Posts weergeven met het label onderwijs algemeen. Alle posts weergeven
Posts weergeven met het label onderwijs algemeen. Alle posts weergeven

vrijdag 1 februari 2013

Flipping the classroom: een opstap naar (echte) onderwijsvernieuwing


Afgelopen maandag was ik te gast op De Verdieping bij Kennisnet, waar ik de masterclass ‘The Flipped Classroom’ mocht bijwonen. De masterclass werd gegeven door Jon Bergmann en Aaron Sams, de grondleggers van het concept. Het was een genoegen om erbij te zijn: Jonathan en Aaron zijn beide bevlogen docenten die in staat zijn iedereen in de groep bij het onderwerp te betrekken en actieve deelname te stimuleren. Tegelijkertijd aarzelen ze niet om kritisch te kijken naar het door hen ontwikkelde concept, en durven ze het belang daarvan te relativeren.

Hoe anders is flipping eigenlijk?
Voor mij was dat belangrijk: ik ging naar de bijeenkomst omdat ik wel eens wilde weten wat er nu zo nieuw is aan Flipping the Classroom. Is het wezenlijk anders dan wat ik moest doen op school: een stuk tekst bestuderen voor de les en zodat we in de klas daarmee aan de slag konden gaan?
Jon gaf me al in de ochtend antwoord op die vraag: het is inderdaad niet heel anders. Alleen is het bestuderen van teksten niet iets wat de gemiddelde leerling graag en makkelijk doet, dus daarom geven Jon en Aaron er de voorkeur aan om in plaats daarvan een video aan te bieden.



Het gaat niet om video’s
Flipping the classroom draait volgens Jon en Aaron niet om die video’s. Ook gaat Flipping the Classroom niet per definitie om de het verschuiven van een deel van het leren van de klas naar thuis: je kan ook de les/het onderwijs ‘flippen’ in huiswerkvrij onderwijs. Een goede definitie van het concept is gegeven door Ramsey Musallam, leraar Science op een High School: ‘Flipped learning happens when we remove direct instruction from the group learning space in to the individual learning space.’ Natuurlijk betekent dat niet dat je in de les helemaal geen uitleg meer geeft: integendeel: het stelt je in staat om in te gaan op de vragen die na de algemene instructie nog leven bij (een deel van) de leerlingen.

Opstapje naar andere didactische aanpak
Waarom is Flipping the Classroom dan toch interessant voor het onderwijs? Jon en Aaron geven daarvoor als reden dat Flipping the classroom een concept is dat door docenten zelf eenvoudig opgepakt kan worden. En wie eenmaal dit concept heeft doorgevoerd kan makkelijk een stapje nemen naar een andere didactische aanpak. Voor henzelf was Flipping the Classroom een opstap naar het ‘mastery-concept’. In dit concept bestudeert elke leerling in zijn eigen tempo de leerstof. Hij krijgt eerst individueel instructie, waarna hij gaat oefenen met het onderwerp en in de praktijk gaat toepassen. Daarna krijgt hij een toets. Als hij die onvoldoende scoort, kan hij herkansen, net zolang totdat de toets voldoende wordt gescoord. Deze toets kan eventueel ook vervangen worden door een al dan niet door de leerling zelf bedachte, opdracht waarmee hij aantoont de stof te beheersen.

Onderwijsvernieuwing
Maar vanuit het flippen van de les, kan er volgens Jon en Aaron ook makkelijker overgestapt worden naar andere concepten, bijv. Universal Design for Learning (UDL), onderzoeksgericht onderwijs, probleemgestuurd onderwijs en ‘21e eeuws onderwijs’. Het flippen van de les/het onderwijs is volgens Jon en Aaron voor de docent een laagdrempelige manier om zijn onderwijs naar eigen inzicht te vernieuwen.

Niet echt laagdrempelig voor de docent
Ik ben zelf in het afgelopen jaar betrokken geweest bij een nascholing voor docenten die met ICT aan de slag wilden. Onderdeel van die scholing was het maken van een filmpje: een opdracht waar veel cursisten behoorlijk tegenop zagen. Maar met wat hulp (van de docent en elkaar) slaagde iedereen erin om zelf een filmpje te maken en daar waren ze – terecht – behoorlijk trots op. Ik denk daarom dat ‘flippen’ niet echt laagdrempelig is: ik denk dat de meeste docenten daarbij behoorlijk wat hulp nodig hebben. Maar ik verwacht zeker dat wie erin slaagt om zijn lessen te flippen, zelfverzekerder een nieuwe afslag neemt naar onderwijsvernieuwing!

