Posts weergeven met het label mediawijsheid. Alle posts weergeven
Posts weergeven met het label mediawijsheid. Alle posts weergeven

donderdag 10 oktober 2013

LOB? Dat doen wij op Twitter

Leren doe je omdat je iets wilt weten of wilt kunnen. Leren op school wordt door leerlingen soms anders ervaren: daar leer je omdat het 'moet'. Dat maakt leren op school voor veel leerlingen moeilijk: ze hebben het gevoel dat de inspanning die ze moeten plegen hen weinig oplevert. Een goed toekomstbeeld van jezelf hebben is overigens niet alleen belangrijk voor de motivatie tijdens de (voor)opleiding tot dat vak/beroep: een verkeerde keuze kan ook behoorlijke financiële consequenties hebben en ook heel wat stress veroorzaken.


Het vak LOB kan hierin een rol spelen: als je weet wat je later wilt worden, ben je meer gemotiveerd dan wanneer je geen enkel zicht hebt op je toekomst. Het vak LOB helpt jongeren bij het maken van die keuze voor een vervolgopleiding en een beroep. Het nadeel van het aanbieden van LOB als vak is dat de oriëntatie op vervolgstudie en beroep meestal beperkt blijft tot de uren die toegekend zijn aan het vak en tot het (vaak weinig persoonlijke) materiaal dat in de methode wordt aangeboden.Wie meer wil dan dat, kan overwegen om Twitter in te zetten als middel om beroepen te verkennen.

Op Twitter plaatsen mensen van allerlei verschillende beroepen berichtjes. Soms zijn dat heel persoonlijke berichtjes, maar er worden ook heel vaak 'professionele' berichten geplaatst: tweets over problemen en successen in het beroepsleven van de tweep. Die tweets geven een aardig, zij het soms wat (bovenmatig) positief, inzicht in wat een beroep inhouden. Zo volg ik zelf een aantal boswachters op Twitter en dat heeft me geleerd dat je als boswachter niet alleen veel bezig bent met natuurbeheer, maar ook met voorlichting aan jong en oud, politiek, het aansturen van vrijwilligers en nog veel meer.

Maar niet alleen boswachters kunnen je leerlingen volgen op Twitter: uit elke beroepsgroep zijn wel vertegenwoordigers te vinden. Voor het Nederlandse taalgebied kunnen leerlingen op Twittergids (o.a.) kijken naar groepen van tweeps die schrijven over hun beroep. Willen ze Engelstalige tweeps vinden, dan kunnen ze gebruik maken van de site Twellow. Je kan leerlingen ook met de (geavanceerde) zoekmachine van Twitter laten zoeken naar berichtjes waarin de hashtag met een beroepsnaam wordt gebruikt, maar ik zoek zelf liever naar woorden in het profiel van tweeps door in een zoekopdracht de beroepsnaam te combineren met de woorden 'twitter' en 'profile'. Nog veel makkelijker maak je het je leerlingen door ze gewoon op Twitter te laten vragen of er mensen zijn met een bepaald beroep. Ze moeten dan hun oproep de hashtag #dtv (durftevragen) meegeven: die berichtjes worden door heel veel mensen gelezen en de kans is groot dat er mensen reageren die zelf dat beroep hebben of hen kunnen verwijzen naar andere tweeps met dat beroep. En als ze eenmaal contact hebben gelegd met één persoon uit een beroepsgroep, dan kan leerlingen via die persoon hun netwerk in die beroepsgroep uitbreiden, bijv. met de zoekmachine van Twitter.

Als de leerling weet welke tweeps het beroep hebben dat hij wil onderzoeken, dan kan hij om te beginnen een tijdje de berichten bijhouden die die personen versturen. Zo krijgt hij elke dag, beetje bij beetje, informatie binnen over het beroep/de beroepen waarin hij geïnteresseerd is. Maar hij kan het netwerk ook gebruiken om vragen te stellen: wat heeft iemand gedaan om dat beroep te kunnen uitoefenen, hoe denkt hij zelf over zijn vak, zijn er tips voor mensen die hetzelfde willen doen enz. Wil de leerling nog meer informatie, dan kan hij misschien vragen om een dagje mee te lopen of vragen om een stage, een vakantie- of weekendbaan. Deze manier van informatie vergaren past prima bij de manier waarop jongeren leren: van door henzelf benoemde experts, op de momenten en locaties die ze zelf willen en over onderwerpen waarin ze zelf geïnteresseerd zijn. En daarbij doen ze, zonder dat ze dat zelf in de gaten hebben, ook nog heel vaardigheden op op het gebied van mediawijsheid.


vrijdag 20 september 2013

Subsidie voor mediawijsheid projecten: een nieuwe deur gaat open

Stichting MediaMachtig heeft in de afgelopen 3 jaren talloze basisscholen geholpen om mediawijsheid op te nemen in het curriculum. Op de website vind je de resultaten van alle projecten die met subsidie van MediaMachtig zijn uitgevoerd, in de schooljaren 2010-2011, 2011-2012 en 2012-2013. We (het bestuur van MediaMachtig en het Comité van Machtigen) hadden de regeling graag ook dit jaar voortgezet, maar het is ons (tot nu toe) helaas niet gelukt om sponsors te vinden voor het werk van onze Stichting. Dat betekent dat er dit jaar geen nieuwe regeling wordt uitgeschreven door ons.

Maar zoals het wel vaker gaat in het leven: waar een deur gesloten wordt, gaat een andere deur open. De deur die vandaag wordt open gedaan, is een deur die door BV's, stichtingen en verenigingen) open gedaan kan worden. Het SNS Reaal Fonds biedt met de Programmaregeling Kijk op Media de mogelijkheid om subsidie aan te vragen voor voor mediawijsheidprojecten (uit te voeren in 2014) voor de onderbouw van het voortgezet onderwijs of dezelfde leeftijdsgroep (12 tot 15 jaar) buiten school.

De regeling biedt ruimte voor maximaal 8 subsidies van elk maximaal 50.000 euro voor opschalingsprojecten waarbij 'sprake (is) van leren over media en/of ervaring opdoen met media, met aandacht voor reflectie'. Aanvragen kunnen ingediend worden tot en met 31 oktober. Scholen kunnen zelf geen aanvraag indienen, maar omdat het gaat om jongeren van 12 tot 15 jaar, zullen er voor scholen bij sommige projecten zeker kansen liggen om aan te haken. Mijn advies aan scholen is daarom om na te gaan of er in de (fysieke of virtuele) omgeving van de school mediawijsheidsprojecten zijn die passen binnen de Regeling en die voor hun leerlingen èn voor de school/het onderwijs interessant zijn.

Ik denk bijv. aan:
  • projecten waarbij jongeren zelf media maken (dat kunnen ze gaan doen voor, met of op school), 
  • projecten waarbij jongeren leren over media (misschien kunnen de jongeren die kennis doorgeven aan andere jongeren),
  • projecten waarbij mensen elkaar helpen bij het gebruik van ICT (zoals bij Seniorweb) en die uitgebreid kunnen worden naar jongeren.
Heb je ideeën en wil je dat ik meedenk? Ik bied me bij deze graag aan!

Meer subsidieregelingen vind je in dit overzicht (van juni 2013) van Mediawijzer.net.

maandag 25 maart 2013

Wat zijn mooie, leuke, goede websites en apps?

 Elk jaar wordt de verkiezing van de Gouden Apenstaart gehouden: de verkiezing van de beste website en app voor kinderen. Dit jaar zijn er 4 categorieën:
  1. Gouden @penstaart voor websites voor kinderen (leeftijd 6-12 jaar) die gemaakt zijn door professionals, ongeacht of dit commerciële organisaties zijn, niet-commerciële organisaties of particulieren.
  2. Gouden @penstaart voor websites door kinderen die gemaakt zijn door kinderen zelf (leeftijd tot 16 jaar).
  3. Media Ukkie Award voor apps voor ukkies (leeftijd 0-6 jaar) die gemaakt zijn door professionals, ongeacht of dit commerciële organisaties zijn, niet-commerciële organisaties of particulieren.
  4. Gouden @penstaart voor apps door kinderen die gemaakt zijn door kinderen zelf (leeftijd tot 16 jaar).
De organisatie heeft inmiddels de beste inzendingen geselecteerd; nu is het aan het publiek (volwassenen en kinderen) om - voor de eerste 3 categorieën - uit deze selectie te stemmen op de site of app die zij het beste vinden.

Omdat het om sites en apps gaat voor kinderen, ligt het voor de hand om kinderen te vragen naar hun mening. Een goede aanleiding om met kinderen te praten over hoe zij media beoordelen. Hoe bepalen zij of een site of app leuk is en past bij wat zij willen? Hanteren zij dezelfde criteria als de organisatie van de Gouden Apenstaart? En vinden zij al die criteria even belangrijk of zijn sommige criteria belangrijker dan andere? En hoe beoordelen zij de nominaties van dit jaar op basis van de door henzelf opgestelde criteria? Een voorbeeld van hoe een les over het beoordelen van websites eruit zou kunnen zien, vind je hier.

