet alle financiële gaatjes hebben kunnen vullen, kunnen we wel al met zekerheid zeggen dat we een nieuw MediaMachtig jaar kunnen beginnen. Over een week of twee gaan we de inschrijving open zetten en kunnen (speciale) basisscholen een aanvraag voor subsidie indienen.

Wil jij, net als de projectleiders van vorig jaar, je leerlingen mediawijzer maken? Bekijk dan alvast het reglement zodat je kan nadenken hoe jij tussen januari en eind mei 2012 mediawijsheid een plaats wil geven in het curriculum.

maandag 5 september 2011

Terug van weggeweest

Vandaag zijn de schoolvakanties in heel Nederland weer voorbij en dat betekent dat er vanaf nu weer berichtjes gaan verschijnen in dit blog. Ik heb genoten van een heerlijke vakantie en me ook laten inspireren door allerlei dingen die ik heb gelezen. Boeken, twitter, blogs, kranten en tijdschriften: het is zalig dat er zo veel informatie voorhanden is, die ook nog heel vaak gratis toegankelijk is voor iedereen.

Om daarvan te kunnen genieten, moet je wel een aantal dingen kunnen en weten. Allereerst moet je natuurlijk kunnen lezen. Het is fijn als je verschillende talen beheerst: dan zijn je mogelijkheden groter. Maar dat is niet genoeg: je moet ook weten waar je informatie kan vinden die voor jou interessant is. Daarnaast moet je in staat zijn om te selecteren: er is zoveel informatie dat je die nooit allemaal tot je kan nemen. Het helpt enorm als je weet welke andere mensen zich bezighouden met de onderwerpen die ook voor jou interessant zijn. Natuurlijk moet je ook dan nog filteren, maar de hoeveelheid informatie waaruit je kiest wordt daardoor wel overzichtelijker.

Wat je vervolgens leest, moet je met een kritische blik bekijken: niet alles wat geschreven staat is waar en - bijna - alles wat geschreven staat is subjectief. Het is daarom goed om als je werkelijk iets wilt weten over een onderwerp meer bronnen te raadplegen en zo verschillende visies te kunnen onderscheiden.

Op basis daarvan kan je vervolgens je eigen mening ontwikkelen. Daarvoor moet je in staat zijn om wat je al weet te verbinden met dat wat je hebt gelezen en daaruit je eigen conclusies trekken.

Als je over deze kennis en vaardigheden beschikt, dan kan je blijven leren, ook als je niet (meer) een opleiding volgt. Ik heb op die manier de afgelopen maanden mijn tasje weer gevuld met nieuwe kennis en visies. Daarmee hoop ik - samen met Martijn - het komende schooljaar dit weblog weer te kunnen vullen. En ik hoop dat ook dit schooljaar veel leerlingen en studenten meekrijgen wat ik ook heb meegekregen: de kennis en vaardigheden om niet alleen op school maar ook (lang) daarna nog te leren. Want dat maakt je leven, ook in de vakantie, veel rijker!

Afbeelding van Christine ™, gepubliceerd onder CC-by-nc-nd.

