donderdag 10 oktober 2013

LOB? Dat doen wij op Twitter

Leren doe je omdat je iets wilt weten of wilt kunnen. Leren op school wordt door leerlingen soms anders ervaren: daar leer je omdat het 'moet'. Dat maakt leren op school voor veel leerlingen moeilijk: ze hebben het gevoel dat de inspanning die ze moeten plegen hen weinig oplevert. Een goed toekomstbeeld van jezelf hebben is overigens niet alleen belangrijk voor de motivatie tijdens de (voor)opleiding tot dat vak/beroep: een verkeerde keuze kan ook behoorlijke financiële consequenties hebben en ook heel wat stress veroorzaken.


Het vak LOB kan hierin een rol spelen: als je weet wat je later wilt worden, ben je meer gemotiveerd dan wanneer je geen enkel zicht hebt op je toekomst. Het vak LOB helpt jongeren bij het maken van die keuze voor een vervolgopleiding en een beroep. Het nadeel van het aanbieden van LOB als vak is dat de oriëntatie op vervolgstudie en beroep meestal beperkt blijft tot de uren die toegekend zijn aan het vak en tot het (vaak weinig persoonlijke) materiaal dat in de methode wordt aangeboden.Wie meer wil dan dat, kan overwegen om Twitter in te zetten als middel om beroepen te verkennen.

Op Twitter plaatsen mensen van allerlei verschillende beroepen berichtjes. Soms zijn dat heel persoonlijke berichtjes, maar er worden ook heel vaak 'professionele' berichten geplaatst: tweets over problemen en successen in het beroepsleven van de tweep. Die tweets geven een aardig, zij het soms wat (bovenmatig) positief, inzicht in wat een beroep inhouden. Zo volg ik zelf een aantal boswachters op Twitter en dat heeft me geleerd dat je als boswachter niet alleen veel bezig bent met natuurbeheer, maar ook met voorlichting aan jong en oud, politiek, het aansturen van vrijwilligers en nog veel meer.

Maar niet alleen boswachters kunnen je leerlingen volgen op Twitter: uit elke beroepsgroep zijn wel vertegenwoordigers te vinden. Voor het Nederlandse taalgebied kunnen leerlingen op Twittergids (o.a.) kijken naar groepen van tweeps die schrijven over hun beroep. Willen ze Engelstalige tweeps vinden, dan kunnen ze gebruik maken van de site Twellow. Je kan leerlingen ook met de (geavanceerde) zoekmachine van Twitter laten zoeken naar berichtjes waarin de hashtag met een beroepsnaam wordt gebruikt, maar ik zoek zelf liever naar woorden in het profiel van tweeps door in een zoekopdracht de beroepsnaam te combineren met de woorden 'twitter' en 'profile'. Nog veel makkelijker maak je het je leerlingen door ze gewoon op Twitter te laten vragen of er mensen zijn met een bepaald beroep. Ze moeten dan hun oproep de hashtag #dtv (durftevragen) meegeven: die berichtjes worden door heel veel mensen gelezen en de kans is groot dat er mensen reageren die zelf dat beroep hebben of hen kunnen verwijzen naar andere tweeps met dat beroep. En als ze eenmaal contact hebben gelegd met één persoon uit een beroepsgroep, dan kan leerlingen via die persoon hun netwerk in die beroepsgroep uitbreiden, bijv. met de zoekmachine van Twitter.

Als de leerling weet welke tweeps het beroep hebben dat hij wil onderzoeken, dan kan hij om te beginnen een tijdje de berichten bijhouden die die personen versturen. Zo krijgt hij elke dag, beetje bij beetje, informatie binnen over het beroep/de beroepen waarin hij geïnteresseerd is. Maar hij kan het netwerk ook gebruiken om vragen te stellen: wat heeft iemand gedaan om dat beroep te kunnen uitoefenen, hoe denkt hij zelf over zijn vak, zijn er tips voor mensen die hetzelfde willen doen enz. Wil de leerling nog meer informatie, dan kan hij misschien vragen om een dagje mee te lopen of vragen om een stage, een vakantie- of weekendbaan. Deze manier van informatie vergaren past prima bij de manier waarop jongeren leren: van door henzelf benoemde experts, op de momenten en locaties die ze zelf willen en over onderwerpen waarin ze zelf geïnteresseerd zijn. En daarbij doen ze, zonder dat ze dat zelf in de gaten hebben, ook nog heel vaardigheden op op het gebied van mediawijsheid.


maandag 23 september 2013

Veilig hele grote bestanden versturen via de cloud

Het zal niemand ontgaan zijn dat werken in de cloud soms niet zo privé is als we hadden gehoopt. Ook is werken in de cloud niet altijd zeker: dagelijks komen er nieuwe diensten bij en verdwijnen andere diensten. Geen probleem voor wie het experiment niet schuwt, maar wel lastig als je voor je werk zekerheid wilt hebben.

Wie in het hoger onderwijs werkt en (iets) meer veiligheid wil, kan sinds kort bestanden verzenden via de dienst FileSender. Deze dienst is ontwikkeld omdat er met name onder onderzoekers een behoefte bestond om supergrote (data)bestanden (van wel 100 GB of meer) veilig uit te wisselen. Bestaande diensten konden niet aan die behoefte voldoen; ofwel omdat de veiligheid niet gegarandeerd kon worden, ofwel omdat er een limiet zat aan de grootte van de bestanden die uitgewisseld konden worden. Om die reden is door enkele instellingen (waaronder SURFnet) besloten de dienst FileSender te ontwikkelen. Bij deze dienst kan je grote bestanden uploaden en dan een link sturen naar één of meer ontvangers, die het bestand vervolgens kunnen downloaden. Bestanden up- en downloaden via FileSender gaat snel omdat gebruik wordt gemaakt van het SURFnet-netwerk. En, anders dan wanneer je bestanden via de mail verstuurt, is er in principe1 geen limiet aan de grootte van de bestanden.

Er zijn natuurlijk een heleboel diensten waar je op deze manier bestanden kan versturen. Denk bijvoorbeeld aan WeTransfer en HighTail (voorheen: YouSendIt). Ook diensten waar je snel (hele) grote bestanden kan versturen. Waarom ik de voorkeur geef aan FileSender?
  • het is een dienst van SURF wat me het vertrouwen geeft dat er optimaal aandacht besteed wordt aan veiligheid en privacy. De bestanden staan bijvoorbeeld op servers in Nederland en vallen dus onder de Nederlandse wetgeving,
  • FileSender is een dienst die door SURFmarket wordt aangeboden. Zij dragen zorg voor de stabiliteit van de dienst. Bij diensten als WeTransfer en Hightail loop je het risico dat ze van de ene op de andere dag van het web verdwijnen.
  • Omdat alleen hogeronderwijsinstellingen gebruik kunnen maken van FileSender2, heb je zekerheid dat een afzender is wie hij zegt dat hij is. Bij bestanden die je binnenkrijgt via andere diensten heb je geen enkele zekerheid over de afzender.
  • Bij FileSender krijg je geen reclame te zien en de interface is (mede daardoor) lekker rustig. 
FileSender wordt kostendekkend, dus niet gratis aangeboden: (bij SURF aangesloten) instellingen die gebruik willen maken van de dienst  betalen een bedrag van tussen de 750 en 3.000 euro per jaar3:
  • instellingen met meer dan 10.000 studenten en medewerkers betalen 3.000 euro per jaar,
  • instellingen zonder studenten betalen 750 euro per jaar,
  • overige instellingen betalen 1.500 euro per jaar.
Wil je zelf eens proberen hoe de dienst werkt? SURFnet heeft een (tweede) FileSender-implementatie waarop wordt doorontwikkeld. Die versie heeft dus geen beschikbaarheidsgaranties en hij is toegankelijk voor iedereen die een mailaccount heeft bij een bij SURF aangesloten instelling of een SURFguest-account4 heeft.De screenshot bij deze post is gemaakt van deze pilotversie van FileSender.

Nog veel meer informatie over FileSender is hier te vinden.