Wat kinderen kunnen leren van zo'n les en het uitbrengen van hun stem (op de genomineerde sites en apps)?
  • ze leren kritisch kijken naar media, bijv.: moet je alles geloven wat online staat, welke invloed kunnen beelden hebben op hoe je iets beoordeelt, hoe kan je zien wie de maker is van een site of app en waarom is dat belangrijk?
  • ze leren hoe ze hun mening kunnen verwoorden.
  • ze leren hoe je gezamenlijk een oordeel kan vormen door met elkaar te discussiëren en voors en tegens te benoemen en af te wegen.
  • ze leren hoe je te werk kan gaan als je een keuze moet maken.
Je kan natuurlijk daarnaast ook de inhoud van de te beoordelen websites en apps gebruiken voor een les, bijv. een biologieles, een les over kunst en cultuur of over het milieu en energie. Of geef een rekenles over procenten: als er 300 inzendingen zijn en er worden 5 genomineerd, hoeveel procent is dat dan? En als er 15.000 mensen hun stem uitbrengen op één van de sites en de winnaar verzamelt er 4000, hoeveel procent is dat? En, een lastige vraag: hoeveel stemmen heb je bij zoveel stemmers tenminste nodig om de verkiezing te winnen?

Je kan stemmen tot 14 april; op 17 april worden de winnaars bekend gemaakt. Tijd genoeg dus om met je leerlingen al dat moois te bekijken en te beoordelen!

donderdag 14 maart 2013

Informatica, informatiekunde en programmeren

Er is weer van alles te doen rond het vak informatica en rondom mediawijsheid. Op 26 maart is er een bijeenkomst in het kader van het rapport van De Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen over digitale geletterdheid in het voortgezet onderwijs. In dat rapport bepleiten zij de invoering van een nieuw verplicht vak ‘Informatie & communicatie’ in de onderbouw van het HAVO en VWO en een herziening van van het keuzevak Informatica.

Zowel vanuit de kant van het vak 'Informatica' als vanuit de hoek van mediawijsheid is gereageerd op het rapport. Ook mensen uit het hoger onderwijs en de ICT-wereld hebben hun mening gegeven. Allen zijn het erover eens dat het goed zou zijn als er in het onderwijs meer aandacht komt voor informatica en voor goed/wijs gebruik van de mogelijkheden van internet. Wel worden er een paar kanttekeningen gemaakt bij het rapport van de KNAW:
  • waarom een apart vak? Is het niet beter om 'informatie en communicatie'/'digitale geletterdheid'/mediawijsheid te integreren in de bestaande vakken?
  • waarom alleen aandacht voor de verschillende aspecten van ICT in de onderbouw van HAVO en VWO en niet in VMBO?
De commissie die het rapport heeft geschreven had de opdracht om het informaticaonderwijs zoals dat nu in het VO wordt aangeboden door te lichten. Dat verklaart waarom in het rapport niets wordt gezegd over informatica in het basisonderwijs. Maar toch vind ik het een gemiste kans dat daarvan in het rapport nergens melding wordt gemaakt. Ik denk namelijk dat daar juist de beste kansen liggen. Niet alleen vanuit de gedachte 'jong geleerd is oud gedaan' en 'een wiskundeknobbel moet je kweken', maar ook omdat het van belang is om al op de basisschool kinderen aan de slag te laten gaan met ict. En dan niet alleen met het wijs gebruik daarvan, maar ook met de techniek erachter, zodat ze in het voortgezet onderwijs een onderbouwde keuze kunnen maken voor een profiel of richting.

Het leren van een programmeertaal kan een goede start zijn om te leren over de meer 'technische' kanten van ICT. Er zijn genoeg programma's die zich lenen voor gebruik in het basisonderwijs, zoals Scratch, en GameMaker. Bij beide programma's zijn Nederlandstalige handleidingen te vinden: door (o.a.) Scratchweb en de TUDelft voor het programma Scratch en door (o.a.) Gamescool en Pauline Maas voor het programma GameMaker (voor resp. leerkrachten en leerlingen in het basisonderwijs). Voor scholen die met iOS-tablets werken vind ik de app Cargo-Bot waarin je spelenderwijs leert programmeren een aanrader.

In het buitenland gaan steeds meer stemmen op om informatica - in de vorm van programmeerlessen - al aan te bieden in het basisonderwijs.Zullen wij er hier in Nederland alvast mee beginnen?

donderdag 29 november 2012

Voor op mediawijze verlanglijstjes

Ik hou er niet zo van om reclame te maken, maar als je net als ik mediawijsheid belangrijk vind, van boeken houd èn altijd op zoek bent naar manieren om jongeren te laten reflecteren over wat media zijn, wat ze je te bieden hebben en hoe je er zelf je voordeel mee kan doen, dan moet je echt nummer 3 van 'boektijdschrift' DUF (met de fraaie ondertitel: Waanwijs) bekijken.

DUF hanteert voor hun uitgaven de titel 'boektijdschrift' en daarmee wordt direct duidelijk dat het iets is dat tussen boek en tijdschrift in hangt: te dik voor een tijdschrift; te divers voor een boek. De vormgeving is prachtig: de kaft is lenticulair drukwerk (drukwerk waarbij je afhankelijk van de kijkhoek verschillende afbeeldingen ziet), er zijn verschillende soorten papier gebruikt en het geheel is voorzien van prachtige afbeeldingen en een leeslintje zodat je geen ezelsoren hoeft te maken.

DUF is gericht op pubers (of om preciezer te zijn: 12- tot 17-jarigen). Dat merk je o.a. in het taalgebruik (dat is (lekker) direct) en in de vormgeving (veel beelden). Maar DUF is niet een makkelijk tijdschrift: het biedt enorm veel informatie en gaat behoorlijk de diepte in.

Zoals gezegd is het onderwerp van aflevering 3 van dit boektijdschrift mediawijsheid. In het nummer vind je cursussen (o.a. een snelcursus smeuïge soaps schrijven), er zijn testjes (feitencheck: slik jij alles voor zoete koek?), puzzels (herken bekende afbeeldingen, herken broodje aap verhalen), columns (o.a. van Aaf Brandt Corstius), informatie om over na te denken (o.a. snap ik waarom ik draag wat ik draag) en nog veel meer.

Er is zoveel dat dit boektijdschrift dat één inhoudsopgave niet genoeg is. Er zijn er dan ook twee: een inhoudsopgave waarin de inhoud van Waanwijs onderverdeeld is in de categorieën Ik, Doen, Wereld en Denken, waarin met kleuren wordt aangegeven of het gaat om Internet, Reclame & Entertainment, Wetenschap & Journalistiek of om Persoonlijke Ontwikkeling, en een inhoudsopgave waarin je zoekt in rubrieken als Wetenswaardigheden, Advertising, Waanzien (beeldtaal) en Journalistiek. Echt makkelijk zoeken is het niet in de beide inhoudsopgaven, maar het past wel bij de doelgroep (vermoed ik) en zeker ook bij internet: associatief en hypertekst-achtig.

Ik zou dit boektijdschrift graag willen neerleggen op scholen: zowel bij de leerlingen in de kantine als op de leestafel in docentenkamer. Er valt voor beiden veel te halen uit dit blad: wijsheid over media en heel veel manieren hoe je kan stilstaan bij het fascinerende en veelzijdige onderwerp mediawijsheid.

N.B. Deze derde aflevering van DUF kost 19,95 euro. Aflevering nr. 1 (24,95) is niet meer verkrijgbaar bij de uitgever, maar nog wel bij Bol.com. Nummer 2 kan je voor 24,95 euro bestellen op de site van DUF. Prachtige cadeautjes voor de Sint (alhoewel hij sterke pieten moet hebben om die boektijdschriften mee te dragen: ze wegen per stuk (ruim) 1 kilo) of voor onder de kerstboom!


dinsdag 11 september 2012

Ik ben er weer: met een cadeautje voor het onderwijs!

Een weekje later dan ik had gehoopt en dan jullie misschien hadden verwacht, mijn eerste blogpost van het schooljaar 2012-2013. Iets later omdat ik mijn eerste post dit jaar wilde besteden aan mijn nieuwe project: 'Dingen om te doen voordat je 13 wordt'. In dit schooljaar zullen jullie daar nog veel meer over horen, dus het leek me goed om het project bij de ingang van dit nieuwe schooljaar hier te introduceren.

Wat is 'Dingen om te doen voordat je 13 wordt'?

Misschien heb je al gelezen over het Engelse initiatief waarop mijn project is gebaseerd: '50 Things 50 things to do before you're 11¾'. Dit initiatief is ontwikkeld door de Engelse organisatie National Trust en heeft tot doel om kinderen meer buiten te laten spelen en dan met name activiteiten te ontwikkelen die te maken hebben met de beleving van de natuur om hen heen. Mijn project beperkt zich niet tot buiten spelen: ik wil kinderen graag stimuleren om de wereld om hen heen te verkennen, binnen en buiten, en daarbij net een stapje verder te gaan dan wat ze al eerder hebben gedaan. Ik wil ze graag hun eigen grenzen laten verleggen: ze dingen laten doen die net iets moeilijker of anders zijn dan wat ze uit zichzelf gedaan zouden hebben. Meer informatie over de achtergrond van 'Dingen om te doen voordat je 13 wordt', vind je hier.

Ik bied kinderen daarom een wiki met 52 dingen die ze kunnen doen, met bij elke activiteit een heel korte uitleg wat dat inhoudt. Omdat ik denk dat wie zijn grenzen verlegt, daarop trots mag zijn, stimuleer ik ze ook om, in een gesprek of online, te vertellen over wat ze hebben gedaan.

