Posts weergeven met het label didactiek en jongeren. Alle posts weergeven
Posts weergeven met het label didactiek en jongeren. Alle posts weergeven

donderdag 19 mei 2011

Learners of the 21st Century

Door: Martijn van den Berg
Het zal niemand verbazen als ik zeg dat social media op dit moment heel erg groot zijn. Volgens onderzoek gebruikt 76% van alle mensen social media, en bedrijven maken daar dapper gebruik van. Een van die bedrijven is Kennisnet. Deze willen ook meer te weten komen over het effect van social media, en hebben daarom aan YoungWorks gevraagd om een onderzoek in te stellen. Doel van het onderzoek is om te testen hoe jongeren social media gebruiken en hoe juist jongeren zich dit eigen maken.

21 Jongeren in de leeftijdscategorie van 15-25 jaar doen samen aan dit project mee. Ik ben er één van, maar met mij nog veel mensen. Allemaal hebben ze iets met social media te maken. Allemaal wonen ze 4 bijeenkomsten bij, waar gepraat wordt over social media, om zo bruikbare praktijkcases naar boven te halen. Daarnaast krijgen we allemaal opdrachten en vragen tussendoor.

Ik was meteen omver toen ik gevraagd werd. Naast dit creatieve experiment, is het natuurlijk ongelofelijk leuk om van andere mensen te leren, aangezien social media zo ongelofelijk in opkomst is. Volgende week is de eerste bijeenkomst. Ik ben benieuwd! Misschien nog wel een onderwerp dat voor meer blogjes vatbaar is.

dinsdag 22 maart 2011

ICT: een middel om bij leerlingen aan te sluiten

afbeelding van een studeerkamer"Aansluiting bij de wereld van de leerling", wordt vaak genoemd als reden om ICT in te zetten in het onderwijs. Jongeren maken gebruik van Hyves, YouTube, MSN en Facebook, dus die middelen moeten we ook inzetten in het onderwijs. Maar ik denk dat je daarmee te kort door de bocht gaat. Als je ICT alleen gebruikt om 'erbij te horen', dan loop je het risico je doel voorbij te schieten. Je gebruikt dan de tool als ingang voor de wereld van de jongeren, maar is dat inderdaad de deur naar hun leefwereld?

Ik betwijfel dat ten zeerste. ICT is wel een middel dat jongeren veel gebruiken, maar het is geen doel op zich. ICT wordt door hen gebruikt om interessante, leuke of spannende informatie te vinden en te delen, met anderen in contact te komen of te blijven en om hun creativiteit te uiten.

Het gebruik van de tools van jongeren op zich is volgens mij niet de toegangsdeur naar hun wereld. Lesgeven via een weblog maakt de lesstof niet interessanter, leerlingen raken niet extra gemotiveerd als je ze met elkaar informatie laat uitwisselen via MSN en de stof blijft niet beter hangen als je die aanbiedt op je Hyvespagina.

Maar ICT is wel een middel dat je in staat stelt om dingen te doen die jongeren belangrijk vinden. In het kader van de - helaas niet meer bestaande - subsidieregeling van Stichting TQ.nl heb ik vele malen gesproken met jongeren hoe zij hun onderwijs in willen richten. Daarbij kwamen altijd zaken naar boven drijven als: onderwijs moet efficiënt zijn, het moet passen bij wat ik wil en kan, het moet me in contact brengen met interessante mensen. Ook vonden de jongeren die ik sprak het belangrijk om bijdrage te leveren aan hun omgeving, ze wilden actief zijn en leren door zelf te doen en vakken combineren met elkaar.

ICT biedt daarvoor mogelijkheden. Met ICT kan je o.a.:
Wie ICT als middel inzet om onderwijs op die manier leuker, beter en sneller te maken, laat leerlingen zijn wie ze zijn en sluit daarom pas echt aan bij hun leefwereld!

N.B. Ben je geïnteresseerd in wat jongeren me destijds vertelden over hoe zij onderwijs willen inrichten? Hun criteria voor goed onderwijs zijn nog te vinden op de site van Stichting TQ.NL: 2006, 2007 en 2008. Misschien een leuk startpunt om dit soort gesprekken op je eigen school te voeren?