Noten
1 D.w.z.: de software van FileSender stelt geen beperking aan de grootte van de bestanden, maar sommige (versies van verschillende) browsers doen dat wel.
2 Gebruikers van FileSender kunnen wel anderen uitnodigen om bestanden op te halen èn om zelf bestanden te uploaden. Op die manier kan je (wederzijds) bestanden delen met mensen die geen abonnement hebben op FileSender.
3 Excl. opslag van SURFmarket en BTW (tarieven eind 2013).
4 Iedereen die dat wil kan zo'n account aanmaken, onafhankelijk of je wel of niet werkt bij of studeert aan een instelling voor hoger onderwijs. Het aanmaken van een SURFguest-account doe je bij de dienst Onegini.

vrijdag 20 september 2013

Subsidie voor mediawijsheid projecten: een nieuwe deur gaat open

Stichting MediaMachtig heeft in de afgelopen 3 jaren talloze basisscholen geholpen om mediawijsheid op te nemen in het curriculum. Op de website vind je de resultaten van alle projecten die met subsidie van MediaMachtig zijn uitgevoerd, in de schooljaren 2010-2011, 2011-2012 en 2012-2013. We (het bestuur van MediaMachtig en het Comité van Machtigen) hadden de regeling graag ook dit jaar voortgezet, maar het is ons (tot nu toe) helaas niet gelukt om sponsors te vinden voor het werk van onze Stichting. Dat betekent dat er dit jaar geen nieuwe regeling wordt uitgeschreven door ons.

Maar zoals het wel vaker gaat in het leven: waar een deur gesloten wordt, gaat een andere deur open. De deur die vandaag wordt open gedaan, is een deur die door BV's, stichtingen en verenigingen) open gedaan kan worden. Het SNS Reaal Fonds biedt met de Programmaregeling Kijk op Media de mogelijkheid om subsidie aan te vragen voor voor mediawijsheidprojecten (uit te voeren in 2014) voor de onderbouw van het voortgezet onderwijs of dezelfde leeftijdsgroep (12 tot 15 jaar) buiten school.

De regeling biedt ruimte voor maximaal 8 subsidies van elk maximaal 50.000 euro voor opschalingsprojecten waarbij 'sprake (is) van leren over media en/of ervaring opdoen met media, met aandacht voor reflectie'. Aanvragen kunnen ingediend worden tot en met 31 oktober. Scholen kunnen zelf geen aanvraag indienen, maar omdat het gaat om jongeren van 12 tot 15 jaar, zullen er voor scholen bij sommige projecten zeker kansen liggen om aan te haken. Mijn advies aan scholen is daarom om na te gaan of er in de (fysieke of virtuele) omgeving van de school mediawijsheidsprojecten zijn die passen binnen de Regeling en die voor hun leerlingen èn voor de school/het onderwijs interessant zijn.

Ik denk bijv. aan:
  • projecten waarbij jongeren zelf media maken (dat kunnen ze gaan doen voor, met of op school), 
  • projecten waarbij jongeren leren over media (misschien kunnen de jongeren die kennis doorgeven aan andere jongeren),
  • projecten waarbij mensen elkaar helpen bij het gebruik van ICT (zoals bij Seniorweb) en die uitgebreid kunnen worden naar jongeren.
Heb je ideeën en wil je dat ik meedenk? Ik bied me bij deze graag aan!

Meer subsidieregelingen vind je in dit overzicht (van juni 2013) van Mediawijzer.net.

dinsdag 9 april 2013

Hoe zit het nu echt met digital natives, leerstijlen, leesgedrag enz.?

Pedro de Bruyckere, schrijver van het blog X, Y of Einstein, en Casper Hulshof, docent aan de Universiteit van Utrecht, hebben een boek geschreven over onderwijsmythes: 'Jongens zijn slimmer dan meisjes'. Ik heb het nog niet helemaal uit, maar zeker al wel genoeg gelezen om er hier een aanbeveling voor te plaatsen.

De inhoud
In het boek wordt een aantal veelgebruikte argumenten om onderwijs te veranderen onderzocht: zijn die argumenten wetenschappelijk onderbouwd of niet, of moeten ze met (iets) meer nuance bekeken worden?

De argumenten die behandeld worden, zijn onderverdeeld in 4 categorieën. Argumenten/mythes die te maken hebben met:
  • leren (bijv.: 'in het onderwijs moet je met meer intelligenties rekening houden'),
  • de werking van het brein (bijv.: 'met Brain Gym en Brain Games kan je je hersenen verbeteren'),
  • het gebruik van technologie in het onderwijs (bijv.: 'jongeren lezen niet meer'),
  • onderwijsbeleid (bijv.: 'een kleinere klas is beter').
Het boek eindigt met een aantal tips voor onderwijsvernieuwingen die gebaseerd zijn op de uitkomsten van de eerder beschreven wetenschappelijke onderzoeken en tips hoe je zelf kan inschatten en onderzoeken of iets een mythe is of een feit.

Waarom ik het boek een aanrader vind
Sinds het in 2006 door de Onderwijsraad uitgebrachte advies 'Naar meer evidence based onderwijs' is er steeds meer aandacht voor dit onderwerp. Helaas blijkt niet iedereen (ikzelf ben niet anders) niet altijd even goed op de hoogte te zijn wat die wetenschap nu precies heeft aangetoond, tot nu toe. Er blijken veel zaken te zijn waarvan we denken dat die waar zijn, maar die in de praktijk niet waar zijn of op zijn minst veel genuanceerder blijken te liggen dan we denken. Dit boek biedt - denk ik - een mooi overzicht van vaak opgevoerde feiten en fictie op dit gebied, en is daarom verplichte kost voor wie zich mengt in de discussie over onderwijs en onderwijsvernieuwing.

Daarnaast vind ik het boek een prachtig bewijs dat wetenschappelijk onderzoek niet hetzelfde is als een zoektocht op internet, zoals 94% van de jongeren in de VS schijnt te denken. En ik hoop en verwacht dat het lezen van dit boek er bij velen interesse zal wekken voor wetenschappelijk onderzoek. Want, zoals De Bruyckere en Hulshof vertellen in de eerste hoofdstuk van hun boek: het moet heerlijk zijn om met de wetenschap in de hand af en toe het jongetje te zijn dat roept dat de keizer geen kleren aan heeft!

Voorproefje op het boek
Wil je je (voordat je het boek gaat lezen) alvast eens oriënteren op dit onderwerp? Neem dan een kijkje op het blog (van het) Blogcollectief Onderzoek Onderwijs, en met name de categorie 'evidence based onderwijs'. Als je plezier hebt in het lezen van die posts, dan zal het boek je ook zeker bevallen.

woensdag 3 april 2013

Wij leren: informatie voor onderwijsprofessionals (in wording)

Afgelopen week werd ik geattendeerd op de nieuwe website Wij Leren. Volgens de makers van de website is Wij Leren 'een digitaal platform waar alle huidige kennis over het basisonderwijs te vinden is, geschreven door een selecte groep onderwijskundigen, onderzoekers en psychologen'. Dat is nogal een gewaagde omschrijving: alle kennis die er is op één site samen brengen, lijkt me onhaalbaar. Maar ik vind wel dat ze nu al, terwijl de site nog in opbouw is, een interessant overzicht bieden van verschillende aspecten van (basis)onderwijs:
  • het kind,
  • pedagogiek,
  • didactiek (algemeen, taal, lezen, spelling, rekenen)
  • leren,
  • de school (algemeen, profiel, ouders, handelingsgericht werken, leerlingvolgsystemen),
  • onderwijsvisies,
  • gedragsproblemen,
  • stoornissen,
  • ontwikkelingspsychologen,
  • middelen.
Ik vermoed dat dit lijstje van onderwerpen nog zal groeien als de site verder wordt uitgebreid.

De 'kennis' wordt op de site op 4 verschillende manieren aangeboden:
  1. in korte definities van begrippen,
  2. in artikelen van ca. 1000 woorden (dus ongeveer 1 A4'tje) over onderwijskundige thema's,
  3. in langere achtergrondartikelen (verdieping) over diezelfde thema's
  4. in artikelen waarin onderwijsspecialisten hun mening geven over de thema's.
Uiteraard is de scheidslijn tussen die categorieën soms dun (in een achtergrondartikel wordt wel eens een mening verkondigd), maar ik vind het wel zinvol om te benadrukken dat niet alles wat geschreven wordt feiten zijn en dat de gebruiker van de site hierop geattendeerd wordt. De scheidslijn is overigens niet meer dan een stippellijntje, omdat onderaan elk artikel een overzicht gegeven wordt in welke categorieën  nog meer informatie over dat onderwerp te vinden is. Ben je op zoek naar informatie over een onderwerp, dan is het slim om je zoektocht te starten bij het overzicht van alle begrippen (die je ook zou kunnen zien als sleutelwoorden), en van daaruit door te klikken naar de informatie in de andere categorieën, die elk herkenbaar zijn aan een symbooltje.

De lijst van bijdragers aan de site is imposant: je vindt er vele grote namen. Bij elke auteur staat een overzicht van de artikelen van zijn hand die op de site te vinden zijn.