Ik hoop dat leerkrachten die ervaringen en verhalen gaan gebruiken in hun onderwijs aan de kinderen. Als een kind vertelt dat hij een geheime club heeft opgericht, kan je als leerkracht vragen hoe in die club besluiten genomen worden. Je kan dan een les besteden aan verschillende regeringsvormen: wat is een dictatuur en wat een democratie en hoe zou het zijn om in een dictatoriaal land te wonen? Of je kan met ze bespreken voor welk goed doel ze een geheime club zouden willen oprichten. Maar je kan ook de kinderen aan de slag zetten en ze een logo laten ontwerpen voor een geheime club die ze zelf zouden willen oprichten.

Alhoewel de activiteiten (grotendeels) door de leerlingen zelfstandig uitgevoerd kunnen worden, wil dat niet zeggen dat hulp niet welkom is. Als een leerling bijvoorbeeld een schaatstocht wil maken, dan heeft hij wel schaatsen nodig, en wil een leerling zelf een filmpje maken dan kan hij vast wel wat hulp gebruiken bij het bewerken van dat filmpje. De ouderraad van een school kan hierbij wellicht goede diensten verrichten. Door de technische/materiële faciliteiten te bieden of door kinderen die daar behoefte aan hebben een handje te helpen. De ouderraad kan ook de leerkracht terzijde staan door nieuwe activiteiten te bedenken die aansluiten bij de leerstof, door kinderen te helpen om hun ervaringen te verwoorden of te publiceren op internet. Meer informatie over hoe scholen 'Dingen om te doen voordat je 13 wordt' kan inzetten, vind je hier.

In de loop van dit schooljaar zal ik bij elke activiteit een aantal ideeën bieden, met - waar mogelijk - links naar lesmaterialen. Zoals je kan zien in de wiki heb ik nu al een aantal activiteiten voorzien van ideeën. Dat is allemaal nog in bewerking: per week zal ik ten minste één activiteit uitwerken en daarover een blog posten. Er zijn 52 activiteiten, dus ik verwacht dat het zeker een jaar zal duren voordat de wiki helemaal compleet is. Maar ik ga natuurlijk proberen om dat iets sneller te doen ;-)

Daarnaast zal ik tips geven hoe het project mediawijs vorm gegeven kan worden. Door kinderen te stimuleren online hun verhalen te vertellen, creëer je de mogelijkheid om met kinderen het gesprek aan te gaan over het gebruik van (mobiel) internet en ze tips te geven hoe ze internet kunnen gebruiken om hun doelen te bereiken. Hoe kunnen kinderen het best online hun verhalen vertellen, hoe kunnen ze zoeken op internet, hoe moeten ze gevonden informatie interpreteren en beoordelen? En hoe kan je veilig surfen?

Dat ik het project heb gegoten in de vorm van een wiki, is omdat ik hoop dat leerkrachten dit initiatief oppakken en er hun eigen ideeën en ervaringen aan toevoegen. Ik zou het verschrikkelijk leuk vinden als ze zelf activiteiten toevoegen aan de wiki en ideeën voor lessen die daarbij aansluiten.

Ook kinderen nodig ik uit te reageren. Zij mogen ideeën insturen voor de wiki. Wat vinden zij leuk om te doen? Wat vinden zij grensverleggende activiteiten? Aan het einde van het schooljaar zal ik het beste idee belonen met een prijs. Wat dat is, hou ik nog even geheim, al was het alleen maar omdat ik dat zelf nog niet weet!

woensdag 4 juli 2012

De laatste lessen voor de vakantie

Voor sommigen (waaronder ikzelf ;-) ) begint vrijdag de zomervakantie. Maar nog niet voor iedereen. Voor hen komen er nog een paar weken aan. Weken waarin het soms lastig is om je leerlingen te motiveren: omdat ze - net als jij - moe zijn, omdat de zon buiten schijnt en het benauwd is in de klas, omdat ze al weten dat ze over zijn of dat ze er niets meer aan kunnen veranderen dat ze dat niet zijn of omdat het jaar al zo lang heeft geduurd en ze toe zijn aan verandering.

Voor wie deze laatste weken van het schooljaar anders-dan-anders-lessen wil geven, waarin wel geleerd wordt, maar niet uit het boek, hierbij een paar ideeën voor de laatste lessen van het jaar.
  • Laat je leerlingen een openbare les verzorgen. Bepaal tevoren de regels: moet het over een vakgerelateerd onderwerp gaan of mogen ze helemaal zelf het onderwerp van hun openbare les bepalen? Denk daarbij aan een les over hoe de leerlingen zelf hun onderwijs zouden willen inrichten, over wat de belangrijkste dingen zijn die zij in het afgelopen jaar hebben geleerd of een les over een goed doel. De openbare les kan gericht zijn op de ouders van de leerlingen en plaats vinden in de school, maar je kan er ook voor kiezen om iedereen toe te laten en te vragen of die bijvoorbeeld gegeven kan worden in de openbare bibliotheek of het cultureel centrum/schouwburg enz. 
  • Laat je leerlingen voor elkaar de vakantie voorbereiden. Vraag de leerlingen waar ze naar toe gaan in de vakantie en laat leerlingen voor elkaar zoeken naar leuke dingen om daar te doen, bijzondere flora of fauna die daar te vinden is, historische plaatsen, kunst of architectuur in die omgeving enz. Daarbij zijn niet alleen de plekken ver weg interessant: je zult ervan staan te kijken wat er in de omgeving van de woonplaats van de leerlingen te vinden en te doen is. Als je met de groep/klas een (besloten) Flickr-groep begint (of een groep op een andere foto-sharingsite), kunnen ze tijdens de vakantie vastleggen welke tips ze hebben opgevolgd. 
  • Laat leerlingen in groepjes een speurtocht maken voor elkaar. In de speurtocht kunnen ze vragen opnemen die beantwoord moeten worden. De eerste letters van de antwoorden moeten samen een woord vormen. Als de leerlingen elkaar speurtocht lopen, kan je extra regels toevoegen, bijvoorbeeld dat als ze een ander team tegenkomen ze één van de vragen die ze moeten beantwoorden moeten stellen aan het andere team. Is het antwoord goed, dan levert dat het andere team een punt op, en ze winnen er zelf een letter bij van het antwoord. Het andere team kan er ook voor kiezen om een fout antwoord te geven. Dan krijgen ze geen punt, maar ze maken het ook moeilijk voor het team dat de vraag stelt om het woord te vinden. 
  • Doe een wedstrijd: wie kan het beste zoeken op internet? Daarbij kan je gebruik maken van de opdrachten die Google dagelijks bedenkt in 'a Google a Day' of de weblog SearchResearch. Een mooie gelegenheid om met elkaar van gedachten te wisselen over hoe je handig kan zoeken op internet èn hoe je gevonden websites op waarde kan beoordelen. Op de posters die Google heeft gemaakt voor het onderwijs, vind je al een aantal tips voor verschillende zoekmachines van Google. Je kan ook gebruik maken van deze site met zoektips. De volgende les krijgen de leerlingen de opdracht om in groepjes zelf een zoekposter te maken (bijv. met Glogster) met de zoektips die zij het meest waardevol vonden, met handige zoektools of met tips hoe je gevonden informatie kan beoordelen. De resultaten van deze les kunnen volgend schooljaar handig zijn!
Voor mij houdt het schooljaar na deze week op. Ik ben al druk bezig met de voorbereiding van het nieuwe jaar en hoop dan weer meer tijd vrij te kunnen maken voor bloggen. Tot dan!

N.B. Mocht je nog niet je hotel geboekt hebben en ben je een Mac-gebruiker, kijk dan verder dan de eerste adviezen die je krijgt. Vorige week bleek dat de hotelboekingssite Orbitz Mac-gebruikers verwijst naar duurdere hotels dan gebruikers van andere computers. Dat wat je ziet op internet wordt afgestemd op wat je zoekt op internet, dat wisten we natuurlijk al na alle publicaties over de filter bubble, maar ik had me nog niet gerealiseerd dat ook het operatingsysteem van je computer effect kan hebben op wat je op je scherm te zien krijgt!

Afbeelding van Chris Campbell, gepubliceerd onder CC-by-nc

maandag 4 juni 2012

Sociale media: we moeten de taal wel leren begrijpen

gebroeders Lumière
Onlangs werd op de website van het dagblad Trouw (weer) een artikel gewijd aan Facebook. Een voor- en een tegenstander van deze profielsite gingen met elkaar in gesprek over de voors en tegens van deze profielsite. Eén van de argumenten die daarbij werd genoemd is het feit dat het beeld dat Facebook schept van de werkelijkheid niet overeenkomt met het échte leven. Facebookgebruikers laten als regel vooral positieve dingen zien, waardoor je de indruk zou kunnen krijgen dat hun leven alleen maar positieve kanten heeft. Wie zich op basis van Facebook een beeld van de wereld vormt, zal dus een vertekend beeld hebben van de werkelijkheid en het risico is reëel dat hij daardoor een slecht zelfbeeld krijgt.

Ik moet eerlijk zeggen dat ik dat probleem helemaal herken: ik vraag me soms ook wel eens af hoe het komt dat alle mensen die ik volg via de sociale media (want het probleem zit natuurlijk niet alleen bij Facebook, maar bij alle sociale media) zoveel leuke dingen beleven, terwijl ikzelf, naast alle ups, ook de nodige downs heb. 