N.B. Deze blogpost is ook verschenen als gastblogpost op de Kennisnet Innovatie-site.

donderdag 19 januari 2012

Het zijn de kleine dingen...

Door: Martijn van den Berg
Bij de hotelschool waar ik studeer, zijn er bij mijn opleiding ongeveer 2400 mensen. Als je dit verdeelt over 4 jaar, 4 modules per jaar, en 12 mensen in een klas, kan je tot de conclusie komen dat er in ieder moduul ongeveer 12 groepen zijn. Deze mensen volgen in een moduul allemaal hetzelfde vak. Aangezien de meeste docenten het niet leuk vinden om dezelfde workshop 12 keer in een week wordt gegeven, wordt elk vak door verschillende docenten gegeven. Iedere docent heeft een eigen manier van iets vertellen. Uiteindelijk betekent dit dat iedereen de stof net iets anders leert.

Maar deze verschillen kunnen erg groot zijn. Niet alleen in het vertellen van het verhaal kunnen veel verschillen zitten, maar ook in hoe een leraar voor de klas staat. Als een leraar iets enthousiast kan vertellen, zullen studenten ook sneller enthousiast zijn. Zo had ik op de middelbare school een leraar die in zijn vrije tijd DJ was, en bij iedere les alles relateerde naar de disco. Dit maakte de lessen er interessant.

Daarnaast is originaliteit ook heel erg belangrijk. Er zijn veel docenten die materiaal van andere leraren gebruiken. Op deze manier weet je zeker dat je dezelfde stof behandelt, maar aan de andere kant kan je meestal niet het verhaal erbij vertellen wat de docent bedoeld had

In het kader van "practice what you preach" vind ik het als leerling belangrijk dat docenten nadenken over hoe ze een boodschap overbrengen. De manier waarop je dingen zegt, en de inhoud van wat je zegt, heeft onbewust al heel veel invloed op hoeveel geleerd wordt. Zo zijn de kleine dingen in een les vaak al heel erg belangrijk, al is het maar onbewust.

woensdag 21 december 2011

ICT: het middel is nodig om het doel te bereiken

In mijn laatste post in dit kalenderjaar wil ik even mijmeren over waarom ik ICT nu zo belangrijk vind en waarom ik denk dat je nu geen onderwijs meer kan geven zonder ICT.

Er is in de afgelopen jaren heel wat onderzoek gedaan naar wat onderwijs met ICT kan opleveren.Uit een meta-onderzoek gedaan door John Hattie blijkt dat het gebruik van ICT op zich maar heel weinig effect heeft op onderwijs. Veel belangrijker zijn zaken als het enthousiasme waarmee de docent les geeft, de kwaliteit van de feedback die hij geeft en de kennis die de docent heeft van wat de leerling, weet en kan, van wat hem boeit en hoe hij leert. Heel kort gezegd komt het er - volgens het meta-onderzoek van Hattie, erop neer dat een goede docent goed onderwijs geeft.

Ook in Nederlands is onderzoek gedaan naar de bijdrage die ICT kan leveren aan het onderwijs. Lees maar eens de publicaties uit de Kennisnet-onderzoeksreeks. Uit de meeste van die onderzoeken blijkt dat lesgeven met ICT ten minste evenveel (en soms meer) kan opleveren dan onderwijs zonder ICT. Natuurlijk moet dan wel aan een aantal voorwaarden voldaan worden: ICT moet met het juiste doel en op een goede manier ingezet worden.

Dat is natuurlijk een uitkomst die van toepassing is op heel veel (onderwijs)instrumenten: als je een instrument gebruikt voor een verkeerd doel of niet vakkundig gebruikt, dan helpt het je weinig verder. Een timmerman kan wonderen doen met een boormachine, maar niet als hij niet weet hoe die werkt of als hij 'm gebruikt om brooddeeg mee te kneden! Maar als de timmerman zijn boormachine gebruikt om een gaatje te boren in een kast om zo een pen-en-gat-verbinding te maken, dan helpt de boormachine hem om sneller, mooier en/of effectiever een kast te maken. Dat gaat natuurlijk ook op voor onderwijs: een docent die beschikt over hulpmiddelen en weet wanneer en hoe hij die het beste in kan zetten, geeft effectiever, beter of leuker onderwijs dan een docent die niet over die middelen beschikt.