Voor mij is de site een heel waardevolle aanwinst omdat het me in staat stelt om in samenhang te lezen over onderwerpen die me interesseren. Door het overzicht van begrippen en de koppeling van artikelen is de site ook als naslagwerk goed bruikbaar.

Uiteraard is het platform niet uitputtend: er is over alle onderwerpen natuurlijk veel meer te vertellen dan op deze site te vinden is. Maar de site biedt zeker een goede start om je te verdiepen in een onderwerp en een beeld te krijgen van de scope daarvan. En van daaruit kan je natuurlijk verder zoeken. Om je daarbij verder op weg te helpen, zouden er bij de artikelen nog wel wat vaker bronnen genoemd kunnen worden: die worden slechts zelden genoemd. Maar dat is geen reden om te mopperen: daarvoor is wat er nu al is veel te mooi. Ik hoop dat het een aansporing is voor de ontwikkelaars van de site om de site verder te ontwikkelen, zowel door meer artikelen toe te voegen als door het noemen van de gebruikte bronnen.

maandag 25 maart 2013

Wat zijn mooie, leuke, goede websites en apps?

 Elk jaar wordt de verkiezing van de Gouden Apenstaart gehouden: de verkiezing van de beste website en app voor kinderen. Dit jaar zijn er 4 categorieën:
  1. Gouden @penstaart voor websites voor kinderen (leeftijd 6-12 jaar) die gemaakt zijn door professionals, ongeacht of dit commerciële organisaties zijn, niet-commerciële organisaties of particulieren.
  2. Gouden @penstaart voor websites door kinderen die gemaakt zijn door kinderen zelf (leeftijd tot 16 jaar).
  3. Media Ukkie Award voor apps voor ukkies (leeftijd 0-6 jaar) die gemaakt zijn door professionals, ongeacht of dit commerciële organisaties zijn, niet-commerciële organisaties of particulieren.
  4. Gouden @penstaart voor apps door kinderen die gemaakt zijn door kinderen zelf (leeftijd tot 16 jaar).
De organisatie heeft inmiddels de beste inzendingen geselecteerd; nu is het aan het publiek (volwassenen en kinderen) om - voor de eerste 3 categorieën - uit deze selectie te stemmen op de site of app die zij het beste vinden.

Omdat het om sites en apps gaat voor kinderen, ligt het voor de hand om kinderen te vragen naar hun mening. Een goede aanleiding om met kinderen te praten over hoe zij media beoordelen. Hoe bepalen zij of een site of app leuk is en past bij wat zij willen? Hanteren zij dezelfde criteria als de organisatie van de Gouden Apenstaart? En vinden zij al die criteria even belangrijk of zijn sommige criteria belangrijker dan andere? En hoe beoordelen zij de nominaties van dit jaar op basis van de door henzelf opgestelde criteria? Een voorbeeld van hoe een les over het beoordelen van websites eruit zou kunnen zien, vind je hier.

Wat kinderen kunnen leren van zo'n les en het uitbrengen van hun stem (op de genomineerde sites en apps)?
  • ze leren kritisch kijken naar media, bijv.: moet je alles geloven wat online staat, welke invloed kunnen beelden hebben op hoe je iets beoordeelt, hoe kan je zien wie de maker is van een site of app en waarom is dat belangrijk?
  • ze leren hoe ze hun mening kunnen verwoorden.
  • ze leren hoe je gezamenlijk een oordeel kan vormen door met elkaar te discussiëren en voors en tegens te benoemen en af te wegen.
  • ze leren hoe je te werk kan gaan als je een keuze moet maken.
Je kan natuurlijk daarnaast ook de inhoud van de te beoordelen websites en apps gebruiken voor een les, bijv. een biologieles, een les over kunst en cultuur of over het milieu en energie. Of geef een rekenles over procenten: als er 300 inzendingen zijn en er worden 5 genomineerd, hoeveel procent is dat dan? En als er 15.000 mensen hun stem uitbrengen op één van de sites en de winnaar verzamelt er 4000, hoeveel procent is dat? En, een lastige vraag: hoeveel stemmen heb je bij zoveel stemmers tenminste nodig om de verkiezing te winnen?

Je kan stemmen tot 14 april; op 17 april worden de winnaars bekend gemaakt. Tijd genoeg dus om met je leerlingen al dat moois te bekijken en te beoordelen!

donderdag 21 maart 2013

Belonen: een belangrijk onderdeel van onderwijs

Gamification
De laatste jaren is er veel belangstelling voor games in het onderwijs. Niet alleen voor het gebruik van serious games (games die gemaakt zijn om iets te leren), maar ook voor hoe je onderwijs kan verbeteren door het toepassen van game-eigenschappen (gamification). Over dat laatste is veel geschreven, o.a. in deze wiki.

Beloning
Eén van de eigenschappen waardoor spelers in het spel getrokken worden is het systeem van beloningen. Binnen games worden vaak verschillende beloningen gegeven. Er wordt bijvoorbeeld een score bijgehouden of je kan bonussen verdienen in de vorm van bijzondere middelen of eigenschappen die je helpen om verder te komen in het spel.

Ook in het onderwijs wordt gewerkt met beloningen: je kan cijfers verdienen voor de vakken en complimenten van de docent. In het basisonderwijs kunnen leerlingen daarnaast ook vaak extra waardering krijgen in de vorm van stickers of plaatjes. Een nadeel van dit systeem vind ik dat het vaak erg de nadruk legt op de schoolvakken en op cognitieve prestaties. Zaken als sociaal gedrag, een positieve werkhouding enz. worden wel beloond in de vorm van complimentjes, maar wordt - met uitzondering van sommige rapportagesystemen - niet echt tot onderdeel van een beloningssysteem gemaakt. Daarnaast zijn beloningen vaak iets tussen de leraar en de leerling en wordt er weinig tot geen gebruik gemaakt van onderlinge competitie èn stimulans van de leerlingen.

Ik heb daarom een ander beloningssysteem (in de vorm van een downloadbaar spreadsheet) bedacht. Een systeem waarbij aandacht is voor verschillende talenten van leerlingen en waarbij competitie een rol speelt en leerlingen elkaar stimuleren om hun score te verbeteren. Daarnaast zit in het systeem een 'geluksfactor' (toeval) ingebouwd en het biedt mogelijkheden om het te koppelen aan een verhaal, speurtocht of ander spel.

Hoe werkt dit beloningssysteem?
  • Om het systeem te kunnen gebruiken, moet je dit spreadsheet downloaden naar je eigen p.c. en openen in excel. 
  • In het spreadsheet in tabblad 'invulblad' zie je de namen van de kinderen van een fictieve klas en 3 categorieën waarop ze beloond kunnen worden: voor een cognitieve prestatie, voor sociaal gedrag of een goede inzet. 
  • Als een kind een beloning verdient (ter beoordeling aan de leerkracht), mag hij - binnen de categorie waarin hij een beloning heeft verdiend - kiezen waar hij een kruisje wil laten zetten. De leerkracht zet op die positie een kruisje. Dat levert een bepaalde score op. De leerling weet niet welke score elk vakje oplevert: de score lijkt toeval maar is in feite tevoren door de leerkracht vastgelegd in het tabblad 'puntentoekenning'.
  • In een enkel geval levert het zetten van een kruisje niet een score op, maar een joker. De leerling kan kiezen waarvoor de joker wordt ingezet. De mogelijkheden daarvoor worden tevoren door de leerkracht aangegeven: bijv. de keuze voor een groepsactiviteit (apekooien in de gymles) of voor een individuele activiteit (een keer lezen in plaats van een rekenactiviteit). 
  • Als een bepaalde individuele eindscore wordt behaald, krijgt de leerling  hiervoor een extra beloning (bijv. bij 30, 60 en 90 punten). Dat kan op dezelfde manier als bij een joker, maar je kan ook denken aan het geven van een 'badge' die een leerling kan publiceren op zijn profielsite of website. Je kan hiervoor gebruik maken van het open-badge-project van Mozilla, maar je kan natuurlijk ook zelf digitale plaatjes maken en de leerling een link geven waarmee hij dat plaatje op zijn eigen (profiel)site kan plaatsen. 
  • Ook bij het behalen van bepaalde groeps-eindscores volgt een beloning, bijv. een middag met de groep naar buiten of een excursie naar een leuk museum. Voor deze beloningen worden tevoren afspraken gemaakt.