Maar dat maakt me nog geen tegenstander van sociale media. Integendeel: het maakt me tot een voorstander omdat ik zie dat als je sociale media leert begrijpen, ze ook positieve kanten hebben. Met sociale media kan je bijvoorbeeld iemand snel even informeren, je kan anderen om hulp vragen, bijblijven wat er gebeurt met neven en nichten: ik vind het handig en leuk. Maar je kan die positieve kanten alleen ten volle benutten als je het medium goed snapt. Inderdaad: je moet niet denken dat Facebook gelijk is aan het gewone leven, je moet op Twitter niet hetzelfde vertellen als bij de winkel op de hoek en je laat op YouTube niet dezelfde filmpjes zien als tijdens een familiereünie.

 Maar dat is iets wat we natuurlijk allang weten: mediawijsheid heeft alles te maken met het snappen van de taal van de verschillende media. Het meest sprekende voorbeeld dat ik daarvan ken is de film. Toen de eerste films aan het grote publiek werden vertoond, snapten de mensen daar helemaal niets van. Het leek allemaal zo realistisch! Het verhaal gaat dat bij de vertoning van de film 'L'Arrivee d'un Train en Gare de la Ciotat' van de gebroeders Lumière over een trein die het station binnenkomt, de mensen in paniek raakten omdat ze dachten dat de trein de zaal inreed. Of dit zich echt zo heeft afgespeeld of niet, daar wordt nog over gediscussieerd, maar dat we beeldtaal hebben moeten leren verstaan om film te kunnen begrijpen, daar zal iedereen het over eens zijn. Gelukkig heeft dat er niet toe geleid dat we de film hebben verbannen, al waren er wel mensen die dat wilden. We hebben inmiddels geleerd om beelden te interpreteren en film is een waardevolle aanvulling geworden op onze cultuur.

Ik heb goede hoop dat over een aantal jaren de paniek over Facebook en andere sociale media geluwd zal zijn en dat we - net als van film - kunnen genieten van de virtuele beelden die we via sociale media binnenkrijgen.

maandag 14 mei 2012

Burgerschap

Mediawijsheid is een term die door de Raad voor Cultuur in 2005 voor het eerst werd genoemd in een advies dat ze uitbrachten aan het Ministerie van OCW. Met dit woord bedoelden zij: "het geheel van kennis, vaardigheden en mentaliteit waarmee burgers zich bewust, kritisch en actief kunnen bewegen in een complexe, veranderlijke en fundamenteel gemedialiseerde wereld".

De invoering van die nieuwe term betekende een verbreding van de term die tot dat moment werd gebruikt: media-educatie. Mediawijsheid had alles te maken met burgerschap: om in onze maatschappij volwaardig te kunnen participeren, is kennis van media voorwaarde.

Inmiddels is het al weer 7 jaar geleden dat de Raad voor Cultuur haar advies uitbracht. En ook al heeft mediawijsheid nog lang niet in alle scholen (en bij andere betrokken instanties) vorm gekregen, wel is er een algemeen bewustzijn dat het leren omgaan met en het gebruik van media iets is wat je niet vanzelf leert en waar we aandacht aan moeten besteden. En dat geldt ook voor burgerschap: veel scholen besteden er aandacht aan, maar er zijn maar weinig scholen die een visie hebben geformuleerd hoe ze dit onderwerp aan de orde laten komen. En daarbij denk ik dat we inmiddels niet meer alleen moeten denken over burgerschap in onze Nederlandse maatschappij, maar over burgerschap internationaal: wereldburgerschap.

Ik was daarom blij met de aankondiging van de Trainings- en netwerkdag Wereldburgerschap en Onderwijs die op 13 juni georganiseerd wordt door het NCDO in Amsterdam. Op het programma staat o.a. een sessie over ICT en internet. Op de trainingsdag zullen ook de resultaten gepresenteerd worden van een onderzoek dat door het NCDO is uitgevoerd naar wereldburgerschap in het primair en voortgezet onderwijs.

De bijeenkomst vindt plaats op op woensdag 13 juni en duurt van 14.00-19.00 uur. Er zijn plenaire en parallel(luister)sessies, er zijn doesessies en een informatiemarkt en tijdens het eten zijn er discussiesessies. Ruimte genoeg om kennis te halen en te delen.

Volgens de flyer is de bijeenkomst bedoeld voor 'iedereen met interesse in wereldburgerschap in het onderwijs'. Maar ik denk dat die ook van belang is voor iedereen die zich bezighoudt met mediawijsheid. Want mediawijsheid is echt onlosmakelijk verbonden met (wereld)burgerschap!

donderdag 10 mei 2012

Informatievaardigheden verwerven: hoe pak je dat aan?

Afgelopen week kreeg ik van een docent de vraag of er een uitputtende cursus is voor het aanleren van informatievaardigheden door leerlingen van het V(MB)O. Op zijn school willen ze daaraan meer aandacht gaan besteden. Een goede zaak, want zoals alle docenten wel weten zijn de vaardigheden van leerlingen op dat gebied vaak erg beperkt. Dat geldt voor alle fasen van het proces van informatievaardigheden: vanaf het afbakenen van de vraag, via het bepalen van bronnen, het inzetten van de juiste zoektechnieken tot aan het beoordelen van de gevonden informatie en het vermelden welke bronnen gebruikt zijn.

Toch zijn er - voor zover ik weet - weinig tot geen complete cursussen. Er zijn wel boeken over zoeken en vinden op internet, maar die zijn niet geschreven voor leerlingen in het VMBO. Bibliotheken hebben verschillende middelen om leerlingen te leren zoeken, zoals de Webdetective en Zoeken en Vinden van de Haagse bibliotheek, voor onderbouw, VMBO en HAVO/VWO. Maar Webdetective vind ik verouderd en beperkt in zijn aanpak en de webpagina's van de Haagse Bibliotheek bevatten wel tips, maar daarin zit verder geen opbouw. Er zijn wel heel veel voorbeelden van lessen waarin informatievaardigheden aan de orde komen. Deze zijn o.a. te vinden op de site Medialessen, via Wikiwijs (bijv. het mediawijsheidcurriculum van het Thorbeckecollege, waarin veel aandacht wordt besteed aan beeldbronnen) en op de site van Kennisnet.

Aparte cursus of integratie in de vakken?
Maar ik denk ook dat het verwerven van informatievaardigheden in één afgeronde cursus weinig zinvol is. Het risico is dan namelijk groot dat wat geleerd wordt in zo'n cursus door de leerlingen niet wordt toegepast in de andere settings en vakken, zoals je dat ook vaak ziet gebeuren wanneer studievaardigheden als apart vak wordt aangeboden aan leerlingen. Daarnaast is informatievaardigheden geen statisch vak, maar iets wat zich voortdurend ontwikkelt omdat informatie op steeds meer plaatsen aangeboden wordt en via steeds nieuwe routes toegankelijk wordt gemaakt. Daarom heeft het mijn voorkeur om informatievaardigheden gefaseerd (met een duidelijke opbouw) en geïntegreerd in het curriculum aan te bieden, als onderdeel van de 'gewone' vakken.

Om dat te kunnen doen moeten docenten afspraken maken welke vaardigheden ze op welk moment leerlingen bij willen brengen en hoe ze dat onderwerp ook elke keer weer aan de orde laten komen in de lessen en de producten die leerlingen moeten opleveren het toepassen van die vaardigheden een soort vaste routine wordt.

Voorbeelden van lessen:
1. Bepalen van de vraag en zoektermen
Om leerlingen te leren hoe ze hun vraag kunnen afbakenen, kan je in een les een woordspin met ze maken. De woorden uit deze woordspin kunnen ze vervolgens gebruiken bij het bepalen van zoektermen die ze (via Advanced Search) combineren met behulp van de logische operatoren AND, OR en NOT. Als oefening daarbij zou je ze één van de ‘Games with a purpose’ laten spelen, bijv. ESP. In dit spel geven twee spelers onafhankelijk van elkaar trefwoorden aan een plaatje dat ze te zien krijgen. Leerlingen ervaren dan hoe moeilijk het is om een goed trefwoord te bepalen en zelf een strategie bepalen wat goede trefwoorden zijn om op te zoeken.

2. Beoordelen van bronnen
Om leerlingen kritisch te laten kijken naar de zoekresultaten kan je ze bijv. zelf een website laten maken of een stukje laten schrijven voor Wikipedia of Wikikids. Daarmee leren ze dat niet alles wat op het web staat even betrouwbaar is, en ze leren hoe ze kunnen achterhalen hoe de teksten in Wikipedia en Wikikids tot stand komen. Je kan ze ook samen een verzameling favorieten laten aanleggen (bijv. met Diigo) voor een vak of voor een onderwerp uit de leerstof en ze daarbij een beschrijving laten maken van de websites die ze zelf goed vinden volgens een vast formaat (bijv: wie is de maker van de site, wat is de inhoud, wanneer is de inhoud voor het laatst aangepast). Anderen kunnen daar dan op reageren: vinden zij die website ook goed en waarom? Voorafgaand aan het bouwen van zo’n verzameling kan je met de leerlingen bepalen welke trefwoorden ze willen gebruiken: daarmee bouw je dan direct weer voort op wat ze daarvoor hebben geleerd.

