Posts weergeven met het label web 2.0. Alle posts weergeven
Posts weergeven met het label web 2.0. Alle posts weergeven

maandag 23 september 2013

Veilig hele grote bestanden versturen via de cloud

Het zal niemand ontgaan zijn dat werken in de cloud soms niet zo privé is als we hadden gehoopt. Ook is werken in de cloud niet altijd zeker: dagelijks komen er nieuwe diensten bij en verdwijnen andere diensten. Geen probleem voor wie het experiment niet schuwt, maar wel lastig als je voor je werk zekerheid wilt hebben.

Wie in het hoger onderwijs werkt en (iets) meer veiligheid wil, kan sinds kort bestanden verzenden via de dienst FileSender. Deze dienst is ontwikkeld omdat er met name onder onderzoekers een behoefte bestond om supergrote (data)bestanden (van wel 100 GB of meer) veilig uit te wisselen. Bestaande diensten konden niet aan die behoefte voldoen; ofwel omdat de veiligheid niet gegarandeerd kon worden, ofwel omdat er een limiet zat aan de grootte van de bestanden die uitgewisseld konden worden. Om die reden is door enkele instellingen (waaronder SURFnet) besloten de dienst FileSender te ontwikkelen. Bij deze dienst kan je grote bestanden uploaden en dan een link sturen naar één of meer ontvangers, die het bestand vervolgens kunnen downloaden. Bestanden up- en downloaden via FileSender gaat snel omdat gebruik wordt gemaakt van het SURFnet-netwerk. En, anders dan wanneer je bestanden via de mail verstuurt, is er in principe1 geen limiet aan de grootte van de bestanden.

Er zijn natuurlijk een heleboel diensten waar je op deze manier bestanden kan versturen. Denk bijvoorbeeld aan WeTransfer en HighTail (voorheen: YouSendIt). Ook diensten waar je snel (hele) grote bestanden kan versturen. Waarom ik de voorkeur geef aan FileSender?
  • het is een dienst van SURF wat me het vertrouwen geeft dat er optimaal aandacht besteed wordt aan veiligheid en privacy. De bestanden staan bijvoorbeeld op servers in Nederland en vallen dus onder de Nederlandse wetgeving,
  • FileSender is een dienst die door SURFmarket wordt aangeboden. Zij dragen zorg voor de stabiliteit van de dienst. Bij diensten als WeTransfer en Hightail loop je het risico dat ze van de ene op de andere dag van het web verdwijnen.
  • Omdat alleen hogeronderwijsinstellingen gebruik kunnen maken van FileSender2, heb je zekerheid dat een afzender is wie hij zegt dat hij is. Bij bestanden die je binnenkrijgt via andere diensten heb je geen enkele zekerheid over de afzender.
  • Bij FileSender krijg je geen reclame te zien en de interface is (mede daardoor) lekker rustig. 
FileSender wordt kostendekkend, dus niet gratis aangeboden: (bij SURF aangesloten) instellingen die gebruik willen maken van de dienst  betalen een bedrag van tussen de 750 en 3.000 euro per jaar3:
  • instellingen met meer dan 10.000 studenten en medewerkers betalen 3.000 euro per jaar,
  • instellingen zonder studenten betalen 750 euro per jaar,
  • overige instellingen betalen 1.500 euro per jaar.
Wil je zelf eens proberen hoe de dienst werkt? SURFnet heeft een (tweede) FileSender-implementatie waarop wordt doorontwikkeld. Die versie heeft dus geen beschikbaarheidsgaranties en hij is toegankelijk voor iedereen die een mailaccount heeft bij een bij SURF aangesloten instelling of een SURFguest-account4 heeft.De screenshot bij deze post is gemaakt van deze pilotversie van FileSender.

Nog veel meer informatie over FileSender is hier te vinden.

Noten
1 D.w.z.: de software van FileSender stelt geen beperking aan de grootte van de bestanden, maar sommige (versies van verschillende) browsers doen dat wel.
2 Gebruikers van FileSender kunnen wel anderen uitnodigen om bestanden op te halen èn om zelf bestanden te uploaden. Op die manier kan je (wederzijds) bestanden delen met mensen die geen abonnement hebben op FileSender.
3 Excl. opslag van SURFmarket en BTW (tarieven eind 2013).
4 Iedereen die dat wil kan zo'n account aanmaken, onafhankelijk of je wel of niet werkt bij of studeert aan een instelling voor hoger onderwijs. Het aanmaken van een SURFguest-account doe je bij de dienst Onegini.

woensdag 23 mei 2012

Ingeblikte docent

Gisteren vertelde ik over de TedTalk van Paul Andersen, een biologiedocent aan de Bozeman High School in de VS. Om zelfstandig werken bij zijn leerlingen te stimuleren, heeft hij heel veel videolessen gemaakt, waarin hij de leerstof uitlegt. Die lessen kunnen zijn leerlingen gebruiken als hij er zelf niet is om uitleg te geven: een soort 'ingeblikte docent' dus. En natuurlijk heeft hij van dat maken van die videolessen ook weer een videoles gemaakt. Een erg duidelijke uitleg, vind ik zelf.

Helaas werkt Paul alleen met een Mac en niet alle software die  hij gebruikt is ook beschikbaar voor een windows p.c. Daarom heb ik geprobeerd om - min of meer - gelijkwaardige equivalenten te vinden van de tools waarmee hij werkt: Keynote (een diapresentatieprogramma), Omnidazzle (een programma waarmee je aantekeningen kan maken op je scherm), en Screenflow: een programma waarmee je vast kan leggen wat op je scherm te zien is, inclusief de beelden die opgenomen worden door de (ingebouwde) webcam en de geluiden die opgenomen worden via de (ingebouwde) microfoon van je laptop.

Om soortgelijke screencasts te maken als Paul, maar dan op een windows p.c., kan je bijvoorbeeld gebruik maken van de volgende programma's:
Er zijn natuurlijk nog veel meer tools te vinden, maar met deze set zou je aardig in de buurt moeten kunnen komen van de lessen zoals Paul die maakt. De lessen die je maakt, kan je de leerlingen tevoren aanbieden zodat ze zich kunnen voorbereiden op de les, of achteraf, zodat ze de les kunnen gebruiken als naslagwerk. Voor jezelf is het handig om de les digitaal te maken, zodat je later kan kijken hoe je het de vorige keer hebt aangepakt.



Afbeelding van ednl, gepubliceerd onder CC-by.

woensdag 4 april 2012

Een sprookje schrijven en leren werken met Google Docs

Voor en met één van mijn opdrachtgevers, het DaCapo-college in Sittard, heb ik de afgelopen maanden een aantal lessen voor een nascholingscursus voor docenten ontworpen. Onze filosofie bij het ontwerpen is eenvoudig: 'teach as you preach', oftewel 'maak de les met de tools die je in de les behandelt'. Een les over Google Docs maken we dus met Google Docs, een les over zoeken, vinden en verzamelen laten we de cursisten zoeken, vinden en verzamelen we de resultaten in een gezamenlijke collectie enz. Een erg leuke klus om te doen omdat het me dwingt om heel precies de mogelijkheden èn de onmogelijkheden te verkennen van de (web 2.0-)tools die we aanbieden.

Eén van de lessen die we hebben gemaakt is ook bruikbaar voor de taalvakken: in het basis- of in het voortgezet onderwijs. In deze les schrijven leerlingen in groepen in Google Docs een verhaal (een sprookje), verbeteren elkaars (met opzet gemaakte) schrijffouten en overleggen (ook weer in Google Docs) hoe ze het verhaal zo leuk mogelijk kunnen  maken.

Ik heb de les iets aangepast voor jullie en online gezet. Je kan hem downloaden als Word-bestand of in Google Docs bekijken (en kopiëren voor eigen gebruik). Mocht je hem gaan gebruiken, dan stel ik het op prijs als je laat horen wat de resultaten ervan waren.

Afbeelding van cod_gabriel, gepubliceerd onder CC-by-nc-nd.

woensdag 7 maart 2012

Interactie in de klas door te stemmen

Tijdens de uitleg van de leerstof stellen veel docenten hun leerlingen vragen: om een beeld te krijgen of de stof goed begrepen wordt door de leerlingen en om actief leren te stimuleren. Een tool die daarbij uitstekend gebruikt kan worden is GoSoapBox (beschreven in dit blog op 15 november). Met deze tool kan je groepen leerlingen (anoniem) verschillende soorten vragen stellen: polls, discussies en quizzen. Daarnaast kunnen leerlingen ook zelf vragen stellen. Een prachtige tool maar helaas moet je er sinds kort wel voor betalen. Niet heel veel ($ 15 per maand of $ 90 per jaar voor 100 gelijktijdige gebruikers), maar het is wel geld dat op veel scholen niet voorhanden is. Daarom hier een paar alternatieven voor GoSoapBox: gratis tools die je kan gebruiken om groepen leerlingen vragen te stellen, waarbij ze antwoord kunnen geven vanaf een laptop of p.c. of vanaf een mobiel device (telefoon of tablet) zonder dat betaald moet worden voor het versturen van een SMS-bericht.