Tips en trucs bij het gebruiken van dit systeem
Uiteraard kan je het spreadsheet en het gebruik ervan aanpassen aan eigen wensen en inzichten:
  • pas de categorieën aan waarmee een beloning verdiend kan worden. Denk bijvoorbeeld aan beloningen voor prestaties voor buitenschoolse activiteiten of  bijzondere talenten.
  • De beloning per categorie (die je kan vinden in het tabblad 'puntentoekenning') kan  aangepast worden. In deze versie kan elke leerling per categorie evenveel punten verdienen: voor beloningen op cognitief gebied kan hij totaal 32 punten verdienen, voor sociaal gedrag 48 punten en voor inzet weer 32 punten. Die weging kan je gelijk houden voor alle leerlingen maar je kan ook per leerling bepalen voor welke categorie hij de meeste punten kan scoren. Zo kan je het systeem aanpassen op de individuele mogelijkheden van de leerlingen.
  • Beloon niet alleen resultaten, maar ook vooruitgang. Een leerling die een rekentoets onvoldoende maakt, maar wel beter dan de vorige keer, mag best een complimentje krijgen. 
  • De individuele en de groepsscores kunnen binnen de muren van de klas gehouden worden, maar ze kunnen ook gepubliceerd worden in de klassekrant.
  • De jokers kunnen ingezet worden voor de individuele beloning van leerlingen, maar ook als onderdeel van een spel dat of een speurtocht die gedurende het jaar of aan het einde van een semester/trimester klassikaal gespeeld/gedaan wordt. Met het behalen van een joker kan een leerling dan bijvoorbeeld kiezen welke richting gekozen wordt in door de leerkracht ontworpen bordspel of hij kan een antwoord opvragen op een vraag in een speurtocht. 
  • Er zijn heel veel manieren om leerlingen te belonen. Vraag de leerlingen wat zij ervaren als een beloning. 
  • Kies bij voorkeur voor beloningen die liggen in de lijn van de manier waarop die verkregen moeten worden. Een ijsje is leuk, maar heeft weinig te maken met het feit dat je je extra hebt ingespannen voor de biologieles: daarbij past beter een beloning in de vorm van een excursie naar het museum Corpus, bonuspunten die gegeven worden bovenop het repetitiecijfer of zelfs vrijstelling van een les of toets.
Hulp
Wil je hulp bij het gebruik van dit systeem, wil je meer tips hoe je dit systeem kan aanpassen aan je eigen wensen of wil je hulp bij het bedenken van een spel of speurtocht waarbij je de jokers kan inzetten? Of wil je meer weten over gamification? Laat dan een reactie achter bij deze post of stuur me een mailtje.

dinsdag 19 maart 2013

Geanimeerde boeksamenvattingen

Afgelopen vrijdag is de boekenweek van start gegaan. Het thema dit jaar is 'Gouden Tijden, Zwarte Bladzijden'. Natuurlijk wordt daar op vele scholen aandacht aan besteed, waarbij verschillende organisaties tips en leermaterialen aanbieden. Zo ook door Schooltv: zij hebben op hun site videofragmenten verzameld die aansluiten bij het thema.

Een niet op de site genoemde manier om aandacht te besteden is leerlingen de opdracht te geven een animatie te maken van een boek dat past binnen het thema. Schooltv heeft daarvan zelf een aantal prachtige voorbeelden uit de jeugdliteratuur, boeken bestemd voor voor de leeftijdsgroep 10-13 jaar, maar een animatie maken van een boek is ook voor oudere leerlingen een goede opdracht. Door leerlingen een (korte) animatie te laten maken, moeten ze goed nadenken over wat de kern van het verhaal is. En natuurlijk is het risico van 'knippen en plakken' bij het maken van een animatie veel kleiner dan bij het schrijven van een samenvatting.In dit blog vind je verschillende tools en tips waarmee en hoe leerlingen (eenvoudige) animaties kunnen maken.

Je kan leerlingen vragen om een animatie te maken van een boek dat past in het thema van de boekenweek (uitgezocht met behulp van de Boekentipper of de Boekenzoeker), maar ook van een zelf bedacht of een waar gebeurd verhaal. Je kan de opdracht gebruiken voor de Nederlandse les, maar ook voor de vreemde talen, voor de kunst- en cultuurvakken, geschiedenis, maatschappijleer en economische vakken. Als je er een vakoverstijgende opdracht van maakt, hebben de leerlingen meer tijd om er iets moois van te maken en heb je als docent extra handjes bij de begeleiding van de leerlingen. Voor het beoordelen kan je de leerlingen zelf vragen om hun visie te geven op het werk van hun medeleerlingen.

Het resultaat van de opdracht kan je in de komende jaren gebruiken om leerlingen te helpen die op zoek zijn naar een boek dat past bij hun interesse.


Get Microsoft Silverlight
Bekijk de video in andere formaten.


donderdag 14 maart 2013

Informatica, informatiekunde en programmeren

Er is weer van alles te doen rond het vak informatica en rondom mediawijsheid. Op 26 maart is er een bijeenkomst in het kader van het rapport van De Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen over digitale geletterdheid in het voortgezet onderwijs. In dat rapport bepleiten zij de invoering van een nieuw verplicht vak ‘Informatie & communicatie’ in de onderbouw van het HAVO en VWO en een herziening van van het keuzevak Informatica.

Zowel vanuit de kant van het vak 'Informatica' als vanuit de hoek van mediawijsheid is gereageerd op het rapport. Ook mensen uit het hoger onderwijs en de ICT-wereld hebben hun mening gegeven. Allen zijn het erover eens dat het goed zou zijn als er in het onderwijs meer aandacht komt voor informatica en voor goed/wijs gebruik van de mogelijkheden van internet. Wel worden er een paar kanttekeningen gemaakt bij het rapport van de KNAW:
  • waarom een apart vak? Is het niet beter om 'informatie en communicatie'/'digitale geletterdheid'/mediawijsheid te integreren in de bestaande vakken?
  • waarom alleen aandacht voor de verschillende aspecten van ICT in de onderbouw van HAVO en VWO en niet in VMBO?
De commissie die het rapport heeft geschreven had de opdracht om het informaticaonderwijs zoals dat nu in het VO wordt aangeboden door te lichten. Dat verklaart waarom in het rapport niets wordt gezegd over informatica in het basisonderwijs. Maar toch vind ik het een gemiste kans dat daarvan in het rapport nergens melding wordt gemaakt. Ik denk namelijk dat daar juist de beste kansen liggen. Niet alleen vanuit de gedachte 'jong geleerd is oud gedaan' en 'een wiskundeknobbel moet je kweken', maar ook omdat het van belang is om al op de basisschool kinderen aan de slag te laten gaan met ict. En dan niet alleen met het wijs gebruik daarvan, maar ook met de techniek erachter, zodat ze in het voortgezet onderwijs een onderbouwde keuze kunnen maken voor een profiel of richting.

Het leren van een programmeertaal kan een goede start zijn om te leren over de meer 'technische' kanten van ICT. Er zijn genoeg programma's die zich lenen voor gebruik in het basisonderwijs, zoals Scratch, en GameMaker. Bij beide programma's zijn Nederlandstalige handleidingen te vinden: door (o.a.) Scratchweb en de TUDelft voor het programma Scratch en door (o.a.) Gamescool en Pauline Maas voor het programma GameMaker (voor resp. leerkrachten en leerlingen in het basisonderwijs). Voor scholen die met iOS-tablets werken vind ik de app Cargo-Bot waarin je spelenderwijs leert programmeren een aanrader.

In het buitenland gaan steeds meer stemmen op om informatica - in de vorm van programmeerlessen - al aan te bieden in het basisonderwijs.Zullen wij er hier in Nederland alvast mee beginnen?

maandag 11 maart 2013

Pi-dag: niet alleen voor wiskunde

Wie in de wiskundelessen heeft opgelet, weet dat 'pi' (π) het getal is dat je krijgt wanneer je de omtrek van een cirkel deelt door de diameter van die cirkel. Over dat getal kan je heel wat vertellen, bijv. over de historische achtergrond, hoe je de waarde van π  kan benaderen, wanneer je buiten de klas met π moet rekenen en over wie recordhouder is in het onthouden van decimalen van π.

Er zijn aardig wat mensen die zich bezighouden met allerlei aspecten van π en natuurlijk is er ook een dag gewijd aan het getal π: de 14e dag van de maand maart (in Amerikaanse notatie: 3/14). We zouden dit jaar ook een π-maand in het leven kunnen roepen: april, de 4 maand van (20)13.