Afbeelding van razumny, gepubliceerd onder CC-by-nc-sa.

donderdag 20 januari 2011

De praktijk: het motivatieprobleem

Door: Martijn van den Berg
Stel je voor: het is alweer de laatste week praktijk. Je hebt vier weken keihard geprobeerd zo veel mogelijk punten binnen te halen en hebt eigenlijk nergens meer zin in omdat je alles wel gezien hebt. Tot overmaat van ramp krijgen alle studenten geen punten meer de laatste week. Iedereen is het eigenlijk helemaal zat om te werken, maar je moet toch door de laatste week heen, wat veel leuker is met gemotiveerde mensen. Wat nu?

Ik heb eerder een blogje geschreven over de angst om maximaal te waarderen. Punten zijn een gereedschap in de juiste handen, maar wat als men geen punten heeft om te belonen? Het antwoord zit hem in deze situatie in de feedback. Naast punten geef je ook iedere dag feedback. Je zegt iedere dag iets positiefs (top) en een verbeterpuntje (tip) aan je eerstejaars, in de filosofie dat men altijd wel iets goed en iets verkeerd doet.

Dit systeem faalt echter op vele punten. Supervisors gaan hameren op kleine puntjes en standaardfeedback omdat men niets weet en daarom werkt het systeem niet of zelfs demotiverend. Ik kan het bijvoorbeeld niet over mijn hart verkrijgen om iemand die de hele dag keihard en perfect heeft gewerkt en op het randje van breken staat ook nog eens in het gezicht negatieve feedback te geven.

Maar wat als je nu kijkt naar wat je wilt bereiken met het systeem. Als een student daadwerkelijk na herhaaldelijk vragen iets fout doet, kan je het opschrijven als een reminder. Maar als een student ongelofelijk gedemotiveerd is, werkt het misschien beter om zo iemand te overladen met complimentjes, om zo de motivatie op te krikken. Maar het werkt ook andersom. Iemand die keihard gewerkt heeft, heeft veel meer aan een beetje erkenning, dan een manier om nog harder te werken.

Om terug te komen op het begin. Omdat de laatste week punten niets uitmaken en iedereen gedemotiveerd is, probeer ik via positieve energie de motivatie erin te houden. Een grapje, een hoop complimenten en veel positieve feedback doen in mijn ervaring wonderen met mensen. En hoe motiveer ik mezelf? De positieve reacties van anderen op wat ik doe doen ook wonderen.

woensdag 26 mei 2010

Relate-Create-Donate

afbeelding over donerenAl weer een tijdje geleden hoorde ik via Robert-Jan Simons over de Relate-Create-Donate filosofie van Ben Schneiderman. In die leerfilosofie pleit Schneiderman ervoor om in het onderwijs voor de huidige generatie altijd de volgende 3 componenten te verwerken:
  1. Relate: samenwerken in teams,
  2. Create: iets nieuws ontwikkelen,
  3. Donate: resultaten opleveren die zinvol zijn voor iemand anders.
Ik vind het een erg interessante filosofie omdat die gebaseerd is op een onderwijskundige visie en aansluit bij de leefwereld van jongeren van nu (ook al is het artikel al gepubliceerd in 1998).

Ik realiseer me dat de wedstrijden die ik in de loop van de jaren heb mee helpen organiseren, die punten als uitgangspunt nemen omdat daar altijd in groepen samengewerkt moest worden aan een nieuw te ontwerpen product en het eindresultaat (een - educatieve - game of website) gebruikt moet kunnen worden door derden.

Maar ook zonder wedstrijd kan je onderwijs maken dat op deze uitgangspunten gestoeld is. Je kunt daarbij het beste starten bij punt 3: het bedenken van 'zinvolle' producten waar anderen profijt van hebben. Die 'anderen' kunnen mensen zijn van binnen de onderwijsinstelling (medeleerlingen, docenten), maar ook mensen van buiten de onderwijsinstelling, zoals musea, het - toekomstige - beroepenveld van leerlingen, gemeente- of overheidsorganisaties enz.

Als je weet voor wie leerlingen of studenten iets gaan maken, is de volgende vraag wat ze gaan maken. Die vraag kan volgens mij alleen beantwoord worden in overleg met degene voor wie je iets gaat maken. Maak je iets voor anderen binnen de onderwijsinstelling, bijvoorbeeld voor leerlingen van volgende jaren, dan kan dat een website of een wiki zijn, maar ook een filmpje of een podcast, of toetsmateriaal. Laat je leerlingen iets maken voor iemand van buiten de onderwijsinstelling, dan zou je voor een goededoelenorganisatie een promotie-actie kunnen laten ontwikkelen, voor een museum een educatieve activiteit (eventueel in verschillende talen), of voor de gemeente een onderzoek laten opzetten en uitvoeren.