Een tool die door Willem Karssenberg/Trendmatcher is getest, is Mentimeter. Eenvoudiger dan met Mentimeter stemmen, kan bijna niet. Je voert een vraag in met daarbij de antwoorden die gegeven kunnen worden. Mentimeter geeft je de URL die leerlingen moeten intypen op hun device (laptop, p.c. of mobiel device) om antwoord te kunnen geven.

Poll Everywhere doet precies wat de naam belooft: je maakt er polls mee waar je op kan reageren met elk (mobiel) device waarop je internet hebt. Je kan multiple choice- en open vragen stellen. Na het maken van de  vraag, krijg je één of meer codes en de URL van de antwoordenpagina van PollEverywhere. Stel je een multiplechoicevraag, dan krijgt elk antwoord een eigen code en hoeven de leerlingen alleen de code van het antwoord dat ze willen geven in te voeren op die webpagina. Stel je een open vraag, dan moeten de leerlingen op die webpagina de code invullen, gevolgd door hun antwoord. Handig van PollEverywhere is dat je vragen kan groeperen en dat je de gemaakte polls als PowerPoint-dia's kan downloaden zodat je ze in je presentatie kan invoegen. Op de dia staat de vraag, richtlijnen hoe je de vraag moet beantwoorden. Als de antwoorden binnenkomen krijg je live de resultaten te zien. PollEverywhere is gratis zolang je niet meer dan 40 antwoorden krijgt op een vraag.

Urtak is een tool waarmee je ja/nee-vragen kan stellen. Net als Mentimeter werkt het heel eenvoudig (vragen aanmaken en URL geven aan de leerlingen), maar de mogelijkheden zijn beperkt. Een aardige toevoeging is dat leerlingen zelf (ja/nee-)vragen toe kunnen voegen aan een door jou gemaakte Urtak. Daarvoor moeten ze wel een account aanmaken bij Urtak. Wanneer je die vragen goedkeurt, verschijnen ze in jouw Urtak en kan iedereen daarop reageren.

Met Pinnion kan je niet alleen polls maken, maar ook open vragen stellen en leerlingen vragen kan laten beantwoorden op een schaal (zoals bijvoorbeeld bij een stelling: geef aan in hoeverre je het eens bent met de volgende stelling: 'Mensen kunnen niet leven zonder dieren'). Bij Pinnion maak je eerst een kanaal aan, en vervolgens plaats je vragen naar keuze in dat kanaal. Je kan in je vragen - beperkt - gebruik maken van afbeeldingen. Je kunt tests/vragen/polls die je maakt met Pinnion live laten beantwoorden via een URL, maar ook, zoals hieronder, embedden in een blog of website.Als je de vragen voorlegt in een 'live-sessie', dan kan je de vragen op dat moment niet wijzigen. Pinnion is nog in een beta. De software heeft nog wat foutjes maar die stoorden mij bij het testen niet. Pinnion is nu nog gratis; ik weet niet of dat zo blijft.

Tools waar ik al eerder over schreef en die je ook kan gebruiken voor het stellen van vragen zijn Socrative (lees hier mijn blogpost) en Tricider (beschreven in deze blogpost). Socrative is nog steeds in beta en (dus) nog gratis, maar het zou me niet verbazen als dat verandert na de betafase. Van Tricider verwacht ik dat het voorlopig gratis blijft. In ruil daarvoor krijg je wel reclame te zien, wat natuurlijk storend kan zijn maar door leerlingen vaak niet eens opgemerkt zal worden.






dinsdag 6 maart 2012

Websites en andere bronnen verzamelen en verwerken

Na gisteren geschreven te hebben over zoeken en vinden op het web, vandaag een blogpost over hoe je de informatie die je vindt zo kan bewaren dat je daarmee een stuk kan schrijven, bijvoorbeeld een artikel, een werkstuk of een scriptie.

Als je een website hebt gevonden die je wilt bewaren, zal je die als regel opslaan bij de favorieten op je computer. Dat heeft als nadeel dat je alleen in die browser op die p.c. toegang hebt tot die collectie. Als je met meer browsers werkt (bijv. Internet Explorer en Chrome) of op verschillende p.c.'s, dan heb je allerlei verschillende collecties met favorieten. Veel handiger is het daarom om je favorieten online te bewaren. Daarvoor zijn verschillende manieren.

Werk je graag met de favorieten van je browser, dan kan je deze collectie online opslaan. Als je dan een andere computer gebruikt, kan je je favorietencollectie op die computer synchroniseren met  dit online bestand. Dat doe je bijvoorbeeld met de tool Xmarks. Je maakt een (gratis) account aan bij Xmarks en installeert het programmaatje in de browser op je eigen computer. Vervolgens sla je de favorieten op je computer op in de cloud met behulp van Xmarks. Werk je op een andere computer, dan installeer je Xmarks in de browser van die computer en zet je de favorieten over. Vanaf dat moment zijn jouw favorieten op die computer opgeslagen. Een nadeel van dit systeem is dat je op die andere computer de rechten moet hebben om het programma te installeren. En als je maar een enkele keer op die andere computer werkt is het misschien niet handig dat jouw favorieten op die computer staan: de eigenaar van die computer wil daarop misschien liever zijn eigen collectie handhaven. 

Daarom is het soms handiger om (ook) je favorieten op te slaan met behulp van een dienst als Diigo, YURLS of Symbaloo. Ik werk zelf met Diigo omdat ik met die tool een korte beschrijving kan maken bij de favorieten die ik opsla, ik er trefwoorden aan kan geven zodat ik ze makkelijk terug vindt en omdat ik van de meeste informatieve sites een soort screenshot kan maken die ik kan opslaan, zodat ik de informatie terug kan vinden ook als die pagina inmiddels offline is gehaald.

Een heel ander type tools om favoriete websites op te slaan zijn online annotatietools als Mendeley en Zotero. Deze tools zijn speciaal gemaakt om bronnen te verzamelen voor het schrijven van wetenschappelijke stukken. Met Mendeley en Zotero kan je niet alleen webpagina's online opslaan, maar ook beschrijvingen (metadata) maken en opslaan van deze pagina's en van documenten, tijdschriftartikelen en andere bestanden. Als je op je p.c. de stand-alone versies van deze programma's installeert kan je ook de bestanden zelf van je computer uploaden naar de cloud zodat je niet alleen de beschrijvingen maar ook de bestanden zelf op andere computers kan bekijken. Werken met Mendeley en Zotero vraagt meer voorbereiding dan werken met Diigo, YURLS of Symbaloo: je moet de lokale programma's op je computer installeren èn de browserextensies en het kost tijd om je het werken  met deze tools eigen te maken. Daarom worden ze zelden gebruikt om alleen webpagina's op te slaan. Werken met Mendeley en/of Zotero gaat pas wat opleveren als je gebruik gaat maken van de outputmogelijkheden. Als je namelijk de met deze tools verzamelde bronnen wilt verwerken in een wetenschappelijk document, dan hoef je daar bijna niets meer voor te doen. Met één klik op de knop zet je een literatuurverwijzing in een document (beide programma's hebben daarvoor add-ons voor verschillende tekstverwerkers) en maak je een literatuuropgave van alle gebruikte bronnen.

Een voordeel van zowel tools als Diigo, Symbaloo en YURLS, als van Mendeley en Zotero, is dat ze uitstekende mogelijkheden bieden om favorieten te delen. Bij Symbaloo en YURLS kan je de favorieten die anderen verzameld hebben bekijken en overnemen in je eigen collectie. Bij Diigo, Mendeley en Zotero kan je groepen vormen en gezamenlijk een collectie opbouwen.

Zo heeft elke tool zijn eigen voor- en nadelen. Daarom is het handig om steeds te kijken wat je waarvoor gebruikt. Zelf gebruik ik Xmarks om mijn persoonlijke favorieten in alle browsers (ik gebruik zowel Internet Explorer als Firefox, Chrome en Safari) op alle devices die ik gebruik te synchroniseren. Als ik een verzameling favorieten maak in het kader van een cursus of workshop die ik geef, maak ik gebruik van Diigo en YURLS. En als ik een artikel moet schrijven waarin ik literatuur verwerk, dan maak ik het liefst gebruik van Mendeley.