Is ICT een middel dat je kan vergelijken met andere middelen en - bij gelijke geschiktheid - uit je gereedschapskist kan halen en vervangen door andere middelen? Nee, dat vind ik niet. ICT is een gereedschap dat nu op zoveel verschillende manieren in de maatschappij wordt ingezet, dat we als onderwijs de plicht hebben om onze leerlingen te leren hoe ze daarvan gebruik moeten maken, zowel voor de uitoefening van hun toekomstige beroep, als om hen in staat te stellen ook buiten school en na hun opleiding door te gaan met leren, èn om in de maatschappij te kunnen functioneren.

Om dat te bereiken moeten scholen een leerlijn ontwikkelen waarin leerlingen leren ICT in te zetten om hun doel te bereiken. Om informatie te zoeken, te beoordelen en te presenteren, om met anderen te communiceren en om dingen te creëren. Die leerdoelen moeten door alle vakken heen gerealiseerd worden, waarbij wat in het ene vak geleerd en geoefend wordt, wordt toegepast in de andere vakken.

Dat betekent niet dat alle vakken op dezelfde wijze en in even grote mate aandacht moeten besteden aan ICT: elk vak biedt daarvoor specifieke mogelijkheden. Nadat een school in kaart heeft gebracht over welke ICT-competenties leerlingen moeten beschikken, moeten ze per vak en per activiteit bepalen welke bijdrage ICT kan leveren aan het vak èn hoe leerlingen daardoor kunnen leren ICT op zinvolle wijze te gebruiken. Op basis daarvan moet een leerlijn ontwikkeld worden, waarbij er zorg voor wordt gedragen dat alle leerlingen door hun hele schoolloopbaan heen, in aanraking komen met alle facetten van ICT die ze nodig hebben, nu en straks, en dat ze bij het gebruik daarvan begeleid worden.Alleen dan is ICT zowel een gereedschap dat goede docenten kunnen gebruiken om nog beter onderwijs te geven èn leren leerlingen op hun beurt hoe dit gereedschap hen zelf kan helpen om hun doelen te bereiken.

Afbeelding van Kimmo Palosaari, gepubliceerd onder CC-by.

donderdag 8 december 2011

Stenden MyConcept: Techniek op een nieuwe manier

Door: Martijn van den Berg
Op de middelbare school vond ik techniek een van de leukste vakken. Na een lange dag theorie in het technieklokaal aankomen, waar alles praktijkgericht was, maakte mijn dag goed. Ondanks dat de dingen die ik maakte nooit op het voorbeeld leken, was het toch leuk om de vrijheid te hebben om met alle machines aan de slag te kunnen.

Toen ik laatst bij Stenden Emmen was, zag ik daar dat ze een nieuw project aan het opstarten waren: Stenden MyConcept. Dit is een concept opgezet door studenten om meer mensen naar de techniekopleiding te krijgen. Ze hebben geld gekregen van de school, en hiermee hebben ze een technieklokaal voorzien van de meest moderne apparaten. Naast moderne ICT, zoals een smartboard en een aantal Imacs, zijn ook de meest moderne techniekapparaten aanwezig. Zo zijn er onder andere een professionele lasersnijder en een 3d printer aanwezig.

Wat nu zo bijzonder is aan dit concept, is dat praktisch iedereen daar binnen kan lopen om iets te maken, of te laten maken voor een lage prijs. Omdat alles gemaakt wordt door studenten, en omdat de materialen zonder winstoogmerk verkocht worden, is dit een unieke plaats om een idee tot leven te brengen. Zo kan je als bedrijf met een idee komen en dit laten uitwerken en maken, maar je kan ook als je een idee hebt voor bijvoorbeeld een stoel dit komen maken.

Dit bij elkaar maakt dat studenten zeer gemotiveerd aan projecten werken, aangezien alles wat ze maken in de praktijk gebruikt gaat worden. Niets is onmogelijk, aangezien ook andere opleidingen, zoals informatica mee helpen in dit lokaal.

Ik ben een groot voorstander van vrijheid in het onderwijs. Beginnen met een idee, en dit dan in een project uitwerken. Dit is, mits het in de toekomst ook in de volle vrijheid gebruikt gaat worden. Ik denk dat het op deze manier uiteindelijk zeer succesvol kan worden. Mijn zegen hebben ze in ieder geval!

donderdag 13 oktober 2011

Denken over de toekomst

Door: Martijn van den Berg
Ik zit inmiddels in het derde jaar van mijn opleiding. Dit betekent dat ik voorbij halverwege mijn opleiding ben. Het laatste jaar is een stage van 40 uur in de week. Dit betekent dat ik dit jaar moet gaan kiezen welke kant ik op wil met mijn opleiding, want als ik een stage kies waar ik niets aan vind, zit ik er een jaar mee opgescheept, en als ik daarna een baan kies waar ik niets aan vind, mag ik blijven zoeken. Daarom zijn we nu bezig in de les met proberen te ontdekken waar we later willen gaan werken.