Om dit soort opdrachten uit te kunnen voeren, zullen leerlingen moeten samenwerken in teams. Dat is niet altijd makkelijk te realiseren: we kennen allemaal de groepjes waarin één of meer leerlingen hun werk niet doen of elkaar zelfs het leven zuur maken, of waarin geen sprake is van uitwisseling van kennis en inzichten maar waarin elke leerling een deeltaak doet die losstaat van het werk van de anderen. Samenwerking in teams vraagt goede begeleiding van de docent: er moet aandacht besteed worden aan de samenstelling van de teams, er moet aandacht zijn voor het sociale proces, de taken moeten goed verdeeld worden en de werkvormen moeten passen bij het werk dat gedaan moet worden. Een aardig overzicht van manieren waarop samengewerkt kan worden, vond ik op deze website.

Een voordeel van het maken van een product voor een externe partij, is dat die partij betrokken kan worden bij de inhoudelijke begeleiding. Daarnaast verhoogt het werken aan authentieke, zinvolle opdrachten de motivatie van de leerling, waardoor de kansen op succesvolle samenwerking stijgen.

Ik vermoed dat het grootste probleem van deze leerfilosofie is, dat het voor individuele docenten niet altijd makkelijk zal zijn om organisaties te vinden die enerzijds gebruik willen maken van de inzet, expertise en beschikbare tijd van leerlingen, en anderzijds willen investeren in hun begeleiding. Niet omdat die bedrijven er niet zijn, maar omdat je daarvoor een breed netwerk moet opbouwen buiten de school en docenten daarvoor als regel de tijd niet hebben. Ik wil er daarom hier voor pleiten om op elke school (en mogelijk per sectie, afdeling of jaarlaag) iemand te benoemen die zo'n netwerk gaat opzetten en beheren. Die persoon kan dan ook contacten leggen voor de maatschappelijke stages die vanaf schooljaar 2011-2012 voor alle VO-scholen verplicht zijn. Maar ik zou het zeker breder willen trekken dan alleen de stages: ook daarbuiten kan het netwerk benut worden: voor opdrachten voor leerlingen, voor uitwisseling van kennis en voor het werven van (gast-)docenten!

Afbeelding van Mindful One, gepubliceerd onder CC-by-nc-nd.

maandag 8 december 2008

De netwerkstudent

Plaatje van de docent van een netwerkstudentToen ik onderstaand filmpje zag, vroeg ik me af of het leren op scholen er straks ook zo uit zal zien. Gaan onze studenten straks leren zonder boeken, maar met behulp van sociale netwerken, wiki's en weblogs? Ik doe dat zelf wel: heel veel van wat ik leer, haal ik van het web. Van collega-webloggers, van websites en - in mindere mate - uit podcasts. Ik deel mijn favoriete game-websites, en leg contacten via internet.

Het bevalt me uitstekend om zo te leren: ik leer wat ik wil op het moment dat ik het wil en van wie ik wil. Zo leren stelt wel bepaalde eisen aan je eigen vaardigheden: je moet in staat zijn om je leervraag te formuleren, informatie te vinden en te beoordelen, een verhaal kunnen formuleren, een netwerk op te bouwen en kritisch te reflecteren. Dat vraagt - zeker in het begin - behoorlijk wat begeleiding en dat is in dit filmpje de taak van de docent.

Wat ik mis in dit verhaal zijn de f2f-contacten: die vind ik zelf, naast alle virtuele contacten, toch erg waardevol. Het helpt mij om te zien hoe mensen reageren op wat ik zeg en om ze in hun ogen te kunnen zien als ze zelf vertellen. Ook lees ik, zij het minder dan voorheen, nog wel boeken. Ik vind het prettig om een theoretische basis te hebben van waaruit ik informatie kan beoordelen en kan plaatsen in een breder kader. En een netwerk opbouwen rondom mijn vakgebied kwam pas echt van de grond toen ikzelf enige kennis had vergaard op dit gebied omdat ik pas toen inzicht kreeg in wat het precies was wat ik wilde weten, ik gerichte(re) vragen kon stellen en de kennis van anderen een plek kon geven in wat ik al wist.