Ik vind deze toolset handig, maar ik kan me voorstellen dat niet iedereen met zoveel tools wil werken. Dat hoeft gelukkig ook niet. Met alleen Diigo en de bibliografische mogelijkheden van een tekstverwerker (bij Word te vinden onder 'Verwijzingen' → 'Citaten en bibliografie') kom je al een aardig eind in dezelfde richting.



Afbeelding van Judy **, gepubliceerd onder CC-by-nc-nd.

dinsdag 7 februari 2012

IFTTT: een tool om de computer voor je laten zoeken

We leven in een informatiemaatschappij. Dat betekent dat we toegang hebben tot steeds meer informatie. Op zich is dat natuurlijk prettig, maar het kan ook lastig zijn. Er komt via Twitter, Facebook en andere sociale software heel veel informatie op je af en om informatie te vinden over een bepaald onderwerp moet je over behoorlijk wat zoekvaardigheden beschikken om de naald in de hooiberg te kunnen vinden.

Natuurlijk zijn er al allerlei gereedschappen om informatie te filteren: je kunt je via RSS-feeds op de hoogte laten houden van nieuwe posts in de blogs die je wilt volgen of tweets van mensen die je wilt volgen (alhoewel dat laatste sinds kort niet meer zo heel eenvoudig is) en door middel van een zoekalert kan je je laten informeren als er nieuwe informatie op het web verschijnt die voldoet aan een bepaalde zoekterm. Maar het werken met RSS-feeds en zoekalerts is niet heel eenvoudig en om de informatie die je hiermee binnenhaalt te bekijken zal je - als regel - gebruik maken van speciale software zoals een RSS-reader, of bepaalde sites moeten bezoeken (bijv. Twitter). Geen probleem voor wie zich thuis voelt op het web, maar als je weinig gebruik maakt van internet zijn het allemaal extra drempels die de toegang tot informatie bemoeilijken.

Al weer een hele tijd geleden schreef ik eens over Yahoo Pipes: een tool waarmee je nieuwsberichten uit verschillende bronnen kan combineren tot één RSS-feed. Een prachtige tool, vind ik nog steeds, maar wel een die behoorlijk wat kennis vraagt van de gebruiker. Om de tool te leren kennen moet je wat verstand hebben van programmeren en RSS, en is daarom niet echt geschikt voor beginnende social-web-gebruikers. Een tool die daarvoor volgens mij veel beter geschikt is, is IFTTT, oftewel 'If This Than That'.

Met IFTTT kan je 'taken' samenstellen op basis van het commando: als dit gebeurt, doe dan dat, bijv:
  • als er een tweetbericht met daarin het zoekwoord .... verschijnt, stuur me dan een mailtje,
  • als op het blog .... een nieuw bericht verschijnt,  sla de link daarvan dan op bij mijn online favorieten op Diigo,
  • als het morgen regent in mijn woonplaats, stuur me dan een mailtje,
  • Als iemand mijn naam noemt op Twitter, stuur me dan een mailtje, enz.
Deze taken zijn heel makkelijk zelf te maken, maar je kan ook gebruik maken van een uitgebreide bibliotheek van door anderen gemaakte taken.

Het enige nadeel is dat je de dienst IFTTT toegang moet geven tot de diensten waar je in je taken gebruik van maakt. Wil je bijvoorbeeld dat IFTTT je een seintje geeft als er een tweet verschijnt van één van jouw volgers, dan moet IFTTT natuurlijk weten wie die volgers zijn en daarvoor moet je de dienst toegang geven tot jouw Twitteraccount. Als je dus IFTTT gebruikt om voor jou de informatie van alle (of heel veel) diensten waar jij gebruik van maakt te stroomlijnen, dan heeft IFTTT een prachtig overzicht wie jij bent, wat je doet en met wie je contacten hebt. Daar mogen ze natuurlijk geen misbruik van maken, maar voor wie privacy een groot goed is, is het zaak om op te letten waar je dit soort diensten toegang toe geeft.

De tool IFTTT is  overigens nog in bêta, maar is uitstekend te gebruiken. En ik denk dat het voor beginners op het gebied van social software een prachtige manier is om op de hoogte te blijven omdat het een alternatief biedt voor het installeren van RSS-readers en Twitterclients. En dát, is mijn ervaring, is juist voor veel mensen een drempel die ze maar heel moeilijk slechten!

p.s. Bij het schrijven van deze blogpost ontdekte ik dat ook Willem Karssenberg/Trendmatcher deze tool heeft ontdekt. Lees hier zijn blogpost.


maandag 30 januari 2012

Audiotours maken: leuk en leerzaam!

Veel musea bieden het aan: een audiotour. Een soort 'ingeblikte' gids die je in het museum vertelt wat je daar kan zien. Handig, want deze gids vertelt zijn verhaal in het tempo dat jij wilt, zodat je nooit op een groep hoeft te wachten en het verhaal net zo vaak kan beluisteren als je wilt. Je kunt de gids alleen geen vragen stellen, maar gelukkig zijn er in de meeste musea suppoosten bij wie je je vragen kwijt kan. Audiotours in musea werken vaak met codes: je houdt je audio-apparaat bij een speciaal merkteken in het museum, die ervoor zorgt dat het audiobestand op het juiste punt begint met afspelen.

Er zijn ook audiotours voor buiten. Die werken als regel niet met zo'n markeerpunt, maar maken gebruik van GPS: het systeem dat ook door je TomTom (of een ander routesysteem) wordt gebruikt. Het maken van zo'n audiotour was een tijd lang voorbehouden aan experts, maar er komen steeds meer programma's waarmee leken audiotours kunnen maken, zoals Mscape/Create-a-Scape, GPS Mission (beide van een handleiding voorzien door Fontys PTH Educatieve Dienstverlening, en ARIS, alhoewel die laatste nog niet helemaal zonder bugs lijkt te zijn.

Een tool die ik onlangs ontdekte is Geotrio. Daarmee maak je op je iPhone of iPad (helaas is er nog geen Geotrio-app voor Android) in een handomdraai je eigen audiotour. Het is niet moeilijker dan het apparaat aanzetten en de route lopen (of fietsen/rijden: dat maakt niks uit). Op de plekken waar je wilt dat de gebruikers van jouw audiotour iets bekijken en te horen krijgen, sta je stil en je drukt op de opnameknop. Heb je je tekst ingesproken, dan loop je weer verder. Simpeler kan het echt niet. Ben je klaar met je tocht, dan zorg je dat je mobiele device toegang heeft tot internet, zodat je tocht geüpload kan worden naar de servers van Geotrio. Je kan dan op een p.c. nog een aantal veranderingen aanbrengen in de tour: een plaatje toevoegen dat getoond wordt bij de start, of een plaatje bij een 'halteplaats' (standaard krijg je bij een halteplaats een foto van die plek uit Google Maps), je geluidsopname vervangen door een andere opname en je route verleggen.

Nadat je eventuele wijzigingen hebt aangebracht, moet je je tour aanbieden ter review. Pas nadat de tour is goedgekeurd wordt deze voor andere gebruikers zichtbaar. Als je je tour plaatst in de categorie 'Casual Tours' is de review beperkt. Bij mij zaten er exact 3 minuten tussen het aanbieden en het goedkeuren van mijn tour. Door je tour in de categorie 'Casual Tours' te plaatsen, kan je er geen geld voor vragen als mensen je tour lopen, maar dat zal voor gebruik in het onderwijs vermoedelijk geen probleem zijn.


Als je een tour (van iemand anders) loopt, kan je tevoren en tijdens het lopen op de kaart zien hoe je moet lopen. Je kan ook tevoren de geluidsbestanden beluisteren, en de extra plaatjes bekijken. Dat maakt een tour wel minder spannend, maar als je ervoor zorgt dat het geluidsbestand en het toegevoegde beeld pas echt waarde krijgt als je op de locatie zelf bent (bijvoorbeeld doordat je op de plek zelf iets moet bekijken of doen, of omdat het plaatje iets toevoegt aan de locatie die de gebruiker gaat bekijken), dan blijft de tocht interessant.