maandag 27 juni 2011

Vragen beantwoorden in plaats van antwoorden opzoeken

afbeelding van een schaar en een lijmstiftAlhoewel de term knip- en plakgeneratie verdrongen lijkt te zijn door de term generatie Y, heb ik niet de indruk dat er tegenwoordig minder geknipt en geplakt wordt bij het maken van werkstukken voor school. In deze blogpost een aantal tips hoe je kunt voorkomen dat dit knippen en plakken leidt tot minder leeropbrengst en in plaats daarvan leidt tot leerwinst.
  • Maak onderscheid tussen verschillende soorten vragen/problemen en geef de leerling aan in welke gevallen je van hem verwacht dat hij de informatie uit één (zorgvuldig geselecteerde) bron knipt en plakt, wanneer hij de informatie uit verschillende bronnen moet gebruiken en samenvoegen tot één overzicht en wanneer je een eigen mening verwacht:
    • Vragen naar feiten kunnen als regel heel goed beantwoord worden op basis van de informatie van één (goed gekozen) website. Door leerlingen de opdracht te geven die vraag te beantwoorden met vermelding van hun bron creëer je de gelegenheid om - waar nodig - met de leerlingen te reflecteren over de keuze van hun bronnen.
    • Als je leerlingen vraagt hun mening te geven over een onderwerp waarover al vele anderen hun mening hebben gegeven, dan is de kans groot dat ze de mening van iemand anders presenteren als hun eigen mening. Je kunt dat voorkomen door de opdracht te geven eerst 3 meningen van anderen samen te vatten en die vervolgens met elkaar te vergelijken. Daarna laat je de leerling op die meningen reflecteren en zijn eigen mening geven en aangeven waarom hij er zo over denkt. Je kunt ook vragen om die mening vanuit zijn eigen ervaringen te onderbouwing of te illustreren.
    • Je kunt ook leerlingen een opdracht geven waarbij het antwoord niet op internet te vinden is. Denk aan opdrachten die betrekking hebben op hun eigen leven of leefomgeving, opdrachten waarbij leerlingen beelden moeten creëren (tekening, foto, film, animatie enz.) of authentieke opdrachten.
  • Zoek voordat de leerlingen aan het werkstuk beginnen samen met hen naar bronnen die ze kunnen gebruiken voor hun werkstuk en bespreek die met hen: hoe zoeken zij hun bronnen, welke bronnen vinden zij waardevol en waarom?
  • Leer leerlingen niet alleen hoe ze hun bronnen moeten citeren en verantwoorden in hun werkstuk, maar ook hoe ze hun bronnen zo kunnen organiseren dat ze er optimaal gebruik van kunnen maken. Ik maakte daarvoor ooit gebruik van een kaartenbakje, maar gelukkig zijn daarvoor nu vele andere, handigere middelen beschikbaar. In het hoger onderwijs zijn tools als Zotero, Mendeley en Connotea veel gebruikt; voor het voortgezet onderwijs zou ik liever wat eenvoudiger tools gebruiken, zoals Diigo of Blinklist. Voor het basisonderwijs kan een wiki goede diensten bewijzen voor het opbouwen van een overzicht van bronnen voor alle vakken.
    Bespreek met leerlingen wat ze van deze bronnen moeten vastleggen om ze later in hun werkstuk makkelijk terug te kunnen vinden (trefwoorden, korte samenvatting) en snel de juiste informatie eruit kunnen halen.
  • Stimuleer leerlingen om - beargumenteerd - bronnen uit te wisselen met elkaar.
  • Beoordeel niet alleen het eindresultaat (het werkstuk), maar ook de keuze en verantwoording van de bronnen die de leerlingen hebben gebruikt.
  • Laat leerlingen (ook) een keer niet het werkstuk te maken, maar geef ze alleen de opdracht om bronnen te verzamelen en die van hun eigen aantekeningen (wat valt je op aan deze bron, waarom ben je het ermee eens of juist niet mee eens enz.) te voorzien.
  • Laat leerlingen verschillende kleuren gebruiken in hun werkstuk: teksten en informatie die ze overnemen van anderen is zwart, teksten die ze zelf hebben bedacht maken ze groen. Door met kleuren te werken zie je in één oogopslag of het werk veel toevoegt aan wat er al is bedacht over dat onderwerp of niet. Bespreek met de leerlingen of die verhouding is zoals zij willen en zoals je zelf wilt. Zo niet: overleg met de leerlingen hoe jullie dat kunnen veranderen.
Heb jij nog meer tips? Het zou fijn zijn als je ze deelt met anderen als reactie op deze blogpost.

Afbeelding van p4nc0np4n, gepubliceerd onder CC-by-nc-sa.

maandag 20 juni 2011

Lessen om leerlingen mediawijs te maken

foto van leerlingen die op de openbare weg aan het filmen zijnDoor verschillende mensen werd ik gewezen op het feit dat in Wikiwijs materiaal te vinden is van het project "Mediawijsheid, een vak apart!" van Thorbecke Scholengemeenschap in Zwolle. Het is prachtig materiaal waarover ik hier graag meer vertel.

De Thorbecke Scholengemeenschap heeft in 2006/2007 ervoor gekozen om zich te profileren ten opzichte van andere scholen in de regio Zwolle o.a. door meer aandacht te besteden aan media. Dat hebben ze gedaan door een aparte leerlijn in te richten: moderne media. Leerlingen uit de onderbouw kunnen kiezen voor het profiel 'moderne media'. Er zijn overigens ook andere profielen waarvoor gekozen kan worden: sport, wetenschapsoriëntatie en technasium. Leerlingen die hebben gekozen voor het profiel moderne media houden zich gedurende 3 jaar 5 lesuren per week bezig met media.