Ik vind het heel erg moeilijk om te praten over "wat ik later wil gaan worden". En met mij vele anderen. Dit is niet gek, aangezien de meeste mensen van mijn opleiding uiteindelijk niet rechtstreeks in de horeca gaan werken. Je aanmelden voor de hotelschool is eigenlijk gewoon zeggen dat je graag manager wilt worden, en dat je later iets met mensen wil gaan doen.

Dus hoe ga ik nu voor het einde van het jaar weten wat ik nu eigenlijk wil met mijn opleiding? Ik heb bijna nul ervaring met leidinggeven, laat staan leidinggeven in de horeca. Ik heb de kans gehad om praktijkervaring op te doen, maar dat was in het hotel van de school, maar dit is amper vergelijkbaar met een baan hebben in een echt bedrijf, omdat je continu met medestudenten aan het werk bent. Ik heb compleet geen idee van hoe mijn leven er uit gaat zien als ik een bepaalde sector kies.

En dat is toch wel beangstigend, als je bedenkt dat ik toch ergens mijn brood moet gaan verdienen, en dat ik daarvoor toch de meeste van mijn wakkere uurtjes daar moet doorbrengen. Maar ik moet toch wel gaan nadenken over wat ik leuk ga vinden, anders moet ik straks op het laatste moment een keuze maken. Voor mij lijkt de keuze op dit moment onmogelijk. Mag ik niet nog gewoon een tijdje lekker student zijn?

O ja: de komende weken is het herfstvakantie in Nederland. We zijn weer terug op maandag 31 oktober.

donderdag 6 oktober 2011

Covey voor studenten!?

Door: Martijn van den Berg
Op school krijgen we les over de 7 eigenschappen van Covey. We moeten dit toepassen op ons dagelijks leven. Veel studenten nemen de trainingen niet serieus, omdat ze het weer een of andere theorie vinden die commercieel verkocht wordt. Ik was een van die mensen, tot ik zag dat een aantal van de eigenschappen eigenlijk dingen die studenten al tijden toe (proberen) te passen. Is Covey dan ook van toepassing op studenten? Of is het gewoon algemene studentenkennis?

Om maar te beginnen met de eerste gewoonte: proactief zijn. Je kan keuzes maken, en bent daarom verantwoordelijk voor je eigen leven. Het komt vaak genoeg voor dat studenten hun opleiding niet halen omdat ze bijvoorbeeld te veel uit zijn geweest. Of dat studenten een gigantische lening hebben bij DUO omdat ze te veel geleend hebben voor leuke dingen. Juist bij studenten speelt het moment van keuze een grote rol.

Nog een voorbeeldje, gewoonte 3, het op een effectieve manier plannen van dingen. Er zijn genoeg studenten die huiswerk tot het laatste moment uitstellen. Op het moment dat deze dingen urgent worden, duren ze vaak veel langer, omdat mensen dan totaal geen zin hebben om deze dingen te maken. Daarnaast voorkom je op deze manier het lastige keuzemoment, waar je moet kiezen tussen of iets leuk doen, of je huiswerk afmaken.

Last but not least, gewoonte 4, de win-win gedachte. Onder studenten zijn er veel mensen met een eigen specialiteit. Dit kan bijvoorbeeld het maken van websites zijn, of handig zijn met fotograferen. Doordat veel studenten dit als hobby hebben, is het ongelofelijk gemakkelijk om gebruik te maken van elkaars talenten. Zo komt het vaak genoeg voor dat ik het Engels van opdrachten corrigeer in ruil voor bijvoorbeeld een mooie powerpoint.

Of Covey nu echt aan studenten heeft gedacht toen hij zijn boek schreef, betwijfel ik. Ik denk ook niet dat alles toepasbaar is op studenten. Maar ik denk wel dat er veel wijsheid tussen zit voor studenten. Natuurlijk zijn het grootste deel van deze dingen gewoon algemene kennis. Ten slotte is het al lang bekend dat je huiswerk niet moet uitstellen, en dat het handig is om mensen te kennen die ergens handig in zijn. Maar Covey geeft het wel op een mooie manier vorm. En dat heeft, in ieder geval voor mij, wel een waarde.

donderdag 3 februari 2011

De verleiding van internet

Door: Martijn van den Berg
Ik weet nog de keer dat ik voor het eerst het internet op mocht. Ik was 8 jaar oud en ik mocht van mijn vader een uur het internet op om online spelletjes te spelen. Ik had bij mijn vader over de schouder gekeken hoe hij internet gebruikte, en had dan ook binnen no-time een site gevonden met spelletjes en was helemaal opgegaan in het beeldscherm.