Wat kan je doen met Geotrio? Je kunt natuurlijk zelf een audiotour maken: over kunst in de regio, over dieren of planten in de omgeving, over architectuur, over de infrastructuur of de geschiedenis van een plaats enz. Je kan ook je leerlingen - in groepjes - een audiotour laten maken. Laat ze informatie opzoeken en tevoren de route voorbereiden, bijvoorbeeld met Google maps. Ze kunnen in de route opdrachten verwerken die onderweg gemaakt moeten worden: op een papiertje of op de iPhone of iPad: die hebben ze toch bij de hand. Een opdracht kan zijn om een foto te maken, een filmpje, bijvoorbeeld van een rollenspel dat ze spelen, een vraag beantwoorden en insturen (via SMS of internet), maar ook het oplossen van een rebus waarbij ze op de locatie zelf de beelden zien en in de plaatjes in de tocht zien welke letters vervangen moeten worden (bijv. in het geluidsbestand krijgen ze de opdracht te kijken van wie het standbeeld is dat staat op punt X en in het plaatje op die locatie zien ze welke letters vervangen moeten worden).

Wat leerlingen leren van het maken van een audiotour is afhankelijk van het onderwerp van de tocht. Daarnaast kan je ze mediawijzer maken, bijvoorbeeld door met ze praten over hoe je informatie op internet zoekt en beoordeelt, of je voor het maken van een account bij Geotrio nu wel of niet je echte naam opgeeft of niet en of het nu wel of geen goed idee is dat je bij Geotrio verplicht bent om jouw tocht te uploaden naar de server van Geotrio.

Leerlingen in het basisonderwijs zullen bij het bedenken van zo'n tocht zeker wat hulp nodig hebben, bijvoorbeeld door het hele proces in stukken te hakken: eerst bedenken wat je wilt laten zien, dan de route uitstippelen, dan vragen bedenken, teksten uitschrijven die ze kunnen inspreken en het benodigde beeldmateriaal maken of zoeken. Maar met die hulp en natuurlijk de benodigde apparatuur kunnen leerlingen al vanaf groep 6 hun eigen tours maken. Leuk voor de les en ook bijvoorbeeld om je ouders uit te nodigen om jouw tocht te lopen. En misschien is er ook wel een afspraak te maken met de VVV uit de omgeving, het gemeentehuis of de bibliotheek: zij zullen het vast handig vinden als leerlingen een Geotrio-tocht maken over de plaats en wat daar allemaal te doen is.





maandag 23 januari 2012

Fakebook

Meestal als je iemand hoort zeggen dat iets 'fake' is, dan wil hij daarmee zeggen dat hij het minder waardevol vindt dan het origineel. Maar Fakebook van Classtools is voor het onderwijs misschien nog wel leuker dan het 'echte' Facebook.

Fakebook is een website waarmee je 'net echte' Facebookprofielen kan maken. Maar in tegenstelling tot Facebook is het bij Fakebook niet de bedoeling om je eigen leven in kaart te brengen, maar juist het leven van anderen. Van historische figuren of hedendaagse kunstenaars, van politici of uitvinders, van schrijvers of van wetenschappers enz. Door het leven van die personen vast te leggen in Fakebook, kan je leren over die persoon en over het tijdperk en de cultuur waarin die persoon leeft of leefde. Je kan dat natuurlijk ook doen door een profiel te maken in het echte Facebook, maar dat is door Facebook formeel verboden. Daarnaast geldt er voor Facebook een leeftijdsgrens van 13 jaar, dus leerlingen in het basisonderwijs mogen er geen gebruik van maken.

Fakebook kent die beperkingen niet: de enige beperking die daaraan zit is dat het alleen bestemd is voor onderwijskundige doeleinden. Verder mag iedereen die dat wil met Fakebook een profiel aanmaken van iedereen die hij wil. En op dat profiel kan je behoorlijk wat informatie kwijt:
  • in het profiel zelf geef je een beschrijving in feiten van je leven, bijv. je geboortedatum, opleiding, werk, hobby's, burgerlijke status enz., en je zet bij je profiel een foto,
  • je kunt posts plaatsen bij je profiel over wat je hebt gedaan. 
  • In een post kan je YouTube-filmpjes embedden
  • bij die posts kan je comments plaatsen: van jezelf of van andere (imaginaire) figure,
  • bij een comment kan je een duimpje omhoog (like) of omlaag (dislike) zetten,
  • je kan ook aangeven wie je vrienden zijn en ook van hen kan je een foto online zetten. 

Foto's voor je eigen profiel of de profielfoto's van je vrienden kan je uploaden vanaf je eigen p.c. of automatisch laten zoeken door Google Image Safe Search. Daarmee loop je heel weinig risico dat je beelden krijgt die je liever niet wilt laten zien aan kinderen, maar het voegt natuurlijk wel wat toe als je leerlingen zelf plaatjes laat zoeken, zeker als je ze vraagt om een beeld te kiezen dat past bij het imago dat ze die persoon willen geven.

Om met Fakebook te kunnen werken heb je geen kennis nodig van HTML of dat soort zaken: je werkt gewoon met een tekstverwerker en als je een filmpje in een post wilt plakken, dan hoef je alleen de URL van het filmpje in je post te zetten. Als je een Fakebookprofiel hebt gemaakt, kan je dat opslaan in het archief zodat anderen er gebruik van kunnen maken, en/of opslaan op je eigen p.c.

Wil je dat leerlingen op elkaars profielen reageren? Embed dan de profielpagina's in een site of weblog zodat ze daarin hun reactie kunnen plaatsen. Daarmee creëer je de mogelijkheid om een rollenspel te spelen. Je kan je leerlingen de opdracht geven Fakebookprofielen te maken van historische figuren uit een bepaalde historische periode en die op elkaar laten reageren, of je kan leerlingen een rollenspel laten spelen waarbij ze een bepaald probleem toelichten vanuit het leven van hun profielpersoon (bijv. de vraag of we moeten vasthouden aan de Euro, gezien vanuit een ondernemer, een bank, de Nederlandse bank, een multinational, een pensionado die de winter doorbrengt in Spanje enz.).

Er zijn al heel wat Fakebooks gemaakt. Een deel daarvan is terug te vinden in het archief. Ook als je niet door je leerlingen een Fakebookprofiel wilt laten maken, is het leuk om er eens een kijkje te nemen. Misschien vind je er wel een profiel van iemand over wie jij net wat wilt gaan vertellen in de les.



View Fullscreen | Create your own


N.B. Je kunt natuurlijk ook met andere sociale media een (historische) periode in kaart brengen. Kijk maar eens wat Alwyn Collinson doet met haar Twitteraccount RealTimeWWII. Zo uitgebreid is misschien niet haalbaar, maar wat let je om een poging te wagen met je leerlingen?

maandag 5 december 2011

Educaplay: maak interactieve leeractiviteiten

logo Educaplay
Er zijn heel veel tools op het web te vinden waarmee je opdrachten kan maken. Tools om kruiswoordpuzzels te maken, een quiz, om woorden in de juiste volgorde in een zin te zetten, en programma's als Hotpotatoes waarmee je allerlei verschillende activiteiten kan maken, zoals multiple choice vragen en gap fill exercises. Op de website Educaplay kan je niet alleen die oefeningen maken, maar nog veel meer. Er zijn maar liefst 11 verschillende interactieve oefeningen die je kan maken:
  1. raadsels,
  2. quizzen (met verschillende antwoordvormen),
  3. kruiswoordpuzzels,
  4. woordzoekers,
  5. dialogen,
  6. dictee,
  7. gap fill oefeningen,
  8. begrippen/woorden groeperen,
  9. woorden in de juiste volgorde in een zin zetten,
  10. met letters een woord vormen,
  11. dingen aanwijzen op een afbeelding/kaart.

Al deze oefeningen zijn interactief: je speelt ze op de computer of laat ze maken op het digibord. Waar nodig kan je in de oefeningen gebruik maken van afbeeldingen en geluidsbestanden.

De gemaakte oefeningen kan je samenvoegen tot collecties, bijv. voor verschillende vakken. Je kan ook groepen maken die je vervolgens uitnodigt om de oefeningen in één of meer collecties te maken. Je kunt de oefeningen, zoals je hieronder ziet, ook embedden in een website en ze exporteren als SCORM-pakket zodat je ze in de ELO kan plaatsen.

Het enige nadeel dat ik kan bedenken bij Educaplay is dat de tool ontwikkeld is door een Spaanse organisatie, Adrformacion, en dat de handleidingen en sommige teksten (nog) niet vertaald zijn in het Engels. Maar dat hoeft je er niet van te weerhouden om Educaplay te gebruiken: met een beetje oefenen en uitproberen kom je een heel eind.


woensdag 30 november 2011

Discussiëren of vergaderen met Tricider

Een tijdje geleden schreef ik over de tool Soapbox, een programma waarmee je - tijdens de les - leerlingen anoniem met elkaar kan laten brainstormen of discussiëren. Een andere tool die zich hiervoor leent is Tricider. Deze tool is minder breed inzetbaar dan Soapbox, waarmee je niet alleen kunt discussiëren met leerlingen maar ze ook kan stimuleren om vragen te stellen, maar biedt voor het discussiëren wel meer mogelijkheden.