3. Verantwoorden van bronnen
Een opdracht voor het verantwoorden van de gebruikte bronnen zou kunnen zijn dat leerlingen een werkstuk moeten maken dat helemaal bestaat uit teksten van anderen. Denk bijvoorbeeld aan een onderwerp als de VOC, een leesverslag of iets over de komende verkiezingen, waarover veel op het web te vinden is. Voor het schrijven mogen ze alleen teksten gebruiken van websites (bijv. van werkstukken.nl: die site gebruiken ze immers al lang), weblogs, wiki’s enz. of in boeken of andere uitgaven. Daarbij moeten ze wel steeds opgeven waar ze die tekst hebben gevonden. Daarnaast kan je ze vragen om bij tenminste 3 stukken tekst ook andere bronnen te noemen en daarbij aan te geven waarom ze die ene bron hebben genomen en niet de alternatieve bron. Daarmee beantwoorden leerlingen vragen als waarom gebruik je een website en geen weblog, wanneer geef je de voorkeur aan Wikipedia en wanneer aan een boek en grijp je dus weer terug op het beoordelen van bronnen.

Meer vaardigheden
Natuurlijk ben je er nog lang niet met bovengenoemde lessen: om leerlingen informatievaardig te maken zal je aan meer zaken aandacht moeten besteden, bijv. kennis van (de kwaliteiten van) de verschillende (web- en folio-)bronnen, het gebruik van databases, kennis van zoekmachines en de manier waarop deze de treffers rangschikken enz. Een mooie opbouw van zoekvaardigheden vond ik bij Google. Deze set is vrij uitgebreid en ik denk dat niet alle hierin genoemde vaardigheden op alle niveaus aan de orde moeten komen, maar het overzicht kan misschien wel dienen als basis voor een eigen plan.

Afbeelding van Go Local , gepubliceerd onder CC-by-nc-nd.

woensdag 4 april 2012

Een sprookje schrijven en leren werken met Google Docs

Voor en met één van mijn opdrachtgevers, het DaCapo-college in Sittard, heb ik de afgelopen maanden een aantal lessen voor een nascholingscursus voor docenten ontworpen. Onze filosofie bij het ontwerpen is eenvoudig: 'teach as you preach', oftewel 'maak de les met de tools die je in de les behandelt'. Een les over Google Docs maken we dus met Google Docs, een les over zoeken, vinden en verzamelen laten we de cursisten zoeken, vinden en verzamelen we de resultaten in een gezamenlijke collectie enz. Een erg leuke klus om te doen omdat het me dwingt om heel precies de mogelijkheden èn de onmogelijkheden te verkennen van de (web 2.0-)tools die we aanbieden.

Eén van de lessen die we hebben gemaakt is ook bruikbaar voor de taalvakken: in het basis- of in het voortgezet onderwijs. In deze les schrijven leerlingen in groepen in Google Docs een verhaal (een sprookje), verbeteren elkaars (met opzet gemaakte) schrijffouten en overleggen (ook weer in Google Docs) hoe ze het verhaal zo leuk mogelijk kunnen  maken.

Ik heb de les iets aangepast voor jullie en online gezet. Je kan hem downloaden als Word-bestand of in Google Docs bekijken (en kopiëren voor eigen gebruik). Mocht je hem gaan gebruiken, dan stel ik het op prijs als je laat horen wat de resultaten ervan waren.

Afbeelding van cod_gabriel, gepubliceerd onder CC-by-nc-nd.

woensdag 28 maart 2012

Cijfermateriaal mediawijsheid en kinderen

In verband met een opdracht op het gebied van mediawijsheid en kinderen die ik aan het doen ben, was ik afgelopen weken druk bezig om cijfermateriaal te verzamelen. Dat valt nog helemaal niet mee: er is natuurlijk genoeg materiaal over allerlei onderwerpen verzameld, maar heel veel daarvan is alleen beschikbaar als je daar een fiks bedrag voor neertelt. En in veel (gratis en niet gratis) publicaties waarin cijfermateriaal verwerkt is, vind je alleen de samenvatting van de onderzoekscijfers, terwijl ik juist ook de achterliggende cijfers nodig had.

Gelukkig zijn er ook bronnen waar je gebruik van kan maken zonder dikke portemonnee en zelfs bronnen waar je ook de achterliggende cijfers kan opvragen. Voor mijn onderzoek heb ik dankbaar gebruik gemaakt van o.a.:
Mocht je zelf cijfermateriaal nodig hebben op het gebied van mediawijsheid en kinderen, dan kan ik je deze sites van harte aanbevelen!

Afbeelding van Mark Morgan Trinidad A, gepubliceerd onder CC-by-nc.sa.

dinsdag 13 maart 2012

Verhalen vertellen met Jellycam

Gisteren vertelde ik over de mogelijkheden die het biedt om kinderen verhalen te laten vertellen. Vandaag en morgen laat ik jullie twee eenvoudige tools zien om leerlingen hun verhalen vorm te laten geven: een animatietool en een video-editor om foto- of videoverhalen mee te maken.

Met de (gratis te downloaden) tool Jellycam kunnen kinderen animaties maken: filmpjes die bestaan uit een serie stilstaande beelden die snel achter elkaar vertoond worden, waardoor het lijkt of de plaatjes bewegen. Een vorm van stopmotion zijn klei-animaties: filmpjes van figuren van klei (of ander materiaal) zoals bijvoorbeeld de animaties van Buurman en Buurman.

Veel heb je niet nodig, om met Jellycam een verhaal te vertellen: een p.c. met een webcam is voldoende. Kinderen vanaf de middenbouw kunnen - met wat hulp - al met Jellycam een eenvoudige animatie maken.

Bedenk tevoren of je de kinderen in groepjes elk een eigen animatie wilt laten maken of dat je de groepjes elk een scène van één grote animatie wilt laten maken. Het voordeel van het maken van één grote animatie is, dat het werk verdeeld kan worden over meer kinderen. Als gekozen wordt voor het maken van één grote animatie, dan moeten er in de groep afspraken gemaakt worden wie de hoofdrolspelers zijn en waar en hoe elke scène begint en eindigt, zodat de scènes goed op elkaar aansluiten.

Bekijk voordat je aan de slag gaat met de leerlingen een filmpje waarin uitgelegd wordt wat een animatie is, zoals deze aflevering van Klokhuis of onderstaand filmpje. 

Bedenk daarna met de leerlingen wat er verteld gaat worden. Daarvoor kan je de leerlingen (per groepje) een verhaal laten bedenken en dan eventueel de beste of leukste selecteren, maar je kan ook de groep gezamenlijk een verhaal laten bedenken. Bijvoorbeeld door eerst een groepje te laten bepalen wie de hoofdfiguren moeten zijn en hoe die eruit zien, een volgend groepje dan de keuze te laten maken in welke tijd het verhaal zich afspeelt, een derde groep bepaalt waar het verhaal zich afspeelt, een vierde groep bedenkt voor welk probleem de hoofdrolspelers gesteld worden en de vijfde groep bedenkt hoe het probleem opgelost wordt.

Vervolgens ga je de hoofdrolspelers en eventuele attributen maken en/of verzamelen, en er wordt een decor gebouwd. Afhankelijk van het verhaal wordt per scène een decor gemaakt of er wordt gewerkt met één decor waarin het hele verhaal zich afspeelt.

Pas als alles klaar is, wordt de animatie gemaakt. Daarvoor kan je gebruik maken van Jellycam. Ik heb over het werken met Jellycam een korte handleiding gemaakt die je hier kan downloaden.

Morgen een introductie op en een handleiding voor Wevideo: een andere tool om leerlingen te stimuleren verhalen te vertellen. 

maandag 12 maart 2012

Verhalen vertellen

Verhalen van leerlingen kunnen een prachtige bron zijn voor de les. Een verhaal over een uitstapje naar het bos kan gebruikt worden voor een biologieles, een verhaal van opa of oma voor een geschiedenisles, de nieuwe fiets die een leerling heeft gekregen kan gebruikt worden voor een les over afstanden enz. Elk eigen verhaal biedt kapstokken voor onderwijs dat aansluit bij de leefwereld van de leerling.

Er zijn verschillende manieren om kinderen verhalen te laten vertellen. Op bijna alle basisscholen wordt wel iets gedaan aan kringgesprekken waarin de leerlingen vertellen over wat ze in het weekend of in de vakantie hebben gedaan. De verhalen kunnen dienen als basis voor één of meer lessen, maar je kan leerlingen ook vragen om een verhaal te bedenken naar aanleiding van een les. Bijvoorbeeld een verhaal dat zich afspeelt in het land of het tijdperk waarover ze les hebben gehad, een verhaal waarin verteld wordt over een proefje of de resultaten van een onderzoek dat ze hebben gedaan, een verhaal waarin ze hun eigen visie geven over een onderwerp dat besproken is in de les etc.

Verhalen kunnen gewoon verteld worden, maar je kan ook verhalen vertellen in beelden. Deze week een tweetal tools om verhalen te vertellen in beelden: in de vorm van een animatie of een fotoverhaal. Niet alleen voor leerlingen in het basisonderwijs, maar ook voor leerlingen in het voortgezet onderwijs.

Om te beginnen wat ideeën voor verhalen:
  • een verhaal over iets wat de leerlingen in het weekend/in de vakantie hebben gedaan,
  • een verhaal over een droom die ze hebben, een doel wat ze willen bereiken,
  • een verhaal over zichzelf in de toekomst,
  • een verhaal over een held,
  • een verhaal over een fantasiedier, een fantasieland,
  • een verhaal over zichzelf in de geschiedenis (als ridder, als Romein, Griek, Noorman, enz.),
  • een verhaal over hoe de wereld er uitziet over 100 jaar, enz.
Door het vertellen van verhalen wordt de woordenschat van leerlingen vergroot, ze leren over oorzaak en gevolg en je kan ze vertellen over zaken als tijdsduur (versnelling, vertraging, tijdsprong) en tijdsvolgorde (flashback, flashforward en chronologie), over beeldtaal (compositie, kleurgebruik en belichting, perspectief) en over zaken als privacy, beeldrecht en auteursrecht.