De vragen die in de leerlijn aan de orde komen zijn:
  • Van wie komt de boodschap? (productie)
  • Hoe is het gemaakt? (technologie),
  • Voor wie is het beeld gemaakt? (publiek),
  • Wat is de boodschap? (beeldtaal),
  • Wat is het doel van de boodschap? (categorie).
De leerlingen gaan praktisch aan de slag met media, maar ook reflectie is een belangrijk onderdeel van de leerlijn. Ook wordt aandacht besteed aan economie, bijvoorbeeld door het maken van een ondernemingsplan.

Overigens is het aanbieden van mediawijsheid als apart vak niet nieuw: al in 2006 schreef ik een aantal malen (o.a. hier en hier) over de Katholieke Scholengemeenschap in Etten-Leur die als cultuurprofielschool er ook voor heeft gekozen media-educatie als apart vak aan te bieden. Op de Thorbecke Scholengemeenschap wordt dat gedaan in de onderbouw; de KSE biedt het vak aan in de bovenbouw H/V.

Voor het praktische werken met media is een speciaal lab ingericht met o.a. een regie- en vergaderruimte, een montageruimte, een kleedkamer annex geluidscabine voor het inspreken van presentatieteksten en een opslagruimte voor opnameapparatuur: Studio 13. Voor het volgen van de leerlijn moderne media wordt aan de ouders een extra bijdrage gevraagd van € 175,00 per jaar (dus totaal € 525,00 voor de hele leerlijn).

Voor het project "Mediawijsheid, een vak apart!" heeft de Thorbecke Scholengemeenschap ontwikkeld:
  1. een plan van aanpak voor de implementatie van mediawijsheid als apart vak in het curriculum,
  2. een overzicht van eindtermen, passend binnen de kerndoelen vo, die in het vak Mediawijsheid gerealiseerd zouden moeten worden,
  3. een concrete uitwerking van het vak Mediawijsheid. De in deze uitwerking genoemde lessen zijn goeddeels ook beschikbaar (al dan niet na een inlog via Entree):
De documenten genoemd bij 1, 2 en 3 zijn m.i. voor alle scholen belangrijke input kunnen geven bij het nadenken over hoe je mediawijsheid kunt vormgeven in het onderwijs, ook al zijn ze vooral bedoeld voor scholen die mediawijsheid als apart vak willen neerzetten. Het lesmateriaal dat online is gezet is in ieder geval bruikbaar voor iedereen die aandacht wil besteden aan mediawijsheid: als apart vak of geïntegreerd in de andere vakken.

Totaal is er voor ruim 210 lesuren aan materiaal te vinden, variërend van lessen over soaps tot lessen over documentaires, van een les over het maken van animaties tot praktische tips voor het maken van goede foto's, en van lessen over cyberpesten tot lessen over online identity. Prachtig materiaal allemaal, met handige handleidingen en tips. De praktische opdrachten kunnen heel goed gecombineerd worden met een opdracht voor een ander vak. Zo kan je leerlingen voor de beeldende vakken foto's laten maken over kunst in hun woonomgeving, voor natuurkunde een animatie over een natuurkundige wet, voor geschiedenis een documentaire over de historie van een gebouw of voor aardrijkskunde een soap over de aanleg van de NoordZuidlijn, de HSL-Oost of de Betuweroute.

Ik ben erg blij met alle inzichten en materialen van de Thorbecke Scholengemeenschap die ze via Wikiwijs met ons delen. Met gebruikmaking van dit materiaal maak je het jezelf gemakkelijker om een visie te ontwikkelen, keuzes te maken waar je je als school op het gebied van mediawijsheid verantwoordelijkheid wil nemen en waarvoor niet, hoe een leerlijn kan samenstellen op het gebied van mediawijsheid en welke materialen je daarvoor kan gebruiken. Daardoor kan je jezelf heel wat werk besparen!
Ik mis in de documentatie van de Thorbecke scholengemeenschap nog drie dingen.

Allereerst zou ik graag willen weten hoe mediawijsheid aan de orde komt bij leerlingen die gekozen hebben voor één van de andere profielen. Ik kan me niet voorstellen dat op een school waar - voor een deel van de leerlingen - media zo'n belangrijke rol spelen, dat onderwerp niet aan de orde komt in het curriculum van de andere profielen. Hoe pakken ze dat op bij Thorbecke?