Zo kan je met Tricider niet alleen mensen laten reageren op een stelling of input laten leveren bij een brainstorm; je kan ze ook vragen bij elk punt - indien gewenst - plus- en minpunten te benoemen, of hun argumenten te motiveren enz. Tot slot kan je de leerlingen vragen om hun stem uit te brengen op de zaken die naar voren zijn gebracht. In tegenstelling tot een poll waarbij je als regel maar één stem kan toekennen, kan bij Tricider elke leerling een stem uitbrengen op elk punt dat is ingebracht. Daardoor krijg je een beeld in welke argumenten of voorstellen alle leerlingen zich kunnen vinden, welke door een paar leerlingen ondersteund worden en welke de leerlingen totaal niet van belang vinden.

Als je het leuk vindt om eens te kijken wat het is, dan kan je hier via Tricider meedenken over mediawijsheid. 

Tricider kan je inzetten in discussies en brainstorm, maar is ook handig bij een vergadering waarbij je snel meningen wilt peilen. Bijvoorbeeld bij een evaluatie van een project: wat ging er goed, wat waren knelpunten en hoe zou je het project willen verbeteren? Met het gebruik van een tool als Tricider voorkom je dat sommigen veel te lang het woord voeren en anderen niet aan bod komen, terwijl toch iedereen kan zeggen wat hem op het hart ligt. Uit ervaring kan ik je vertellen dat zo'n aanpak héél veel tijd kan schelen en bij de aanwezigen als regel leidt tot grotere tevredenheid over de genomen besluiten.


dinsdag 15 november 2011

Brainstormen en vragen stellen

screenshot Soapbox
Wie wel eens met een klas heeft gebrainstormd of gediscussieerd, zal het herkennen. Na het starten van de brainstorm en de eerste reacties valt de klas stil. Je vermoed dat er nog wel goede ideeën zijn, maar niemand doet meer zijn mond open. Het is ook niet niks: je weet zelf niet of je idee iets toevoegt aan wat de anderen al gezegd hebben of misschien helemaal niet bruikbaar zijn en - misschien nog wel het moeilijkste voor leerlingen: het idee kan 'stom' gevonden worden door de klas.

Om leerlingen te stimuleren om toch hun ideeën naar voren te brengen kan het handig zijn om een anonieme brainstorm of discussie te organiseren waaraan iedereen kan bijdragen zonder dat iemand weet wie wat gezegd heeft. Daarvoor kan je gebruik maken van Soapbox, een nieuwe tool die nog in beta is maar waarvoor je je al wel kan aanmelden. Soapbox is een webbased programma en dus ook toegankelijk via telefoons, tablets en andere devices die toegang bieden tot internet. Met Soapbox maak je een discussieruimte aan waar je je leerlingen d.m.v. een code toegang toe geeft. In de ruimte kunnen leerlingen anoniem hun ideeën invoeren. Nadat de ideeën zijn ingebracht kan je ze in Soapbox in een poll stoppen om in kaart te brengen hoe de meningen over dat onderwerp verdeeld zijn in de klas, of wat de leerlingen het beste idee vinden.

Soapbox kan je niet alleen gebruiken om leerlingen te stimuleren ideeën naar voren te brengen tijdens een brainstorm of discussie: het kan ook gebruikt worden om leerlingen tijdens of na de les anoniem vragen te laten stellen. Leerlingen die met dezelfde vraag zitten kunnen dat aangeven door op die vraag te klikken. Een tellertje houdt bij hoeveel leerlingen op een vraag klikken, waardoor je snel in de gaten hebt of een vraag die gesteld is bij veel leerlingen leeft en door jou beantwoord moet worden, of dat het een vraag is die bij een enkele leerling leeft en die dus door de groep beantwoord kan worden.

Je kunt deze optie ook gebruiken voor het geven van antwoorden, bijvoorbeeld op de vraag; 'wat doe jij om veilig te internetten?'. Deze vraag stel je mondeling of via het blokje dat bedoeld is voor aankondigingen (announcements). Je laat leerlingen de vraag beantwoorden via het vragenblok. Als ze in een antwoord van een medeleerling zien een methode zien die zij ook toepassen, dan geven ze die een extra punt. Op die manier breng je snel in kaart wat leerlingen doen op het gebied van veilig internet (en wat zij hieronder verstaan) en hoe vaak dat gedrag wordt toegepast in jouw klas.De tool is hier weliswaar niet voor ontworpen, maar leent zich er prima voor.

Werken met Soapbox betekent dat je leerlingen tijdens de les toegang moet geven tot internet, via hun mobiele telefoon, een tablet of laptop/computer. En je moet erop vertrouwen dat ze geen misbruik maken van de anonimiteit en de tool gebruiken waarvoor die bedoeld is. Durf je dat (nog) niet aan dan kan je ervoor kiezen om de vragen die leerlingen stellen alleen te laten tonen op je eigen p.c., maar daarmee verlies je een heleboel interactiemogelijkheden waardoor de tool volgens mij enorm in waarde inboet. En dat is toch wel erg jammer!


maandag 14 november 2011

Talen spreken met Intervue

screenshot intervue Nik Peachey
Wie een taal wil leren spreken moet oefenen. Heel veel oefenen. En dat is is best lastig in een klas want je kan onmogelijk alle leerlingen in een lesuur aan het woord laten komen. Om ze toch te laten oefenen kan je leerlingen de opdracht geven een filmpje te maken waarin ze iets vertellen of reageren op een vraag of een discussie.

Een handige tool daarvoor is Intervue.me. Hier kan je, na het aanmaken van een - gratis - account, een 'intervue' aanmaken waarin je een aantal vragen stelt of stellingen poneert. Je geeft vervolgens aan of jouw interview op de openbare pagina van de site mag worden geplaatst of alleen zichtbaar is voor wie de link heeft, of alleen mensen mogen reageren die een account hebben op de site of iedereen, en of mensen mogen reageren op de video's die worden geplaatst als reactie op jouw interviewvragen.

Als je dat hebt gedaan, stuur je je leerlingen de link naar jouw interviewvragen. De leerlingen kunnen daarmee jouw vragen bekijken en op elke vraag reageren door met behulp van een webcam een antwoord op te nemen van maximaal 60 seconden. Als je hebt aangegeven dat iedereen mag reageren op je interview hoeven je leerlingen hiervoor geen eigen account aan te maken.

Je hoeft als docent niet alle videoreacties van alle leerlingen op alle vragen te bekijken en te beluisteren. Vaak is een kort fragment genoeg om je een indruk te geven wat een leerling ervan heeft gemaakt. Je kan natuurlijk ook aan de leerlingen vragen om elkaar feedback te geven. Dat werkt prima, zeker als je leerlingen ook beloont voor het geven van goede feedback, zoals bijvoorbeeld gedaan wordt in dit project. Om je leerlingen op elkaar te kunnen laten reageren (door middel van geschreven tekst), moet je bij de instellingen hebben aangegeven dat er gereageerd mag worden op de video's. Om te kunnen reageren op een video moeten de leerlingen wel een eigen account aanmaken bij Intervue.

Vind je het leuk om eens te kijken hoe je Intervue.me kan gebruiken? Nik Peachey, een Engelse blogger, heeft een intervue gemaakt waarin hij je mening vraagt hoe 'digitaal' jouw onderwijs is. Het interview is openbaar, dus je kunt de videoantwoorden van iedereen bekijken en je kan er zelf ook op reageren.Veel succes!

dinsdag 8 november 2011

Tijdlijn als digibordles

logo CapzlesMet de tool Capzles kan je tijdlijnen maken. Tijdlijnen zijn natuurlijk allereerst bedoeld om een periode uit de geschiedenis weer te geven, bijv. over het leven van Barack Obama, of van Anne Frank, de geschiedenis van de moderne kunst, van de plaats waar je woont, van je eigen school of natuurlijk je eigen geschiedenis. Maar omdat je in een Capzle allerlei documenten kan opnemen, kan je Capzle ook gebruiken om informatie over een onderwerp bij elkaar te zetten: documenten, geluidsbestanden en filmpjes. Op die manier kan je Capzles inzetten als een digitale les die je op het digibord kan tonen of als een soort ELO waarin je alle materialen over een onderwerp bij elkaar aanbiedt.