Tegenwoordig is internet zeer gewoon geworden. De bibliotheek is al half vervangen door google, en de gemiddelde student pakt ook sneller het internet erbij dan naar de bieb te gaan, om daar boeken uit te zoeken of te studeren. Het lijkt allemaal makkelijker geworden. Maar is dit ook zo?

Veel docenten ergeren zich er aan als studenten internet gebruiken. Als men als bron "het internet" noemt, worden er al zeer snel vraagtekens getrokken. Ten slotte kan men op internet alles publiceren. Vaak wordt alleen genoegen genomen met wetenschappelijke artikelen van internet, mits zeer duidelijk aangegeven waar dit vandaan komt. Dit terwijl een boek vaak meteen genoegdoening geeft bij vraag naar de bron van informatie.

Maar het kan bij een boek evengoed fout gaan. Het nadeel van boeken is dat het erg moeilijk is om specifieke informatie op te zoeken, omdat boeken uit veel meer pagina's staan, en dus meer informatie bevatten. Het is erg moeilijk om precies de informatie te vinden die je zoekt. Een boek heeft ten slotte niet de ctrl+F toets.

Maar er is hoop. We zitten in de eeuw van het internet. Waar het vaak bij websites aan auteurvermelding en dus betrouwbaarheid schort, schort het bij boeken vaak aan toegankelijkheid. Kijk naar de positieve eigenschappen van deze twee en je kunt tot de conclusie komen dat internet vaak erg toegankelijk is, en boeken vaak erg betrouwbaar. Als de informatie van boeken op een korte manier op internet zou komen, zouden studenten zeer makkelijk toegang tot betrouwbare informatie kunnen hebben. En dit gebeurt ook op verschillende manieren.

Daarnaast is het op internet kijken ook geen verkeerde ontwikkeling, zo lang men maar weet wat voor informatie men opzoekent, en meerdere websites raadpleegt en deze vergelijkt. Informatie op internet is relatief nieuw, maar wat mij betreft is deze vernieuwing alleen maar goed.

donderdag 7 oktober 2010

De angst om maximaal te waarderen

Door: Martijn van den Berg
In het onderwijs willen we graag de prestatie van leerlingen in schaal zetten door middel van cijfers. Er zijn veel verschillende schalen in cijfers, de bekendste in Nederland toch wel de schaal van 1 tot 10. Hier gold vroeger bij sommige scholen dat een 10 voor god was, een 9 voor de koningin en een 8 voor de meester, betekenende dat je dus maximaal een 7,9 kon halen. Alhoewel overdreven en achterhaald, komt de maximale waardering nog zelden voor.

Een toets zonder fouten is een 10 waard, dat is waar. Hier kan je ook niets tegenin brengen qua kritiek. Maar als het wat abstracter wordt zoals met schrijfwerk of opdrachten wordt het allemaal anders. Een mooi voorbeeldje op mijn school zijn de zogenaamde participatiepunten. Docenten krijgen opeens vijf punten per les in de hand geduwd. Deze worden uitgereikt naar hoeveel leerlingen meedoen met de les. Meestal worden er maar vier punten uitgereikt, als al het mogelijke gedaan wordt. Redenen hiervoor zijn: "Als je alle punten krijgt, ga je volgende keer niet je best doen" of "je moet compleet nieuwe dingen meebrengen om zo hoog te scoren".

Dit kan zeer frustrerend zijn voor mensen die voor het hoogste aantal punten gaan. Wat verwachten docenten nu eigenlijk van studenten? Dat ze dingen maken die beter zijn dan de docent en lesmateriaal blijven aandragen? Of meer dat ze gewoon altijd netjes op tijd zijn, het huiswerk af hebben en meedoen met de les?

Soms is veel punten geven juist een reden tot motivatie. Als iemand keihard gewerkt heeft mag deze ook beloond worden, zodat deze volgende keer weer hard gaat werken. Wordt iemand die keihard gewerkt heeft niet genoeg beloond, dan kan dit een reden zijn om de volgende keer veel minder werk te leveren.

Belangrijk naar mijn mening is op een rijtje hebben wat je van je studenten verwacht en ook concreet zeggen hoe men de maximale punten verdient. En dit is helaas iets dat mist op sommige scholen.