Natuurlijk kan je leerlingen 'gewoon' laten vertellen over hun verhaal, maar door ze een animatie of film van hun verhaal te laten maken zijn ze intensiever bezig met de taal en met het onderwerp van hun verhaal. Daarnaast biedt het de mogelijkheid om ze samen aan de slag te laten gaan, projectmatig te werken en dus te plannen en te organiseren.

Het maken van een animatie of video kent altijd de volgende stappen:
  1. Bedenk het verhaal,
  2. Maak een storyboard waarin je in de vorm van tekeningetjes per scene kort noteert wat er gebeurt en wat je te zien krijgt,
  3. Verzamel of maak attributen: kleifiguren, legopoppetjes of andere figuren, requisiten, een decor enz. Als een animatie of fotoverhaal wordt gemaakt van tekeningen, dan kan deze stap natuurlijk overgeslagen worden.
  4.  Maak de beelden. Als je een animatie wilt maken, kan je de beelden maken met een speciaal animatieprogramma, zodat je de beelden niet later in dat programma hoeft te importeren,
  5. Voeg de beelden samen tot een animatie of fotoverhaal in een video-editor of animatieprogramma.. Voeg eventueel muziek of speciale effecten toe.
Heel belangrijk is het om het maken van de animatie of het fotoverhaal goed te plannen. De meeste leerlingen zullen daarbij  hulp nodig hebben. Geef per stap aan wat de leerlingen moeten opleveren, bijv.:
  1. de opzet van het verhaal: wie zijn de hoofdpersonen, waar speelt het verhaal zich af, welke problemen moeten overwonnen worden,
  2. een storyboard met tenminste 5 scènes en per scène een beschrijving van de benodigde attributen,
  3. een foto van de attributen die verzameld zijn, 
  4. de tekeningen en/of foto's die gebruikt worden voor het fotoverhaal of de animatie,
  5. de animatie/het fotoverhaal.  

Maak gebruik van lesmaterialen die anderen hebben gemaakt, zoals bijv. deze lesbrief van OBS Merenwijk, waarin leerlingen leren een film te maken. Begeleid en beoordeel het werk van de leerlingen per stap. Dat hoef je als leerkracht natuurlijk niet alleen te doen: je kan ook de leerlingen elkaars werk laten bekijken en om feedback vragen.

Morgen en overmorgen aandacht voor tools waarmee je dit soort verhalen kan maken: een animatietool en een tool om fotoverhalen mee te maken, met bij elk een handleiding. 


Afbeelding van jaci XIII, gepubliceerd onder CC-by-nc-sa.

dinsdag 6 maart 2012

Websites en andere bronnen verzamelen en verwerken

Na gisteren geschreven te hebben over zoeken en vinden op het web, vandaag een blogpost over hoe je de informatie die je vindt zo kan bewaren dat je daarmee een stuk kan schrijven, bijvoorbeeld een artikel, een werkstuk of een scriptie.

Als je een website hebt gevonden die je wilt bewaren, zal je die als regel opslaan bij de favorieten op je computer. Dat heeft als nadeel dat je alleen in die browser op die p.c. toegang hebt tot die collectie. Als je met meer browsers werkt (bijv. Internet Explorer en Chrome) of op verschillende p.c.'s, dan heb je allerlei verschillende collecties met favorieten. Veel handiger is het daarom om je favorieten online te bewaren. Daarvoor zijn verschillende manieren.

Werk je graag met de favorieten van je browser, dan kan je deze collectie online opslaan. Als je dan een andere computer gebruikt, kan je je favorietencollectie op die computer synchroniseren met  dit online bestand. Dat doe je bijvoorbeeld met de tool Xmarks. Je maakt een (gratis) account aan bij Xmarks en installeert het programmaatje in de browser op je eigen computer. Vervolgens sla je de favorieten op je computer op in de cloud met behulp van Xmarks. Werk je op een andere computer, dan installeer je Xmarks in de browser van die computer en zet je de favorieten over. Vanaf dat moment zijn jouw favorieten op die computer opgeslagen. Een nadeel van dit systeem is dat je op die andere computer de rechten moet hebben om het programma te installeren. En als je maar een enkele keer op die andere computer werkt is het misschien niet handig dat jouw favorieten op die computer staan: de eigenaar van die computer wil daarop misschien liever zijn eigen collectie handhaven. 

Daarom is het soms handiger om (ook) je favorieten op te slaan met behulp van een dienst als Diigo, YURLS of Symbaloo. Ik werk zelf met Diigo omdat ik met die tool een korte beschrijving kan maken bij de favorieten die ik opsla, ik er trefwoorden aan kan geven zodat ik ze makkelijk terug vindt en omdat ik van de meeste informatieve sites een soort screenshot kan maken die ik kan opslaan, zodat ik de informatie terug kan vinden ook als die pagina inmiddels offline is gehaald.

Een heel ander type tools om favoriete websites op te slaan zijn online annotatietools als Mendeley en Zotero. Deze tools zijn speciaal gemaakt om bronnen te verzamelen voor het schrijven van wetenschappelijke stukken. Met Mendeley en Zotero kan je niet alleen webpagina's online opslaan, maar ook beschrijvingen (metadata) maken en opslaan van deze pagina's en van documenten, tijdschriftartikelen en andere bestanden. Als je op je p.c. de stand-alone versies van deze programma's installeert kan je ook de bestanden zelf van je computer uploaden naar de cloud zodat je niet alleen de beschrijvingen maar ook de bestanden zelf op andere computers kan bekijken. Werken met Mendeley en Zotero vraagt meer voorbereiding dan werken met Diigo, YURLS of Symbaloo: je moet de lokale programma's op je computer installeren èn de browserextensies en het kost tijd om je het werken  met deze tools eigen te maken. Daarom worden ze zelden gebruikt om alleen webpagina's op te slaan. Werken met Mendeley en/of Zotero gaat pas wat opleveren als je gebruik gaat maken van de outputmogelijkheden. Als je namelijk de met deze tools verzamelde bronnen wilt verwerken in een wetenschappelijk document, dan hoef je daar bijna niets meer voor te doen. Met één klik op de knop zet je een literatuurverwijzing in een document (beide programma's hebben daarvoor add-ons voor verschillende tekstverwerkers) en maak je een literatuuropgave van alle gebruikte bronnen.

Een voordeel van zowel tools als Diigo, Symbaloo en YURLS, als van Mendeley en Zotero, is dat ze uitstekende mogelijkheden bieden om favorieten te delen. Bij Symbaloo en YURLS kan je de favorieten die anderen verzameld hebben bekijken en overnemen in je eigen collectie. Bij Diigo, Mendeley en Zotero kan je groepen vormen en gezamenlijk een collectie opbouwen.

Zo heeft elke tool zijn eigen voor- en nadelen. Daarom is het handig om steeds te kijken wat je waarvoor gebruikt. Zelf gebruik ik Xmarks om mijn persoonlijke favorieten in alle browsers (ik gebruik zowel Internet Explorer als Firefox, Chrome en Safari) op alle devices die ik gebruik te synchroniseren. Als ik een verzameling favorieten maak in het kader van een cursus of workshop die ik geef, maak ik gebruik van Diigo en YURLS. En als ik een artikel moet schrijven waarin ik literatuur verwerk, dan maak ik het liefst gebruik van Mendeley.

Ik vind deze toolset handig, maar ik kan me voorstellen dat niet iedereen met zoveel tools wil werken. Dat hoeft gelukkig ook niet. Met alleen Diigo en de bibliografische mogelijkheden van een tekstverwerker (bij Word te vinden onder 'Verwijzingen' → 'Citaten en bibliografie') kom je al een aardig eind in dezelfde richting.



Afbeelding van Judy **, gepubliceerd onder CC-by-nc-nd.

maandag 5 maart 2012

Zoeken, missen of vinden

Zoeken, en vooral: vinden, is iets waar ik me graag mee bezig houdt. Er is zo verschrikkelijk veel te vinden op het web: daar kan ik me uren in verdiepen. Informatie zoeken voor mijn werk, voor hobby's, leuke filmpjes, boeken: internet is de meest rijke bibliotheek die ik ken. Je moet er wel moeite voor doen om wat te vinden, maar gelukkig zijn er behoorlijk wat gereedschappen die je helpen om te vinden wat je zoekt. Hierbij een overzicht van mijn belangrijkste hulpmiddelen om mezelf te voorzien van de informatie die ik wil hebben.

Allereerst zijn er een heleboel mensen die me wijzen op interessante informatie. Gratis en voor niets krijg ik via het sociale web tips naar interessante websites. In de weblogs en de tweets die ik lees zie ik verwijzingen naar interessante websites en blogs. En natuurlijk zijn er ook mensen die reageren op mijn blogposts en mij wijzen op sites die ik  nog niet had ontdekt. Het voordeel van dit soort verwijzingen en tips is dat ze al gefilterd zijn. Ik ben er immers gekomen omdat ik ernaar verwezen ben door mensen die ik (virtueel) ken en wiens expertise ik waardeer. Mijn internet-netwerk levert me heel veel interessante informatie op, en als ik vragen heb waar ik zelf het antwoord niet op kan vinden, is er altijd wel iemand die me op weg kan helpen.