Je kunt Capzles gebruiken om zelf een les of een handleiding te maken, maar je kan natuurlijk ook je leerlingen Capzles laten maken, individueel of in groepjes. Leerlingen kunnen een werkstuk maken in de vorm van een Capzle en/of een spreekbeurt geven aan de hand van een Capzle, maar je kunt ook een klas samen laten werken aan één Capzle waarin verschillende aspecten van één onderwerp aan de orde komen (bijv. een Capzle over verschillende stijlen in de kunst of over verschillende aspecten van de Middeleeuwen). Je kunt Capzle ook gebruiken als een portfolio, waarin leerlingen gedurende het schooljaar de resultaten van hun werk verzamelen of als een leesdossier waarin leerlingen vertellen wat ze lezen en wat hun mening is daarover. En natuurlijk kan je Capzles ook gebruiken om een heel nieuw verhaal te schrijven.

Tot slot een paar praktische tips als je een Capzle maakt:
  • Capzles werkt het best in Internet Explorer,
  • Zet eerst alle bestanden die je in de Capzle wilt gebruiken in een mapje op je p.c. bij elkaar,
  • bedenk welke elementen je apart wilt weergeven in de tijdlijn en welke als groep. Zet de elementen die je als groep wilt weergeven in submapjes bij elkaar op je p.c.
  • je kunt zowel achtergrondmuziek in je Capzle zetten als filmpjes met daarin muziek. Als de muziek in het filmpje speelt, houdt de achtergrondmuziek op met spelen,
  • je kunt in een Capzle geen materialen embedden: je moet alle bestanden uploaden naar Capzle. Zorg er daarom voor dat je alleen eigen materialen gebruikt of materiaal dat onder een Creative Commons licentie gepubliceerd is. Voorzie je Capzle van een document waarin je de gebruikte bronnen vermeldt.
  • URL's in een document in een Capzle zijn niet aanklikbaar. Als je links wilt opnemen in je Capzle (bijv. om leerlingen meer bronnen te bieden over het onderwerp) kan je daarom het beste een korte URL aanmaken die makkelijk te onthouden en over te typen is, en die tonen in een document. Voor onderstaande Capzle heb ik korte URL's aangemaakt met Bit.ly, en die verzameld in een bundel zodat gebruikers alle URL's in één overzicht kunnen bekijken. Om het nog makkelijker te maken heb ik van die bundel ook weer een korte URL aangemaakt, dit keer met TinyURL .
Hieronder een heel simpele Capzle die ik heb gemaakt om te laten zien wat er met Capzles mogelijk is.







dinsdag 1 november 2011

Mindmappen met Spiderscribe

Omdat mindmaps toch wel erg handig zijn, vandaag weer eens een tool waarmee je die kan maken: Spiderscribe. Het aardige van Spiderscribe is dat je in de mindmaps die je hiermee maakt niet alleen teksten en plaatjes kan verwerken, maar ook bestanden. Die functionaliteit zit weliswaar ook in andere mindmaptools voor op het web, maar vaak heb je daarvoor dan een betaald account nodig, zoals bijv. bij Mindmeister, de tool waar ik meestal mindmaps mee maak.

Een paar andere extra's die Spiderscribe biedt, zijn de mogelijkheid om een kaartje toe te voegen en de mogelijkheid om een kalender aan de mindmap te hangen waar je een aantekening op kan schrijven.

Wat zijn verder de mogelijkheden van Spiderscribe?
  1. Als je in een blokje van je mindmap een URL opneemt, dan wordt die vanzelf aanklikbaar,
  2. Je kunt elk element in de mindmap verbinden met net zoveel andere elementen als je wilt,
  3. Spiderscribe kan je gebruiken in je eentje, maar je kan ook anderen uitnodigen om een bijdrage te leveren aan je mindmap. Daarbij heb je dan de keuze om de mindmap openbaar te maken voor iedereen, alleen voor degenen die je een uitnodiging stuurt of voor iedereen met de link.
  4. Je kunt de mindmap niet embedden in een site of blog. Wel kan je hem exporteren als jpg- of als png-bestand.
Wil je zien hoe een Spiderscribe mindmap eruit ziet? Bekijk dan het testexemplaar dat ik heb gemaakt of de demo-mindmap gemaakt door de mensen van Spiderscribe zelf.

Mocht je een handleiding nodig hebben: Teachertrainingsvideo heeft er een gemaakt.

Wil je weten welke andere mindmappingtools er zijn? Jane Hart heeft een overzicht gemaakt van mindmappingtools waar je gezamenlijk aan een mindmap kan werken en een overzicht van mindmappingtools waaraan je individueel werkt.

Mijn persoonlijke favorieten zijn - naast Spiderscribe - Bubbl.us (omdat die zo ongelooflijk simpel is) en Mindmeister (omdat je daarin mindmaps kan importeren vanuit het programma Mindjet MindManager dat ik op mijn p.c. heb geïnstalleerd voor offline gebruik). Maar Spiderscribe vind ik zeker de moeite waard om aan mijn lijstje van favorieten toe te voegen omdat die me weer andere mogelijkheden biedt.

woensdag 12 oktober 2011

Spreaker: een 27 mc bakkie op internet

screendump SpreakerNog altijd hoor je soms mensen met weemoed praten over hun 27 mc bakkie: de zendapparatuur waarmee ze een eigen radio-uitzending verzorgden. Ik heb het zelf nooit gedaan, maar ik kan me wel voorstellen dat het een kick gaf om - tegen de wet in - de wereld te laten weten dat jij bestaat. Wat dat betreft zou je profielsites (Hyves en Facebook) en video- en fotosharingsites (Youtube, Flickr) kunnen zien als een moderne variant van deze bakkies. Ook daar kan je immers jezelf laten horen en zien en anderen laten delen in je (media)voorkeuren.

De webtool Spreaker heeft voor mij ongeveer dezelfde uitstraling als het 27 mc bakkie van destijds. Met Spreaker maak je je eigen (live) radio-uitzending van maximaal een half uur. Voor het maken van die uitzending krijg je een mengpaneel op je scherm waarmee je muziek kan laten horen, afgewisseld met jingles, loops en soundeffects en natuurlijk je eigen stemgeluid. Je kunt gebruik maken van de muziek die klaargezet is in Spreaker, maar je kan ook je eigen geluidsbestanden uploaden. Van belang is daarbij natuurlijk wel dat je het recht hebt om die geluidsbestanden te uploaden: je mag natuurlijk niet auteursrechtelijk beschermd materiaal gebruiken in je radio-uitzending.

Een tool als Spreaker (of andere tools om je eigen podcast/radio-uitzending te maken) lenen zich natuurlijk geweldig voor het leren spreken van vreemde talen. Leerlingen kunnen een radio-uitzending maken in de doeltaal, met daarin bijvoorbeeld interviews met elkaar of met native-speakers van de vreemde taal, ze kunnen vertellen over hun eigen hobby of over de muziek die ze laten horen, ze kunnen een radio-uitzending maken over zichzelf en dan uitwisselen met een klas in het buitenland enz.

Spreaker kan ook ingezet worden om leerlingen op zoek te laten gaan naar informatie over allerlei onderwerpen. Ze kunnen voor LOB vakmensen interviewen, voor de kunstvakken kunstenaars uit de regio, voor geschiedenis iemand die werkt in een oudheidkundig museum enz. In een uitzending kan ook een live Skypegesprek opgenomen worden. Daarvoor moet je wel een aantal instellingen op je computer aanpassen, en het vraagt een gedegen voorbereiding om zo'n gesprek goed te laten verlopen. Voor het onderwijs zou ik er zelf de voorkeur aangeven om zo'n interview tevoren op te nemen en het daarna in de uitzending te plakken. Dat heeft als voordeel dat je tevoren delen uit het gesprek kan knippen zonder dat je de hele radio-uitzending over hoeft te doen.

De radio-uitzendingen die door de leerlingen gemaakt worden kunnen door de school ingezet worden als communicatiemiddel, bijvoorbeeld met de ouders, met 'aanleverende' scholen of met het beroepenveld. En natuurlijk kan je Spreaker ook gebruiken om radio-uitzendingen te maken voor en door de leerlingen zelf. Leuk toch, om je eigen uitzending te horen in de pauze?!