Op π-dag of in de π-maand kan je allerlei activiteiten organiseren die te maken hebben met π. Je kan leerlingen bijvoorbeeld laten berekenen welk formaat pizza het goedkoopste is, een π-taart (pie) laten bakken, laten onderzoeken op welke positie in het getal π de datum van hun geboortedag voorkomt, een π-rap of -lied laten maken of een π-shirt of π-ketting laten ontwerpen. Meer inspiratie voor π-activiteiten kan je vinden op deze (Amerikaanse) sites over π-dag. En wil je het helemaal gek maken? Stuur je leerlingen dan een π-kaart of begin je les met π-muziek. Met π kan je alle kanten uit!



vrijdag 1 februari 2013

Flipping the classroom: een opstap naar (echte) onderwijsvernieuwing


Afgelopen maandag was ik te gast op De Verdieping bij Kennisnet, waar ik de masterclass ‘The Flipped Classroom’ mocht bijwonen. De masterclass werd gegeven door Jon Bergmann en Aaron Sams, de grondleggers van het concept. Het was een genoegen om erbij te zijn: Jonathan en Aaron zijn beide bevlogen docenten die in staat zijn iedereen in de groep bij het onderwerp te betrekken en actieve deelname te stimuleren. Tegelijkertijd aarzelen ze niet om kritisch te kijken naar het door hen ontwikkelde concept, en durven ze het belang daarvan te relativeren.

Hoe anders is flipping eigenlijk?
Voor mij was dat belangrijk: ik ging naar de bijeenkomst omdat ik wel eens wilde weten wat er nu zo nieuw is aan Flipping the Classroom. Is het wezenlijk anders dan wat ik moest doen op school: een stuk tekst bestuderen voor de les en zodat we in de klas daarmee aan de slag konden gaan?
Jon gaf me al in de ochtend antwoord op die vraag: het is inderdaad niet heel anders. Alleen is het bestuderen van teksten niet iets wat de gemiddelde leerling graag en makkelijk doet, dus daarom geven Jon en Aaron er de voorkeur aan om in plaats daarvan een video aan te bieden.



Het gaat niet om video’s
Flipping the classroom draait volgens Jon en Aaron niet om die video’s. Ook gaat Flipping the Classroom niet per definitie om de het verschuiven van een deel van het leren van de klas naar thuis: je kan ook de les/het onderwijs ‘flippen’ in huiswerkvrij onderwijs. Een goede definitie van het concept is gegeven door Ramsey Musallam, leraar Science op een High School: ‘Flipped learning happens when we remove direct instruction from the group learning space in to the individual learning space.’ Natuurlijk betekent dat niet dat je in de les helemaal geen uitleg meer geeft: integendeel: het stelt je in staat om in te gaan op de vragen die na de algemene instructie nog leven bij (een deel van) de leerlingen.

Opstapje naar andere didactische aanpak
Waarom is Flipping the Classroom dan toch interessant voor het onderwijs? Jon en Aaron geven daarvoor als reden dat Flipping the classroom een concept is dat door docenten zelf eenvoudig opgepakt kan worden. En wie eenmaal dit concept heeft doorgevoerd kan makkelijk een stapje nemen naar een andere didactische aanpak. Voor henzelf was Flipping the Classroom een opstap naar het ‘mastery-concept’. In dit concept bestudeert elke leerling in zijn eigen tempo de leerstof. Hij krijgt eerst individueel instructie, waarna hij gaat oefenen met het onderwerp en in de praktijk gaat toepassen. Daarna krijgt hij een toets. Als hij die onvoldoende scoort, kan hij herkansen, net zolang totdat de toets voldoende wordt gescoord. Deze toets kan eventueel ook vervangen worden door een al dan niet door de leerling zelf bedachte, opdracht waarmee hij aantoont de stof te beheersen.

Onderwijsvernieuwing
Maar vanuit het flippen van de les, kan er volgens Jon en Aaron ook makkelijker overgestapt worden naar andere concepten, bijv. Universal Design for Learning (UDL), onderzoeksgericht onderwijs, probleemgestuurd onderwijs en ‘21e eeuws onderwijs’. Het flippen van de les/het onderwijs is volgens Jon en Aaron voor de docent een laagdrempelige manier om zijn onderwijs naar eigen inzicht te vernieuwen.

Niet echt laagdrempelig voor de docent
Ik ben zelf in het afgelopen jaar betrokken geweest bij een nascholing voor docenten die met ICT aan de slag wilden. Onderdeel van die scholing was het maken van een filmpje: een opdracht waar veel cursisten behoorlijk tegenop zagen. Maar met wat hulp (van de docent en elkaar) slaagde iedereen erin om zelf een filmpje te maken en daar waren ze – terecht – behoorlijk trots op. Ik denk daarom dat ‘flippen’ niet echt laagdrempelig is: ik denk dat de meeste docenten daarbij behoorlijk wat hulp nodig hebben. Maar ik verwacht zeker dat wie erin slaagt om zijn lessen te flippen, zelfverzekerder een nieuwe afslag neemt naar onderwijsvernieuwing!

N.B. Deze blogpost is ook verschenen als gastblogpost op de Kennisnet Innovatie-site.

woensdag 19 december 2012

Informatie beoordelen en zoeken

Onlangs deed Dialogic in opdracht van Mediawijzer.net een onderzoek naar het mediagebruik en -gedrag van vmbo-jongeren in 2012. Eén van de - voor mij niet verbazingwekkende - uitkomsten was dat 80% van de vmbo-jongeren niet structureel de betrouwbaarheid van gebruikte bronnen checkt. Dit werd onderzocht door leerlingen stellingen voor te leggen als:
  • Als ik informatie vind op internet voor een schoolopdracht, controleer ik die informatie via andere websites/bronnen.
  • Ik controleer waar de informatie vandaan komt (de bron).
  • Ik klik op een link zonder de omschrijving bij het zoekresultaat te lezen.
Uit: Achter de schermen:
Mediagebruik en -gedrag vmbo-jongeren 2012. Dialogic, 2012.
Ik was aangenaam verrast toen ik las dat maar liefst 71% van de ondervraagde leerlingen wel eens gevonden informatie heeft gecontroleerd via andere websites of bronnen en dat zelfs 76% wel eens de bron heeft gecontroleerd. Waarom ik dat hoge percentages vind?
Omdat:
  1. informatie die vmbo-leerlingen zoeken op op het web vaak betrouwbaar wordt weergegeven omdat het gaat om feitenkennis,
  2. in de meeste zoekmachines betrouwbare bronnen op het gebied van feitenkennis vaak hoog scoren, o.a. omdat er vaak naar gelinkt wordt,
  3. omdat de 'straf' die staat op het citeren uit onbetrouwbare bronnen vaak beperkt is, terwijl de tijdwinst die het oplevert door informatie en bronnen niet te controleren vaak groot is.

Bewust of onbewust
Als ik mijn eigen zoekgedrag aan onderzoek onderwerp, dan kan ik alleen maar zeggen dat ik ook lang niet altijd bewust informatie en bronnen controleer. Soms biedt de gevonden informatie me voldoende houvast (bijv. omdat ik me alleen maar wil oriënteren op een bepaald onderwerp) en soms vind ik het niet heel belangrijk is of de gevonden informatie correct is of komt het antwoord overeen met wat ik verwachtte (bijv. als ik wil controleren of iemand in een bepaalde eeuw heeft geleefd). Allemaal redenen om niet actief en bewust bronnen of informatie te controleren.

Maar onbewust doe ik natuurlijk wel het een en ander, ook in bovenstaande situaties:
  • ik ken veel bronnen en weet welke daarvan (redelijk) betrouwbaar zijn,
  • ik doe een 'educated guess' van wie de website die ik bezoek afkomstig is,
  • ik zoek vaak op meer sites en zoek verder als ik merk dat die elkaar tegenspreken,
  • ik ga na of het antwoord aansluit bij de kennis die ik heb over dat onderwerp.
Ik vermoed dat leerlingen soms ook dit soort controles uitvoeren maar zich er niet van bewust zijn dat ze dat doen. Het zou me daarom niet verbazen als de percentages die ik hierboven noem in feite nog hoger liggen.

Beter zoeken
De belangrijkste uitkomst van het onderzoek van Dialogic vind ik zeker niet het feit dat zo'n groot deel van de vmbo-jongeren niet structureel de betrouwbaarheid van gebruikte bronnen checkt. Vele malen interessanter vind ik de uitkomst dat intensieve internetgebruikers significant zorgvuldiger zoeken: een ander aspect van informatievaardigheden. In het onderzoek staat hierover: "Intensieve internetgebruikers hebben waarschijnlijk gaandeweg veel bijgeleerd over het gebruik van internet. Ze hebben meer goede en meer slechte bronnen gevonden, wat hun beter in staat stelt te reflecteren op hun zoekgedrag.".