Maar er zijn natuurlijk ook manieren om zelf het antwoord op vragen te vinden. Net als (bijna) iedereen, maak ik graag en veel gebruik van de zoekmachine Google. Maar dat is zeker niet de enige zoekmachine die ik gebruik. Ten eerste omdat er geen enkele zoekmachine is die alles op het web ontsluit, dus als je zoveel mogelijk wilt vinden, loont het altijd de moeite om meer zoekmachines te gebruiken. Dus zoek ik ook wel eens met Bing, Ask, iSeek en een metazoekmachine zoals Metacrawler waarmee ik met één klik de database van 3 verschillende zoekmachines (Bing, Yahoo en Google) doorzoek.

Een andere reden om gebruik te maken van meer zoekmachines is dat Google een selectie maakt van wat ik te zien krijg op basis van wat de zoekmachine denkt dat interessant is voor me. Google weet verschrikkelijk veel van zijn gebruikers: natuurlijk door de vragen die we stellen via hun zoekmachine, maar ook door de sites die door Google gemonitord worden1, door de mail die we via Google versturen, de documenten die we maken, de statistieken die we door Google bij laten houden enz. Op basis hiervan maken ze profielen van hun gebruikers en bepalen ze welke treffers ze hoog in de resultatenlijst zetten als je iets zoekt met hun zoekmachine. Vaak is dat erg handig, maar het kan ook gebeuren dat je door die (door computers gemaakte) selectie, belangrijke informatie mist. In Nederland is hiernaar onderzoek gedaan door o.a. het Rathenau-instituut (onderzoek: Voorgeprogrammeerd: op 27 maart wordt hun boek met de resultaten van het onderzoek gepresenteerd). In onderstaande video zie je een presentatie van Eli Pariser over de 'filter-bubble'.

Naast allerlei zoekmachines maak ik ook graag gebruik van door anderen geselecteerde informatie. Ik maak gebruik van collecties die door anderen zijn opgebouwd, bijv. van YURL's en Symbaloo collecties.
En via mijn eigen online favorieten kom ik terecht bij anderen die dezelfde site hebben opgeslagen en door naar die lijstjes door te klikken, vind ik vaak weer een heleboel voor mij onbekende, maar erg interessante sites.

Een site die een beetje tussen een zoekmachine en een favorietenverzameling inhangt en erg waardevol is voor de beta-vakken, is Wolfram|Alpha. Met Wolfram|Alpha doorzoek je niet het web, maar data die verzameld en beoordeeld zijn door experts. Wolfram|Alpha gebruik je als je op zoek bent naar feiten, bijvoorbeeld als je wilt weten wanneer een bepaalde vulkaan voor het laatst actief was, hoever Venus verwijderd is van Mars, als je snel een vergelijking wilt uitrekenen of als je wilt weten wie bij de Olympische spelen in 2000 een medaille wonnen bij het onderdeel zwemmen. Het handige van Wolfram|Alpha is dat je je vraag in gewone (Engelse) taal kan stellen. Wolfram|Alpha geeft dan aan hoe hij je vraag interpreteert (input interpretation) en doet suggesties als hij je vraag op meer manieren kan interpreteren. Met name voor docenten en voor bovenbouwleerlingen Havo/VWO is Wolfram|Alpha een een site die in de favorietenlijstjes thuis hoort.

Een site die lijkt op Wolfram|Alpha (of eigenlijk moet ik zeggen: een voorloper van Wolfram|Alpha) is Google Scholar. Ook Google Scholar is een zoekmachine die zoekt in een afgebakende collectie. De collectie waar Google Scholar uit put bevat wetenschappelijke informatie: artikelen uit wetenschappelijke tijdschriften, scripties en overheidspublicaties. Google Scholar beperkt zich niet tot de beta-wetenschappen, maar omvat alle wetenschappen. Met Google Scholar krijg je, net als met gewone zoekmachines, een lijst met resultaten. Wil je snel een overzicht van de belangrijkste feiten over een bepaald onderwerp dan kan dat lastig zijn en biedt Wolfram|Alpha sneller resultaat, maar als je je breed wilt oriënteren op een onderwerp dan kan je beter terecht bij Google Scholar.


1 Wil je weten welke sites Google allemaal in de gaten houdt? Download dan eens dit Google-alarm, gemaakt door het kunstenaarscollectief F.A.T. (Free Art and Technology).

Afbeelding van Tama Leaver, gemaakt onder CC-by-nc-sa



.

dinsdag 14 februari 2012

Eerste blogposts MediaMachtig-projecten online

Nog maar een maandje is bekend welke projecten subsidie ontvangen, en de eerste blogposts staan al online. Leuk om het enthousiasme te zien waarmee leerkrachten aan de slag gaan om media in de les in te zetten en zo leerlingen mediawijzer te maken!

Zoals bij alle project, hebben ook de de MediaMachtig-projectleiders te maken met zaken die uitgezocht en vragen die beantwoord moeten worden. En natuurlijk zijn er ook problemen die opgelost moeten worden. Een project doen is leuk, maar het valt lang niet altijd mee. Daarom wil ik een oproep doen aan de lezers van dit weblog om de projectleiders van de MediaMachtig-projecten te steunen. Niet met geld en goed, maar wel met adviezen en tips, en - misschien wel het meest belangrijk - interesse in wat ze doen en vertellen.

Lees bijv. over de opzet en bekijk de videoblogpost van het project van ZMLK De Ark over het woordenschatproject: zou jij gebruik willen maken van de woordenschatapplicatie die in het kader van het traject ontwikkeld wordt, heb je misschien tips voor Arco Baas, of wil je weten wat zijn plannen zijn? Laat dan een reactie achter op het blog.

Net als Arco, werkt ook Maikel Beumer van De Vendelier, met mindmaps. Een goed hulpmiddel bij het werken aan de woordenschat. Maikel pakt taalonderwijs breed aan: hij wil Twitter gebruiken voor het maken van een Twitterwoordenboek (Twitionary) en Twitterverhaaltjes (Twitterstory), en hij laat zijn leerlingen prentenboeken en/of filmpjes of animaties maken. Zijn leerlingen hebben al een berichtje geschreven over het project en vinden het leuk als iemand reageert op hun post. Maikel zelf heeft een (technische) vraag over het koppelen van de iPad aan een beamer zonder HDMI-ingang: kan jij hem helpen?

Pim Staals, van De Pionier, heeft met zijn leerlingen een persbureau opgericht: de Pionier Koerier. In zijn eerste blogpost doet hij uit de doeken wat zijn plannen zijn. Door het schrijven van verschillende soorten teksten, leren zijn leerlingen onderscheid te maken tussen een objectieve en subjectieve verslaggeving, tussen een recensie en een column enz. Laat jij je leerlingen ook verschillende tekstsoorten schrijven en heb jij tips hoe je dat goed kan overbrengen aan de leerlingen? Laat dan een berichtje achter bij het verhaal van Pim.

Francois van der Sanden van de Martinus van Beekschool, een cluster 2-school, maakt mediawijsheid onderdeel van de sociaal emotionele lessen, gecombineerd met wereldoriëntatie. Hij gaat, speciaal voor deze groep kinderen, o.a. een lespakket Mediawijsheid ontwikkelen en observatielijsten voor de leerkracht om na te gaan welke kinderen op een verantwoorde wijze omgaan met digitale media. Alhoewel het project wordt uitgevoerd op een Cluster-2-school is het materiaal dat ontwikkeld wordt bruikbaar voor alle basisscholen en alle leerlingen!

Een overzicht van alle projecten die dit jaar uitgevoerd worden vind je hier. Ik hoop dat jullie het blog van MediaMachtig vaak bezoeken en meeleven met de MediaMachtig-projecten die nu vorm beginnen te krijgen. Daarmee help je de projectleiders hun project optimaal uit te voeren, en voor jou levert het inspiratie op voor je eigen lessen en contacten met mensen die je te hulp kan vragen als je zelf met vragen zit. Samen sterk ;-)

woensdag 8 februari 2012

Strips maken: iets voor jouw lessen?

Onlangs is - iets later dan verwacht - het MediaMachtig-project 'Strips maken' afgerond. In dit project bedenken leerlingen een verhaal, leggen dit digitaal vast d.m.v. foto’s en verwerken dit m.b.v. een softwareprogramma tot een eigen stripverhaal. In het project leren leerlingen zelf mediaproducties maken met foto's, ze maken zich de vaardigheden eigen om een digitale camera te gebruiken en ze leren te werken met een programma om strips mee te maken (bijv. ComicLife, Pikikids of PowerPoint). En natuurlijk biedt het zo maken van een strip prachtige ingangen om met de leerlingen in gesprek te gaan over vragen als of je iemand altijd mag fotograferen of dat het alleen mag als iemand toestemming geeft, of je overal foto's mag maken of dat er plaatsen zijn waar dat niet mag (bijv. op het schoolplein, in winkels enz.), of je je strip met daarin de foto's mag publiceren op je Hyves of in de krant enz.

Het project was een groot succes op de school waar het werd uitgevoerd. En omdat alle materialen die het project heeft opgeleverd worden gedeeld, kan iedereen die dat wil nu met gemak hetzelfde project op de eigen school doen. Je kan vrij gebruik maken van:
  • de mindmap die een overzicht biedt van de activiteiten die de leerlingen moeten uitvoeren om een strip te maken,
  • de handleiding voor de leerkracht die het project ontwikkelt/uitvoert,
  • een opdrachtkaart voor de leerlingen, waarin staat wat ze moeten doen,
  • een scèneblad dat de leerlingen moeten invullen om het door hen verzonnen verhaal vorm te geven,
  • de eindevaluatie waarin de projectleider vertelt tegen welke problemen zij is aangelopen en hoe ze die heeft opgelost.