Wil je wat hulp hebben bij het gebruik van Spreaker dan kan je gebruik maken van de handleiding die ik heb gemaakt.

woensdag 28 september 2011

Maak geschiedenis met de klas

Als we het hebben over momenten van frontaal klassikaal onderwijs waar mensen van hebben genoten, dan wordt vaak verwezen naar een geschiedenisdocent die van die spannende verhalen kon vertellen. Ik heb ook zo'n docent gehad: hij vertelde zijn verhalen aan de klas en ik zat vaak een heel uur stil te luisteren. Maar hoe spannend ik de verhalen ook vond: het bleef voor mij lastig om de verhalen te onthouden. Ik denk dan ook dat verhalen vertellen niet genoeg is: na het vertellen van een verhaal moet je leerlingen ook iets laten doen met dat verhaal om het verhaal in het lange-termijn-geheugen op te laten slaan.

Een manier om dat te doen is door leerlingen te vragen beelden te zoeken bij het geschiedenisverhaal dat ze hebben gehoord (of gelezen) en die vast te prikken op een wereldkaart, op de locatie waar de geschiedenis zich afspeelde. Bij een verhaal over het einde van de Tweede Wereldoorlog kunnen ze bijvoorbeeld een foto zoeken van hotel de Wereld, waar op 5 mei 1945 onderhandelingen plaats vonden over de overgave van de Duitse bezetter in Nederland. En bij de lessen over Nederlands-Indië kunnen ze beelden zoeken van de plaatsen waarover in Max Havelaar verteld wordt. En natuurlijk kan je ze ook vragen om na te denken over 'historische' momenten in hun eigen leven en daar foto's bij te zoeken.

Met de tool HistoryPin kunnen deze foto's, voorzien van een titel en een toelichtende tekst, vervolgens op een wereldkaart geprikt worden en van een datum voorzien. Een leuk extraatje van deze tool is dat als je een oude foto hebt van een locatie (bijv. een foto van Hotel de Wereld in Wageningen), je die foto kunt plakken over de Google Streetview van die locatie, zodat precies kunt zien hoe de omgeving er toen uit zag in vergelijking met nu.

Je kunt HistoryPin ook gebruiken om beelden te zoeken bij de geschiedenis. Daarvoor zoom je op de kaart in op de plaats en je geeft aan uit welke periode je beelden wilt bekijken. Je kunt ook zoeken op woorden in de titel of in de toelichtende teksten bij de foto's (zoek bijv. op WWII). Je kunt op tijd zoeken vanaf 1840 tot nu; wil je iets zoeken uit de periode daarvoor dan moet je zoeken op woorden (bijv. Napoleon).Door de foto's die jij of je leerlingen vinden te benoemen als jouw favorieten, kan je daarmee (en ook met de foto's die je zelf online zet) een 'tour' samenstellen. Deze tour kan je bekijken als lijst van foto's, geplaatst in de kaart of als diashow.

Met HistoryPin kan je actief aan de slag met geschiedenis en beelden toevoegen aan verhalen om zo de verhalen langer te laten beklijven. Maar let wel op: je mag alleen foto's uploaden waarvan je zelf de rechten hebt, of die vrij te gebruiken zijn. De foto's die de leerlingen online zetten zijn vervolgens wel beschermd door copyright en gekoppeld aan hun gebruikersnaam en profiel op de site. Wie een foto online zet, doet dat dus niet anoniem. Dat kan zowel positief zijn (ere wie ere toekomt), als negatief (als je 'rare' foto's online zet kan de eigenaar achterhaald worden).

Dus vraag leerlingen zelf hun eigen foto's (of tekeningen) te maken of laat ze zoeken naar vrij te gebruiken beeldmateriaal. Dan leren ze niet alleen over geschiedenis, maar worden ze ook mediawijzer!


dinsdag 27 september 2011

Professionalisering: door de school zelf!

De laatste tijd heb ik me veel bezig gehouden met professionalisering: hoe kan je dat het beste vormgeven op scholen? Hoe zorg je ervoor dat lesgevenden geïnspireerd raken om hun onderwijs te vernieuwen en verbeteren en voldoende kennis en vaardigheden in huis hebben om die vernieuwingen tot stand te brengen?

Wat vaak gebeurt is dat scholen studiemiddagen organiseren en dan experts workshops en presentaties laten verzorgen. Mijns inziens wel een goede aanpak om een kleine groep mensen te inspireren, maar helaas blijft het daar dan vaak bij. Lang niet altijd komt het tot uitvoering van de ideeën en nog minder vaak worden de ideeën van de innovatieve voorhoede overgenomen door de collega's, waardoor op zich mooie projecten na verloop van tijd een stille dood sterven.

Ik denk dat het van groot belang is dat vernieuwing en verbetering van het onderwijs van binnenuit komt. Dat is geen nieuwe visie: ik zie op steeds meer scholen dat - naast workshops en presentaties van externe experts - ook interne experts - collega's - hun kennis delen. Ik ben daar erg enthousiast over: het is fijn om van je 'peers' te leren, om te laten zien welke expertise en ervaring je in huis hebt en als je een vernieuwing wil doorvoeren is het veel eenvoudiger om - vaak tussen de bedrijven door - een collega om hulp te vragen dan een externe expert die lang niet altijd aanwezig is op de momenten dat jij hem nodig hebt.

In alle gevallen is het belangrijk dat professionalisering plaats vindt op basis van een visie: hoe ziet op dit moment het onderwijs eruit, waar moet het naar toe en op welke gebieden is professionalisering noodzakelijk?

Wie het onderwijs wil verrijken met ICT kan voor professionalisering gebruik maken van één van de '23 Dingen'-cursussen. Deze cursus, die in eerste instantie is ontwikkeld voor informatieprofessionals in de VS (23Things), is vertaald voor de Nederlandse bibliotheken (23 Dingen), en vervolgens voor allerlei andere sectoren, waaronder het basisonderwijs, het voortgezet onderwijs (23 Onderwijsdingen en 23 OVC-Dingen) en het hoger onderwijs (21eDingen).

Deze cursussen zijn beschikbaar onder een Creative Commons licentie en kunnen vrij gebruikt worden door onderwijsinstellingen. Natuurlijk kan je voor het geven van zo'n cursus een externe expert inhuren, maar dat is niet hoe deze cursussen opgezet zijn. Het is de bedoeling dat de cursus in groepjes van 4 tot 8 mensen gevolgd worden, onder leiding van een groepsbegeleider: een collega van de eigen onderwijsinstelling.

Deze begeleider hoeft zelf geen expert te zijn op het gebied van ICT in het onderwijs: daarvoor kan hij een beroep doen op de collega's in de onderwijsinstelling of - als niemand binnen de onderwijsinstelling de vraag kan beantwoorden, de cursuscoördinator. De taak van de begeleider is zijn collega's te stimuleren om met het materiaal aan de slag te gaan, onderling kennis te delen en eventuele (inhoudelijke of procesmatige) problemen te signaleren en die op te lossen. Als dat nodig is organiseert de begeleider overleg tussen de deelnemers van zijn groepje, extra bijeenkomsten of roept de hulp in van de cursuscoördinator.

De cursuscoördinator heeft tot taak een aantal centrale bijeenkomsten te organiseren (voor alle deelnemers aan de cursus), overleg tussen de groepsbegeleiders tot stand te brengen en vragen te beantwoorden die door de collega's binnen de eigen instelling niet beantwoord kunnen worden.

De 23Dingen-cursussen zijn behoorlijk omvangrijk en - zo heb ik ervaren - voor de meeste onderwijsinstellingen - teveel om als geheel aan te bieden aan de onderwijsgevenden. Ik zou daarom willen adviseren om als je zo'n cursus aanbiedt, eerst een selectie te maken uit het beschikbare lesmateriaal op basis van de onderwijsvisie van de onderwijsinstelling. Wat wil je bereiken met het inzetten van ict: wil je het onderwijs verbinden met de buitenwereld, competenties centraal stellen, onderwijs flexibeler maken, wil je dat leerlingen metacognitieve vaardigheden ontwikkelen of dat ze hun eigen kennis construeren?

Op basis van deze visie en op basis van de wensen van de groepjes (van een sectie, afdeling, jaarlaag) maak je een selectie uit het materiaal van een 23dingen-cursus. Niet minder van belang vind ik het dat dat dit materiaal aangepast wordt aan de onderwijsinstelling zodat de ict-mogelijkheden van de onderwijsinstelling (hardware en software) in de cursus verwerkt worden.