Dat lijkt me een goede basis voor wie jongeren wil helpen om de mogelijkheden van internet beter te benutten: laat ze veel gebruik maken van internet. Het effect daarvan is tweeledig: niet alleen ervaren leerlingen op die manier wat voor hen bruikbare bronnen zijn en wat niet en kunnen ze reflecteren op hun zoekgedrag, ook stelt het ze in staat om op zoek te gaan naar betere bronnen als de eerste bronnen niet voldoen aan hun eisen. Dat maakt de inspanning om op zoek naar goede bronnen te gaan kleiner. Om leerlingen de stap die daartussen ligt - het beoordelen van de bronnen - te laten zetten, moeten ze gemotiveerd en geholpen worden. Motivatie door de keuze voor een goede bron van belang te laten zijn voor hun studie; hulp door hun reflectie op zoekvaardigheden uit te breiden naar beoordelingsvaardigheden en zich zo bewust te worden van door hen waarschijnlijk al onbewust (maar ook nog onvoldoende) toegepaste beoordelingstechnieken.

woensdag 5 december 2012

Nadenken over nu en straks: dat doen we op school

Ik volg met veel plezier de filmpjes van de RSA, 'The Royal Society for the encouragement of Arts, Manufactures and Commerce', die zich ten doel stelt om vernieuwende, praktische oplossingen te vinden op problemen die zich in onze maatschappij voordoen. In de filmpjes geven grote denkers hun visie op allerlei zaken in onze maatschappij, waarbij ze ook tips geven over hoe je daarmee kan omgaan.

The RSA maakt ook getekende en geanimeerde filmpjes, waarbij de teksten verbonden worden met beeld. Ik vind het prachtige visuele spektakelstukken die ik graag een paar keer bekijk om alle elementen goed tot me te laten doordringen.


Onderstaand filmpje vertelt Roman Krznaric, filosoof en schrijver, over het belang van empathie: dat we moeten weten, begrijpen en voelen wat belangrijk is voor anderen, wat anderen drijft en wat ze weerhoudt. Hij doet daarbij het voorstel om een 'empathiemuseum' in te richten. In dat museum kan je een t-shirt maken onder dezelfde omstandigheden zoals in sweatshops, waarbij je voor je t-shirt beloond wordt met een paar centen, waar je bij je kopje een filmpje kan zien over de omstandigheden van werkers op koffieplantages en waar een bibliotheek is met mensen die je kan 'lenen' om gesprekken met hen te voeren over hoe zij leven.

Het lijkt me een prachtig project voor scholen. Vanuit verschillende (mens- en maatschappij)vakken kunnen kunstwerken voor zo'n empathiemuseum gemaakt worden. Voor aardrijkskunde maken leerlingen filmpjes over wat het betekent om te migreren of ze maken een nieuwsreportage over de schade die wordt toegebracht door een orkaan, voor geschiedenis wordt een spel gemaakt waarin je het leven van personen die leven in de tweede wereldoorlog volgt, voor economie wordt een spreadsheet gemaakt waarin je - op basis van economische modellen - kan zien wat er gebeurt met de economie als we landen zoals Spanje of Griekenland aan hun lot overlaten, en voor godsdienst of levensbeschouwing worden gerechten klaargemaakt uit allerlei culturen die je voorgeschoteld krijgt zodra je weet waarom die gerechten zijn zoals ze zijn.

Je kan het project ook dichter bij huis houden door de problemen die leven binnen de school als onderwerp te nemen van het museum. Welke politieke overtuigingen zijn er binnen de school, welke culturele groepen zijn er, hoe voelt het om alleen gelaten of gepest te worden vanwege je uiterlijk, je seksuele geaardheid of 'zomaar'? 

Natuurlijk kan je bij zo'n project ook hulp van buiten de school betrekken: de bibliotheek kan helpen om bronnen te verzamelen, culturele en religieuze organisaties kunnen toelichting geven op verschillende onderwerpen en er zijn ook vast leerlingen en ouders die wat kunnen vertellen over wat hen drijft.

Als het museum klaar is, vraag je niet alleen de ouders van de leerlingen om een bezoek te brengen aan je museum, maar alle mensen in de buurt. Want met jouw museum kan je laten zien dat de wereld jou ter harte gaat.


donderdag 29 november 2012

Voor op mediawijze verlanglijstjes

Ik hou er niet zo van om reclame te maken, maar als je net als ik mediawijsheid belangrijk vind, van boeken houd èn altijd op zoek bent naar manieren om jongeren te laten reflecteren over wat media zijn, wat ze je te bieden hebben en hoe je er zelf je voordeel mee kan doen, dan moet je echt nummer 3 van 'boektijdschrift' DUF (met de fraaie ondertitel: Waanwijs) bekijken.

DUF hanteert voor hun uitgaven de titel 'boektijdschrift' en daarmee wordt direct duidelijk dat het iets is dat tussen boek en tijdschrift in hangt: te dik voor een tijdschrift; te divers voor een boek. De vormgeving is prachtig: de kaft is lenticulair drukwerk (drukwerk waarbij je afhankelijk van de kijkhoek verschillende afbeeldingen ziet), er zijn verschillende soorten papier gebruikt en het geheel is voorzien van prachtige afbeeldingen en een leeslintje zodat je geen ezelsoren hoeft te maken.

DUF is gericht op pubers (of om preciezer te zijn: 12- tot 17-jarigen). Dat merk je o.a. in het taalgebruik (dat is (lekker) direct) en in de vormgeving (veel beelden). Maar DUF is niet een makkelijk tijdschrift: het biedt enorm veel informatie en gaat behoorlijk de diepte in.

Zoals gezegd is het onderwerp van aflevering 3 van dit boektijdschrift mediawijsheid. In het nummer vind je cursussen (o.a. een snelcursus smeuïge soaps schrijven), er zijn testjes (feitencheck: slik jij alles voor zoete koek?), puzzels (herken bekende afbeeldingen, herken broodje aap verhalen), columns (o.a. van Aaf Brandt Corstius), informatie om over na te denken (o.a. snap ik waarom ik draag wat ik draag) en nog veel meer.

Er is zoveel dat dit boektijdschrift dat één inhoudsopgave niet genoeg is. Er zijn er dan ook twee: een inhoudsopgave waarin de inhoud van Waanwijs onderverdeeld is in de categorieën Ik, Doen, Wereld en Denken, waarin met kleuren wordt aangegeven of het gaat om Internet, Reclame & Entertainment, Wetenschap & Journalistiek of om Persoonlijke Ontwikkeling, en een inhoudsopgave waarin je zoekt in rubrieken als Wetenswaardigheden, Advertising, Waanzien (beeldtaal) en Journalistiek. Echt makkelijk zoeken is het niet in de beide inhoudsopgaven, maar het past wel bij de doelgroep (vermoed ik) en zeker ook bij internet: associatief en hypertekst-achtig.

Ik zou dit boektijdschrift graag willen neerleggen op scholen: zowel bij de leerlingen in de kantine als op de leestafel in docentenkamer. Er valt voor beiden veel te halen uit dit blad: wijsheid over media en heel veel manieren hoe je kan stilstaan bij het fascinerende en veelzijdige onderwerp mediawijsheid.

N.B. Deze derde aflevering van DUF kost 19,95 euro. Aflevering nr. 1 (24,95) is niet meer verkrijgbaar bij de uitgever, maar nog wel bij Bol.com. Nummer 2 kan je voor 24,95 euro bestellen op de site van DUF. Prachtige cadeautjes voor de Sint (alhoewel hij sterke pieten moet hebben om die boektijdschriften mee te dragen: ze wegen per stuk (ruim) 1 kilo) of voor onder de kerstboom!


maandag 26 november 2012

Vier in balans, ict-professionalisering en mediawijsheid

Een dag of 10 geleden was ik te gast bij De Onderwijsdagen. Daar was veel aandacht voor mediawijsheid: er waren maar liefst 11 presentaties aan gewijd. Daarnaast (en gedeeltelijk overlappend) lag er een sterke focus op de veranderende rol van de leraar en (de daarmee samenhangende) docentprofessionalisering.

Veel grote woorden, maar in feite natuurlijk onderwerpen die al oud zijn en door elke docent onderkend worden. Wil je je vak goed uitoefenen, dan is het zaak op de hoogte te zijn van wat er speelt in je vakgebied en op het gebied van didactiek (bijv. 'de leerling centraal'), bij de leerlingen (bijv. het gebruik van sociale media) en in de maatschappij (bijv. de toenemende inzet van ict). Ik ken geen docent die zich hier niet van bewust is en die niet op de één of andere manier hiermee bezig is: door vakliteratuur te lezen, cursussen te volgen of door met collega's van gedachten te wisselen, al dan niet gecombineerd met het op basis van die bevindingen en ervaringen doorvoeren van vernieuwingen in de eigen lessen.