Een ander ding waar ik graag meer over zou willen weten is hoe de activiteiten van de leerlingen beoordeeld worden? Worden ze zowel beoordeeld op kennis als vaardigheden en op attitude? En wordt ook echt gekeken naar de 'wijsheid' die leerlingen hebben opgedaan, met name de mate waarin de leerlingen werkelijk kunnen reflecteren op hun eigen of andermans mediagebruik?

Tot slot ben ik benieuwd hoe datgene wat geleerd wordt in de leerlijn mediawijsheid wordt toegepast in de andere vakken. Want dat die transfer niet vanzelfsprekend wordt gemaakt door leerlingen is bekend. We kennen allemaal de leerling die bij Duits zegt niet te weten wat een meewerkend voorwerp is terwijl dat begrip in het uur daarvoor bij het vak Nederlands besproken is, of de leerling die je met vragende ogen je aanstaart als hij bij economie een formule moet toepassen die behandeld is bij wiskunde. Voor mediawijsheid geldt hetzelfde: als wat je leert in het vak mediawijsheid vervolgens niet toegepast wordt in de andere vakken, is de kans groot dat de kennis geïsoleerd blijft waardoor die niet niet optimaal benut wordt en na verloop van tijd wegzakt. Ik hoop dat de Thorbecke Scholengemeenschap ook op dat gebied hun kennis met ons wil delen, want dat ze zich daarvan bewust zijn en hun best doen om de leerling die transfer te laten maken, daar twijfel ik niet aan!

Afbeelding van
dfarrell07, gepubliceerd onder CC-by-sa.

woensdag 11 mei 2011

Media: van alle tijden

Alweer een tijdje geleden zag ik onderstaande video waarin het verhaal van de Exodus wordt verteld aan de hand van (nagemaakte) Twitterberichten, zoekopdrachten, Facebookprofielen enz. Ik geniet erg van dat soort prachtige anachronismen waarin de meest moderne middelen ingezet worden om een verhaal te vertellen dat zich al lang geleden heeft afgespeeld. Zo te zien ben ik daarin niet de enige: het filmpje is - op het moment van schrijven - al meer dan 2 miljoen keer bekeken!

Je kunt dit soort filmpjes bekijken, maar je kunt ze ook maken. Daar valt veel van te leren: de maker van het filmpje over de Exodus zal het verhaal zeker goed kennen en hij zal zeker ook de nodige kennis hebben over moderne media. Het maken van zo'n film is dan ook een prachtige opdracht om leerlingen mediawijs te maken èn tegelijkertijd te leren over een schoolvak. Voor geschiedenis een filmpje over de gebeurtenissen die leidden tot de Vrede van Utrecht, over de overgang van censuskiesrecht naar algemeen kiesrecht, voor KCV een filmpje over deel van de Illias of de Odyssee, voor Engels een filmpje over Romeo and Juliet en voor aardrijkskunde een filmpje over het ontstaan van de continenten (daarvoor kan je ter inspiratie de trailer van Ice Age gebruiken ;-) ) en voor biologie een filmpje over de werking van het centrale zenuwstelsel of de spieren.

Door tevoren aan te geven uit hoeveel scènes het filmpje mag bestaan en hoeveel media erin verwerkt mogen worden, kan je de opdracht zo uitgebreid maken als je zelf wilt. Laat je leerlingen een compleet Facebookprofiel maken van de hoofdpersoon (al dan niet met behulp van dit Google-sjabloon) of maken ze alleen historische tweets? Of laat je ze voor de scènes alleen gebruik maken van zoekopdrachten, bijvoorbeeld met behulp van Google Search Stories, waarbij je in 6 zoekopdrachten een verhaal vertelt?

Om je leerlingen mediawijs te maken is het van belang ze niet alleen het filmpje te laten maken, maar ook om met ze het gesprek aan te gaan welke informatie zij achterlaten op het net. Zijn zij zich ervan bewust dat zoekopdrachten opgeslagen kunnen worden, dat je Facebook erg blij maakt door ze te vertellen wat jij leuk vindt en dat je door het invullen van een test spam kunt krijgen waar je helemaal niet op zit te wachten? Vraag ze eens of zij zelf voorbeelden kennen van plekken op internet waar de informatie die je moet invullen gebruikt wordt voor andere doelen dan je in eerste instantie zou verwachten. Door in de klas daarover te praten, helpen ze elkaar (en jou) verder. Handig, want zelfs ervaren mediagebruikers vallen wel eens in kuilen die anderen (voor de grap) voor hen graven .....!

Afbeelding van tweet, gemaakt door Patrick Kelly, afkomstig van de website Historical Tweets.