Ik zie een aantal voordelen aan deze aanpak:
  • de in de school aanwezige expertise wordt optimaal benut doordat collega's van elkaar leren. Dit heeft als gevolg dat na afloop van de cursus de expertise niet met de externe expert uit de school verdwijnt, maar in de school aanwezig blijft.
  • omdat het materiaal online beschikbaar is en de cursus in groepjes gevolgd wordt, kan optimaal afgestemd worden op de mogelijkheden (tijd en plaats) en (inhoudelijke) wensen van de cursisten,
  • Omdat de 23dingen-cursussen onder een CC-licentie beschikbaar zijn en door zoveel verschillende organisaties zijn aangepast en verder ontwikkeld, is het materiaal vrij beschikbaar en het is relatief eenvoudig om het materiaal aan te passen aan de eigen wensen.
  • Daarnaast maakt het brede gebruik van de 23dingen-cursussen het mogelijk om gebruik te maken van expertise van anderen die al eerder een 23dingen-cursus hebben gevolgd. Scholen in het VO en PO kunnen bijvoorbeeld contact leggen met de openbare bibliotheek in hun plaats om te kijken of zij een bijdrage kunnen leveren in het professionaliseringstraject. Ik denk hierbij zowel aan het helpen van de docenten om zich de stof eigen te maken als aan het helpen van leerlingen wanneer zij van hun docent/leerkracht de opdracht krijgen om met de ict-tools uit de 23dingen-cursus aan de slag te gaan.
Ik denk dat de 23dingen-cursussen het onderwijs veel te bieden hebben en ik hoop dat veel onderwijsinstellingen dit gratis materiaal gaan gebruiken om het onderwijs te verbeteren met behulp van ICT.

Hieronder een 'glog' waarin ik mijn visie op het gebruik van de 23dingen-cursussen (in dit geval de cursus 23 OVC-dingen) heb samengevat.

Ben je geïnteresseerd in het lesmateriaal van de cursus, neem dan contact op met de OVC of een van de andere aanbieders van een 23 (of 21)dingen-cursus. Je kunt natuurlijk ook reageren via dit blog: dan zal ik proberen je in contact te brengen met de juiste mensen.

woensdag 18 mei 2011

Animaties voor de les

logo ExplaniaWie leerstof uit wil leggen doet er goed aan dat op verschillende manieren te doen. Hoe meer manieren je gebruikt om iets uit te leggen, des te groter de kans dat de leerlingen de stof begrijpen en dat het blijft hangen. Gerard Westhoff, emeritus hoogleraar didactiek moderne vreemde talen, vergeleek het leerproces eens met een flipperkast: hoe vaker het balletje ergens tegenaan rolt, des te hoger de score.

Gisteren heb ik een aantal sites genoemd waar videomateriaal te vinden is dat je kunt gebruiken in je les. Animaties zijn in feite getekende filmpjes. Je ziet steeds vaker dat ingewikkelde zaken worden uitgelegd met animaties. Ik vind zelf de animaties van Common Craft over allerlei web 2.0 tools erg verhelderend. Van veel van die animaties vind je op de site Dotsub een vertaling.

Een serie gratis te gebruiken en voor het onderwijs zeer bruikbare animaties vind je op Explania: een Vlaams bedrijf dat heel hard aan de weg timmert met hun animaties. Hier vind je o.a. animaties over software (veel over de Officepakketten van Microsoft) en over hardware en netwerken. Animaties over fotografie vind je terug in de categorie Hobby. Ook in de categorie technologie vind je handige animaties voor je les.

Leuk om in de les te laten zien (met een beamer of een digibord) en/of om in de ELO te zetten zodat leerlingen het thuis (nog eens) kunnen bekijken!

N.B. Het woord 'animatie' wordt ook nog wel eens gebruikt voor een simulatie: een animatie waarbij je zelf kunt ingrijpen in het verloop van de animatie (zoals bijv. van Walter Fendt, voor natuurkunde). Wat de juiste benaming is voor het een en ander vind ik niet interessant maar duidelijk zal zijn dat dit leidt tot een andere manier van leren, dan alleen kijken naar een (getekende) film. Gebruik ze dus rustig naast elkaar: laat dat balletje maar rollen in de flipperkast!


Hoe werkt het hart? - Explania

woensdag 16 maart 2011

Tools en betere tools

Ja, ik geef het toe: ik maak graag en veel gebruik van allerlei tooltjes. Ik vind het leuk om te kijken wat mensen allemaal bedenken en hoe ik die tooltjes kan gebruiken in mijn eigen werk. Er zijn ongelooflijk veel handige dingetjes te vinden die je leven aangenamer maken: gereedschappen die samenwerken makkelijker maken, tools waarmee je beeld kunt aanpassen aan je eigen wensen, tools om met anderen van gedachten te wisselen enz.

Ik ontdek nog regelmatig nieuwe tools die ik kan gebruiken. Lang niet altijd doet zo'n tool precies wat ik wil. In dat geval zoek ik dan naar soortgelijke tools, die beter passen bij mijn doelstellingen. De ideale tool, waarmee ik alles kan doen wat ik wil heb ik nog niet gevonden, maar mijn gereedschapskist is inmiddels wel aardig gevuld. En mocht ik ooit nog die éne multitool ontdekken, dan horen jullie dat van me!

Wil je dat niet afwachten of ben je zelf op zoek naar een alternatief voor een tool die je al gebruikt dan kan ik je misschien wel wat tips geven waar je tools kunt vinden. Een heel goed overzicht van handige tools voor het onderwijs is gemaakt door Jane Hart. In deze lijst vind je meer dan 2000 onderwijstools bij elkaar, ingedeeld in categorieën, zoals blogtools, wikitools, maar ook tools om presentaties te maken, om nieuwsbrieven te maken, in je eentje een mindmap te maken of met een aantal mensen samen, en nog veel meer.

Heb je al iets gevonden wat je handig vindt en ben je op zoek naar een betere variant daarvan, dan kan ik je de zoekmachine Similarsitesearch aanraden. Daar kan je de URL intypen van een tool waarvoor je een alternatief zoekt. Similarsitesearch geeft dan 50 sites die daarop lijken. Je kunt zelf Similarsitesearch verbeteren door alternatieven die niet genoemd worden aan te melden. De resultaten van Similarsitesearch vind ik behoorlijk goed; zeker beter dan de simular-site-search-optie van Google. Maar vergelijk zelf: de resultaten van een zoektocht naar vergelijkbare tools als Wallwisher, met Similarsitesearch en met Google. Welke van de 2 vind jij het beste?

Afbeelding van purolipan, gepubliceerd onder CC-by-nc-nd.

maandag 14 februari 2011

Voki voor scholen

screenshot van aankondiging educatie-versie VokiAfgelopen week kreeg ik een mailtje dat Voki, een tool waarmee je gesproken berichten kunt maken, online zetten en voor kunt laten lezen door een zelf vormgegeven avatar, een educatieve versie heeft uitgebracht. Ik was daar wel benieuwd naar omdat ik een grote fan ben van Voki: door de speelse en creatieve aanpak kan je leerlingen stimuleren om met taal aan de slag te gaan, en door de emotionele betrokkenheid betrokkenheid bij de avatar verbetert het leerrendement. Genoeg reden dus om eens te kijken naar de educatieve versie van Voki!

Wat is er nieuw in deze versie? Heel prettig vind ik het feit dat de educatieve versie vrij is van advertenties. Onderzoek lijkt uit te wijzen dat de meeste jongeren zich niet snel door reclame laten misleiden, maar advertenties zijn natuurlijk wel verstorend en Voki kan ook gebruikt worden voor een jonge leeftijdsgroep die misschien de reclame-uitingen niet doorzien.

Een andere toevoeging aan de educatieve versie is een database met lesplannen. Je kunt de database doorzoeken op niveau en op vak. Op dit moment staan er ruim 30 ideeën om Voki in te zetten voor het leren. En daar zitten een paar erg onverwachte ideetjes bij, bijv.:
  • een les over stereotypes (Anti-Stereotype project),
  • een les over non-verbale communicatie (Delivery),
  • een les over hoe je door middel van een tekst iemand kunt overtuigen van iets (Fact, Value Policy),
  • een les over verschillende regeringsvormen,
  • een les over mediawijsheid, waarin o.a. aan de orde komt hoe je plagiaat kunt vermijden en hoe je moet verwijzen naar bronnen op internet (Technology-Media in the Digital Age).
Voor wie Voki nog niet kent, hieronder een door mij aangemaakte Voki die vertelt wat je kunt doen met deze tool. Het zou leuk zijn als je een reactie achterlaat op deze post in de vorm van je eigen Voki*.



*Helaas biedt Voki op dit moment geen comment-functie meer: dat bleek veel problemen te geven. Hopelijk bouwen ze dat wel weer in (er zijn al een aantal vragen gesteld daarover), maar dat moeten we afwachten.