De winst van de presentaties vind ik dan ook niet dat er aandacht is voor dit soort zaken, maar wel dat er een poging werd gedaan om te komen tot heldere definiëringen en om structuur aan te brengen in de containerbegrippen mediawijsheid en ict-professionalisering. Want het gevaar is anders groot dat je urenlange gesprekken voert voordat je tot de conclusie komt dat de een een andere opvatting heeft bij mediawijsheid dan de ander, dat er geen eenduidige visie is op wat een docent moet weten en kunnen of dat de een ict vooral ziet als een middel om besparingen door te voeren en de ander als middel om het onderwijs te verbeteren.

Daarom van harte aanbevolen de volgende documenten:
  • over mediawijsheid: wat is het en wat verwachten we dat leerlingen moeten kennen, kunnen en doen na afloop van hun opleiding:
    Het competentiemodel is een prima basis voor een gesprek op elke school, met docenten, leerlingen, directie, bestuur en ouders: welke vaardigheden wil je je leerlingen meegeven, wat verwacht je van de aanleverende onderwijsinstellingen, welke taken en verantwoordelijkheden leg je bij de school, bij de leerlingen en bij de ouders? 
  • Over welke ict-vaardigheden we verwachten van docenten:
    • het Kader voor ict-bekwaamheid van leraren.
      Dit document helpt scholen om invulling te geven aan de algemene vakbekwaamheidseisen voor leraren, zoals omschreven door de Onderwijscoöperatie (2012), waarin wordt gezegd dat bekwame leraren kennis hebben van digitale leermaterialen en -middelen en als zij de pedagogisch-didactische mogelijkheden en beperkingen daarvan kennen. Daarnaast kunnen zij doelmatig gebruikmaken van beschikbare digitale leermaterialen en -middelen.
Daarnaast kregen we alvast een korte inkijk in de Vier in Balans monitor 2012, waarin (m.i. terecht) wordt gesteld dat de kwaliteit van de leraar de belangrijkste succesfactor is. Bij de presentatie daarvan werd een boeiende, heerlijk relativerende presentatie gegeven over ict in het onderwijs door filosofiedocent Jan Verweij, VO-docent van het jaar. Een duidelijker bewijs dat de docent de basis is van goed onderwijs en dat ict alleen een hulpmiddel kan zijn, kon er volgens mij niet gegeven worden!

maandag 19 november 2012

Slimme wiskunde!

Ik ben altijd weer onder de indruk van wat je met een computer kan doen. Maar dat betekent nog niet dat ik denk dat je overal het beste de computer voor in kan zetten. Dat weten we natuurlijk allemaal wel: wie 3 en 5 bij elkaar wil optellen kan dat met de computer of de rekenmachine doen, maar uit je hoofd gaat het natuurlijk sneller. En als ik naar het winkelcentrum in mijn woonplaats loop, zal ik echt geen gebruik maken van de gps-functionaliteit in mijn computer.

Maar hoe zit dat met lootjes trekken? Is er een manier hoe je bij lootjes trekken kan voorkomen dat je jezelf trekt, zonder dat je daarvoor een computer gebruikt? Ionica Smeets, één van de twee Wiskundemeisjes, vertelt hieronder hoe dat kan in een 'Wetenschap 101'-filmpje.Ze daagt je uit om zelf een ingewikkeldere variant te bedenken, bijvoorbeeld eentje waarbij partners elkaar lootje niet mogen krijgen.



N.B. Smaakt de tip naar meer? Lees dan ook de columns van Ionica en haar collega 'Wiskunde-meisje' Jeanine Daems. ze zijn te vinden op het web en in in de Volkskrant. Afgelopen zaterdag schreef Ionica over hoe het komt dat de publieksstem bepalend is bij wie er door gaat naar de volgende ronde in The Voice of Holland, èn hoe het komt dat Martijn Krabbé daar niets van snapt.....!

maandag 12 november 2012

Begrijpelijk of discriminatie?

Het leven van een student gaat niet altijd over rozen. Er moet (door sommigen) hard gewerkt worden om voldoende resultaat te boeken en inkomen te vergaren en het vinden van huisvesting is niet altijd eenvoudig. Als ouder van een student probeer ik te helpen waar ik mag en kan. Dat betekende dat ik afgelopen zomer probeerde een weekje een huisje te boeken voor 'mijn' student en een paar van zijn vrienden. En toen in het studentenhuis van mijn student geen verwarming was en de elektriciteit vaak uitviel, ging ik op zoek naar een huisje in een vakantiepark. Er staat immers op dit moment genoeg leeg, en in de kou studeren, valt niet mee.

Maar studenten zijn lang niet overal welkom, merkte ik. Toen ik aan de eigenaar van het zomerhuisje meldde dat een deel van de tijd dat ik het huisje wilde huren, mijn zoon erin zou trekken met zijn vrienden, toen werd mij onomwonden meegedeeld dat het huis niet verhuurd werd aan studenten, ook niet als dat gebeurde onder mijn naam en ik tevoren de huurpenningen overmaakte. Toen ik het vakantiepark belde en vertelde waarom ik een huisje wilde huren, werd me verteld dat het park vol was geboekt. Vreemd, want via internet zag ik dat er nog ruimte genoeg was en toen ik later belde om een huisje te boeken voor een familiereünie, was dat geen enkel probleem.

Nu snap ik best dat niet iedereen ervan gecharmeerd is om studenten onderdak te bieden. Ik vermoed dat als je de statistieken bekijkt, studenten vaker dan bijvoorbeeld ouderen voor overlast zorgen. Er zal vast meer sneuvelen in een huisje als dat bewoond wordt door studenten, dan wanneer het bewoond wordt door een gezin, en ik kan me voorstellen dat studenten meer geluidsoverlast bezorgen dan de werknemers van het bedrijf dat op survivalkamp gaat. Maar dat lijkt mij geen reden om bij voorbaat studenten te weigeren. Wat voor een aantal leden van een groep geldt, hoeft niet van toepassing te zijn op de totale groep. En ons rechtstelsel is volgens mij zo ingericht dat je onschuldig bent, totdat het tegendeel bewezen is.

Naar aanleiding van de weigering heb ik bij het vakantiepark een klacht ingediend. Na wat heen en weer gepraat hebben zij aangegeven dat ze uitsluiting van bepaalde groepen voor de toekomst willen voorkomen en dat ze een passende oplossing daarvoor gaan doorvoeren. Daar ben ik natuurlijk blij mee. Maar het feit dat ik twee keer mijn neus heb gestoten bij het zoeken naar een huisje voor een student, kan bijna geen toeval zijn. Ik vermoed dat dit beleid gevoerd wordt bij veel meer verhuurders van vakantiewoningen. Van studenten die ik hierover sprak,begreep ik dat ze het heel gewoon vonden. Of waren ze er intussen aan gewend, en accepteerden ze de situatie zoals die was omdat verzet niet hielp?

Ik ben eerlijk gezegd best geschokt door het feit dat studenten zomaar geweigerd kunnen worden en misschien nog wel meer door het feit dat dit zomaar geaccepteerd wordt door de studenten zelf. Zoek ik spijkers op laag water of vinden jullie dit ook een vorm van discriminatie?

Afbeelding van Hannes de Geest, gepubliceerd onder CC-by-nc.



woensdag 7 november 2012

Robomind: programmeren voor iedereen

Van de makers van Robomind kreeg ik het verzoek om hun programma eens uit te proberen en er hier over te schrijven. Dat doe ik graag: programmeren vind ik iets wat iedereen ten minste een keer in zijn leven zou moeten doen. Om een programma te kunnen schrijven moet je logisch nadenken en dat komt natuurlijk bij alle vakken van pas. Daarnaast heb ik gemerkt dat als je een programmeertaal kent, je daarna veel makkelijker allerlei andere 'talen' leert: of het nu gaat om het schrijven van een programma of om het gebruiken ervan.

Robomind is een heel eenvoudig aan te leren programma waarmee kinderen op de basisschool leren een robotje te programmeren. In een aantal lessen leren ze hoe ze het robotje kunnen laten bewegen, het pad dat het robotje aflegt te laten 'verven', hoe ze de robot stappen kunnen laten herhalen en hoe ze het robotje kunnen vertellen dat hij alleen maar iets mag doen als aan een bepaalde voorwaarde voldaan is (bijv. hij mag alleen vooruit gaan als er geen obstakel voor hem staat). Die voorwaardelijke opdrachten kunnen ook gecombineerd worden met een herhalingsopdracht; dat wordt een logische expressie genoemd.