Alles bij elkaar prachtig materiaal om mediawijsheid een plaats te geven in de lessen van leerlingen in de midden- en bovenbouw van het basisonderwijs en voor leerlingen die je extra uitdaging wilt bieden.

maandag 23 januari 2012

Fakebook

Meestal als je iemand hoort zeggen dat iets 'fake' is, dan wil hij daarmee zeggen dat hij het minder waardevol vindt dan het origineel. Maar Fakebook van Classtools is voor het onderwijs misschien nog wel leuker dan het 'echte' Facebook.

Fakebook is een website waarmee je 'net echte' Facebookprofielen kan maken. Maar in tegenstelling tot Facebook is het bij Fakebook niet de bedoeling om je eigen leven in kaart te brengen, maar juist het leven van anderen. Van historische figuren of hedendaagse kunstenaars, van politici of uitvinders, van schrijvers of van wetenschappers enz. Door het leven van die personen vast te leggen in Fakebook, kan je leren over die persoon en over het tijdperk en de cultuur waarin die persoon leeft of leefde. Je kan dat natuurlijk ook doen door een profiel te maken in het echte Facebook, maar dat is door Facebook formeel verboden. Daarnaast geldt er voor Facebook een leeftijdsgrens van 13 jaar, dus leerlingen in het basisonderwijs mogen er geen gebruik van maken.

Fakebook kent die beperkingen niet: de enige beperking die daaraan zit is dat het alleen bestemd is voor onderwijskundige doeleinden. Verder mag iedereen die dat wil met Fakebook een profiel aanmaken van iedereen die hij wil. En op dat profiel kan je behoorlijk wat informatie kwijt:
  • in het profiel zelf geef je een beschrijving in feiten van je leven, bijv. je geboortedatum, opleiding, werk, hobby's, burgerlijke status enz., en je zet bij je profiel een foto,
  • je kunt posts plaatsen bij je profiel over wat je hebt gedaan. 
  • In een post kan je YouTube-filmpjes embedden
  • bij die posts kan je comments plaatsen: van jezelf of van andere (imaginaire) figure,
  • bij een comment kan je een duimpje omhoog (like) of omlaag (dislike) zetten,
  • je kan ook aangeven wie je vrienden zijn en ook van hen kan je een foto online zetten. 

Foto's voor je eigen profiel of de profielfoto's van je vrienden kan je uploaden vanaf je eigen p.c. of automatisch laten zoeken door Google Image Safe Search. Daarmee loop je heel weinig risico dat je beelden krijgt die je liever niet wilt laten zien aan kinderen, maar het voegt natuurlijk wel wat toe als je leerlingen zelf plaatjes laat zoeken, zeker als je ze vraagt om een beeld te kiezen dat past bij het imago dat ze die persoon willen geven.

Om met Fakebook te kunnen werken heb je geen kennis nodig van HTML of dat soort zaken: je werkt gewoon met een tekstverwerker en als je een filmpje in een post wilt plakken, dan hoef je alleen de URL van het filmpje in je post te zetten. Als je een Fakebookprofiel hebt gemaakt, kan je dat opslaan in het archief zodat anderen er gebruik van kunnen maken, en/of opslaan op je eigen p.c.

Wil je dat leerlingen op elkaars profielen reageren? Embed dan de profielpagina's in een site of weblog zodat ze daarin hun reactie kunnen plaatsen. Daarmee creëer je de mogelijkheid om een rollenspel te spelen. Je kan je leerlingen de opdracht geven Fakebookprofielen te maken van historische figuren uit een bepaalde historische periode en die op elkaar laten reageren, of je kan leerlingen een rollenspel laten spelen waarbij ze een bepaald probleem toelichten vanuit het leven van hun profielpersoon (bijv. de vraag of we moeten vasthouden aan de Euro, gezien vanuit een ondernemer, een bank, de Nederlandse bank, een multinational, een pensionado die de winter doorbrengt in Spanje enz.).

Er zijn al heel wat Fakebooks gemaakt. Een deel daarvan is terug te vinden in het archief. Ook als je niet door je leerlingen een Fakebookprofiel wilt laten maken, is het leuk om er eens een kijkje te nemen. Misschien vind je er wel een profiel van iemand over wie jij net wat wilt gaan vertellen in de les.



View Fullscreen | Create your own


N.B. Je kunt natuurlijk ook met andere sociale media een (historische) periode in kaart brengen. Kijk maar eens wat Alwyn Collinson doet met haar Twitteraccount RealTimeWWII. Zo uitgebreid is misschien niet haalbaar, maar wat let je om een poging te wagen met je leerlingen?

woensdag 14 december 2011

Internet en oma's

Foto van Chacho Puebla
(Media)wijsheid is weten hoe je het best kan gedragen (op internet) om je doelen te verwezenlijken. Hoe presenteer je jezelf zo goed mogelijk (op Hyves, Facebook of LinkedIn), hoe werk je goed samen (in een game) om het hoogste level te kunnen bereiken, hoe zorg je ervoor dat anderen jou(w profiel, weblog of website) 'ontdekken', hoe bouw je een band op met anderen (via het net), hoe benut je de kennis die anderen (op internet) hebben (gezet), hoe kan je onderscheid maken tussen 'foute' en goede vrienden (op het net) en hoe bepaal je wat (op internet) goede bronnen op zijn en wat niet? Om die inzichten in praktijk te kunnen brengen moet je uiteraard ook de technische vaardigheden hebben om de (internet)gereedschappen te kunnen hanteren die nodig zijn om jouw doelen te bereiken.

Als je bovenstaande alinea leest en daarbij alle woorden die te maken hebben met internet weglaat, dan zie je dat er in de kern niets nieuws onder de zon is:
Wijsheid is weten hoe je het best kan gedragen om je doelen te verwezenlijken. Hoe presenteer je jezelf zo goed mogelijk, hoe werk je goed samen om het hoogste level te kunnen bereiken, hoe zorg je ervoor dat anderen jou 'ontdekken', hoe bouw je een band op met anderen, hoe benut je de kennis die anderen hebben, hoe kan je onderscheid maken tussen 'foute' en goede vrienden en hoe bepaal je wat goede bronnen op zijn en wat niet? Om die inzichten in praktijk te kunnen brengen moet je uiteraard ook de technische vaardigheden hebben om de gereedschappen te kunnen hanteren die nodig zijn om jouw doelen te bereiken.

Mediawijsheid is dus niet iets heel nieuws: het gaat om oude vaardigheden en inzichten die toegepast moeten worden in een nieuw kader. Of misschien moet ik wel zeggen: in een steeds breder wordend kader. Ik denk namelijk dat de komst van elk nieuw medium heeft gevraagd om een uitbreiding van wat we eerder hebben geleerd en dat het enige verschil is dat elk nieuw medium een grotere groep gebruikers had dan zijn voorgangers. 

Omdat wijs worden een lang proces is, is het goed om te kijken hoe je de inzichten die ouderen verworden hebben kunt vertalen naar de wereld van nu. De afgelopen week kwam ik op twee mensen tegen die met die gedachte zijn gaan spelen: elk op hun eigen manier. Chacho Puebla heeft een prachtige serie foto's gemaakt met de wijze tips die hij graag had gehad van zijn grootmoeder. De foto linksboven bij deze blogpost is van hem (klik op de foto om de tekst te kunnen lezen).
Eric Fulwiler schreef op Social Media Today een blogpost met 10 'oma-tips' van vroeger vertaald naar nu. Oma-wijsheden als 'twee keer nadenken voordat je spreekt' en 'let op je manieren' zijn in de digitale wereld van even groot belang als in de echte wereld. Op de site Power PR vind je een vertaling van deze tips.

Ik vind het een leuke en zinvolle manier om mediawijsheid van deze kant te belichten. Ik denk dat je daarmee de kloof kan dichten tussen jongeren/leerlingen en ouderen/docenten: jongeren hebben vaak wel de technische vaardigheden om het internet op te gaan, maar kunnen best wat 'oude' wijsheid gebruiken om die optimaal te kunnen benutten.

De tips op PowerPR kan je gebruiken voor een mediawijze opdracht voor leerlingen. Vraag ze eens welke 'zinloze' tips en waarschuwingen zij dagelijks krijgen van ouderen in hun omgeving. Zinloos omdat het dingen zijn waar zij anders over denken en die ze ouderwets vinden. En vraag ze dan eens om die tips te vertalen naar hun digitale leven. Of doe net als Chacho Puebla en vraag je leerlingen om tips te bedenken die zij aan hun kleinkinderen zouden willen meegeven. Er zal zeker een hoop gediscussieerd worden over wat je wel en niet moet doen op internet. En daarvan kunnen zowel leerling als leraar wijzer worden ;-)

N.B. Toen ik deze post had geschreven, zag ik dat Tessa van Zadelhoff (Warempel) blijkbaar dezelfde blogs en nieuwsbrieven leest als ik, want ook haar waren de 'oma-berichten' opgevallen en ook zij heeft erover geschreven in haar blog. Omdat de posten toch niet iets anders zijn, laat ik de mijne maar gewoon staan.