De laatste stap is dat kinderen leren hoe ze zelf een aantal procedure kunnen schrijven: een soort miniprogrammaatje dat je steeds binnen het grote programma kan herhalen, maar waarin je dan wel een aantal waarden kan veranderen (bijv. een programmaatje om een rechthoek te tekenen, waarbij je per keer kan bepalen hoe groot de rechthoek wordt).

Het klinkt redelijk ingewikkeld als je het beschrijft, maar in de praktijk valt dat erg mee omdat er bij het programma duidelijke lessen zijn waarin precies staat beschreven hoe je het robotje moet programmeren om het te laten doen wat jij wilt. Handig daarbij vind ik de 'afstandsbediening': een virtuele console met daarop knoppen om het robotje te besturen, hem de door hem afgelegde weg te laten verven en dingen op te laten pakken of neer te laten zetten. Door hiermee aan de slag te gaan, ervaren kinderen hoe het robotje beweegt en welke voorwaarden ze aan de commando's moeten stellen.

Alhoewel het maken van een programma behoorlijk wat abstractieniveau vraagt, zullen alle leerlingen goede resultaten kunnen boeken met Robomind door de heldere, stap voor stap uitleg in de lessen. Leerkrachten die leerlingen willen laten werken met Robomind hoeven geen ervaren programmeurs te zijn: ze krijgen tal van tips waarop ze de leerlingen moeten attenderen en hoe ze ze kunnen begeleiden. De filmpjes die bij de uitleg aangeboden worden maken duidelijk dat we al heel veel met robots werken voor allerlei klussen. Kinderen zullen al snel doorhebben dat zo'n robot best handig kan zijn!

Ik heb zelf alleen de lessen voor het basisonderwijs bekeken. Die vond ik leuk, maar niet uitdagend genoeg voor de snellere leerlingen. Gelukkig zijn er ook lessen voor het voortgezet onderwijs en zelfs voor het hoger onderwijs, dus leerlingen, studenten en docenten die meer willen kunnen daar terecht.

Voor de slimme leerling in het basisonderwijs zou je extra uitdaging kunnen bieden door ze zelf (of met wat hulp van de leerkracht) een omgeving te laten creëren waarbinnen ze hun robotje laten bewegen. Op die manier kunnen ze zelf iedere keer moeilijker (of makkelijker) opdrachten bedenken. Daardoor ontstaat ook een soort spel: de ene leerling kan de andere uitdagen om een programma te bedenken om de robot een door hem bepaald doel te laten bereiken. Wie maakt de mooiste kaart en bedenkt de leukste hindernissen voor zijn robot?

Met Robomind kan je niet alleen een virtuele robot aansturen, maar ook een echte (NXT Mindstorms) robot. Daarmee kan je natuurlijk weer extra uitdagingen creëren voor je leerlingen.

Wil je met Robomind aan de slag? Voor gebruik thuis hoef je niets te betalen. Wil je het op school inzetten, dan betaal je ofwel 29,95 euro per individuele licentie, ofwel 212,36 euro voor een licentie voor de hele school. Voor de lespakketten betaal je afzonderlijk: 181,50 euro voor een pakket van 7 lessen waarmee je in de klas direct aan de slag kan gaan. Nederlandstalig lesmateriaal voor hogere niveaus is in ontwikkeling.

dinsdag 6 november 2012

Het onderwijs: een kennisvergiet?

In het novembernummer van het blad InDruk van Kennisnet dat afgelopen week op mijn deurmat viel, staat een pleidooi om op scholen een informatiemanager te benoemen: iemand die beleid bepaalt dat ervoor moet zorgen dat iedereen op het juiste moment beschikt over de voor hem benodigde informatie. In dit betoog wordt het informatiebeleidsplan (dat opgesteld wordt door de informatiemanager) gezet tussen het onderwijsvisiebeleidsplan en het ict-beleidsplan. Het informatiebeleidsplan moet ervoor zorgen dat er samenhang ontstaat tussen het onderwijsbeleidsplan en de ict-investeringen:

Uit: InDruk, november 2012. Vermeer, Margreet. Benoem een Informatiemanager.
 Ik kan me volledig vinden in het betoog. Niet alleen omdat het in kaart brengen en structureren van informatiestromen van belang is voor het ICT-beleidsplan maar ook omdat er op scholen zo verschrikkelijk veel informatie verloren gaat.

Daaraan heb ik 4 jaar geleden al eens een blogpost gewijd. Het onderwijzend en onderwijs-ondersteunend personeel van scholen maakt talloze (virtuele) documenten: leermaterialen, lesbrieven en lesplannen, instructies voor projectweken, opdrachten en toetsen, ze verzamelen bronnen om zelf lessen te maken en voor leerlingen om de lesstof van verschillende kanten te belichten enz. Helaas is van uitwisseling van die documenten door docenten en onderwijsondersteuners maar weinig sprake. Niet omdat er sprake is van onwil, maar omdat niemand weet wat er allemaal is en omdat er geen enkele manier is om in die documenten te zoeken. Jammer: het zou natuurlijk reuze makkelijk zijn als ergens alle toetsvragen, lessen, instructies, opdrachten enz. terug te vinden zijn: per vak, per onderwerp en per niveau. Of als je eens kan snuffelen in de favoriete video's of websites van je collega-toa. Door op scholen beleid te ontwikkelen hoe deze materialen verzameld en ontsloten kunnen worden, kan voorkomen worden dat onderwijs(ondersteuners) telkens opnieuw het wiel opnieuw uitvinden.

De winst die geboekt kan worden door het ontwikkelen van een informatiebeleid, wordt nog groter in de komende jaren. Door de vergrijzing zullen op de meeste scholen in de komende jaren veel docenten met pensioen gaan. Lang niet altijd zullen zij tijd investeren om hun archief over te dragen aan hun jongere collega's. En zelfs als zij dat willen doen (en daarvoor tijd vrij kunnen en willen maken), dan zal ieder zelf een systeem moeten bedenken welke materialen ze overdragen en hoe ze die toegankelijk maken. De kans dat dit leidt tot een goed toegankelijke informatieverzameling is natuurlijk nihil.

Er zijn natuurlijk docenten die al op allerlei manieren hun materialen delen met anderen: via communitiesWikiwijsweblogs en websites. Ook na hun pensioen blijven sommigen nog bezig met delen van kennis, zoals bijv. Sjaak Janssen, oud-docent van de KSE, die zijn CKV-materialen online ter beschikking stelt. Als dit privé en buiten school al gedaan wordt, dan moet het toch ook lukken om binnen scholen hierop beleid te ontwikkelen.  

Margreet Vermeer pleit er in haar artikel in InDruk voor om op scholen een informatiemanager te benoemen. Voor mij is het logisch dat de mediathecaris een rol gaat spelen in dat traject: als informatiemanager of als informatie-analist, met name waar het gaat om informatiestromen ten behoeve van het primaire proces: het onderwijs zelf. 

Wil je meer weten over wat een informatiemanager kan doen voor een school? Lees dan het novembernummer van InDruk




woensdag 31 oktober 2012

Webquests: waarom zou je die gebruiken?

De webquest is blijkbaar een populaire opdrachtvorm: er zijn er aardig wat te vinden op het web. Niet vreemd dat er zoveel zijn: ik hoor van studenten van pabo's nogal eens dat ze zo'n webquest moeten maken en dat levert natuurlijk door de jaren heen aardig wat materiaal op. Maar de kwaliteit van die webquests is soms teleurstellend: het format dat door Bernie Dodge (de bedenker van de webquest) is opgesteld wordt nauwgezet gevolgd, maar aan de achterliggende didactiek wordt weinig tot geen invulling gegeven. Jammer, vind ik: niet alleen omdat het materiaal zo weinig waarde heeft, maar omdat de opdracht voor de student weinig waarde heeft. Hij leert wel de techniek van het maken van een webquest (technisch gezien: niet veel anders dan een website bouwen), maar niet de didactiek die erachter zit.

Ik heb daarom een alternatieve webquest gemaakt: De Anti-Quest. Een webquest waarin studenten de opdracht krijgen om met hun docent in discussie te gaan over waarom ze een webquest moeten maken. Als ze het pleit in hun voordeel beslechten, dan hoeven ze die webquest niet meer te maken. Lukt het ze niet om de docent te overtuigen, dan moeten ze alsnog een webquest maken. Maar in beide gevallen hebben ze geleerd wat een goede webquest is, en waarom die is zoals die is ;-)

Heb je suggesties voor verbetering? Ze zijn van harte welkom!