De uitspraak over het delen van kennis die in het filmpje wordt gedaan (people usually love to share their knowledge and expertise, especially with students'), trek ik enigszins in twijfel. Ik vind het heerlijk om kennis te delen en probeer ook altijd op vragen en reacties van anderen in te gaan maar ik heb niet altijd tijd om in te gaan op allerlei vragen van individuele studenten, vaak ook omdat die erg algemeen zijn (bijv.: 'wat vindt u van het gebruik van games in het onderwijs?').

Wat mij betreft mag de toekomst dus ergens in het midden uitkomen: niet alleen via (inter-)netwerken leren, maar ook in klassen en werkgroepen en met een boek zo af en toe. Maar ik vind het wel een interessant beeld dat in dit filmpje wordt neergezet en zeker de moeite waard om over na te denken hoe je (delen van) dit verhaal in je eigen onderwijs zou kunnen vormgeven.


donderdag 20 november 2008

De filosofie van onderwijsvernieuwing

Door: Martijn van den Berg

Vroeger, in de tijd dat mijn moeder nog les had, ging men naar school omdat men iets wou leren en kauwde alles wat de leraar hen in de mond stopte. Er bestonden wel lastige studenten maar in principe ging het grootste deel er gewoon voor. School was niet het leukste wat je deed, maar het was je toekomst. Tegenwoordig is dat wel anders. De student emancipeert zich door te laten zien dat deze de les saai vindt. De wat oudere docenten zien dit meestal als ongehoorzaamheid tegenover hun les.

Tegenwoordig hebben we nieuwe middelen die we kunnen toepassen bij het lesgeven. Ik zeg expres kunnen, want veel middelen tot onderwijsvernieuwing worden niet benut. Dit komt vooral door de wat oudere garde docenten die gewoon gewend is les te geven uit een boek en die de enkele leerling die het niet eens is met de lesmethode strafwerk opgeeft. Deze mensen hebben vaak ook niet de kennis van andere onderwijsmethoden, omdat ze dat simpelweg nooit geleerd hebben.

Een voorbeeld: de computer is vooral de laatste 20 jaar gebruikt door mensen. Met de computer zijn (zoals veel mensen wel weten) veel dingen mogelijk. Onderwijsmethoden met de computer bestaan ook al een aantal jaar door de opkomst van verschillende media en internet. Probleem is dat veel oudere leraren niet zijn opgegroeid met een computer. Zoals wij het vanzelfsprekend vinden dat wij alles kunnen, hebben veel oudere leraren vaak totaal geen idee wat ze ermee aan moeten.

Onderwijsvernieuwing is een mooi woord, en klinkt hoop vol. Maar ik denk dat onze tijd nog niet rijp is voor drastische didactische veranderingen. En wordt nu bij de lerarenopleidingen veel gedaan aan innovatie van het onderwijs, maar je kunt niet verwachten van de mensen die dit nooit hebben geleerd dat ze met een simpele bijscholing alles kunnen. Je kan niet verwachten van scholen dat ze nu opeens al hun personeel gaan bijscholen om beter les te geven. Voor onderwijsvernieuwing is toch echt tijd nodig. Maar in de tussentijd kun je altijd individueel je steentje bijdragen.

vrijdag 16 mei 2008

Onderwijs moet aansluiten bij de leerlingen

Het wordt vaak gezegd: het onderwijs moet aansluiten bij de leefwereld van de leerlingen. Een leuke gedachte die de meeste mensen wel onderschrijven, maar hoe geef je daar nu vorm aan? Betekent het dat je de leerlingen elke dag achter de computer moet zetten? Moeten ze hun eigen leervragen formuleren? Er is veel over geschreven en een aantal grote didactici hebben er hun visie op gegeven. Desondanks wil ik hier variatie op de aanpak van anderen beschrijven, vanuit mijn ervaring om leerlingen zelf te betrekken bij het onderwijs.

Ik denk namelijk dat het voor mij als volwassene onmogelijk is om een goed beeld te hebben van de leefwereld van onze leerlingen. Er is, denk ik, niet zoiets als één leefwereld: die varieert per regio, per school, per klas, per leerling. Bovendien is die niet statisch maar voortdurend aan verandering onderhevig. Ik denk dat het een onbegonnen zaak is om die leefwereld zelf in beeld te krijgen: daar hebben we de hulp van de leerlingen zelf bij nodig.

Om een idee te krijgen van wat leerlingen bezig houdt zou ik ze graag aan het begin van het jaar willen vragen wat ze doen in hun vrije tijd, welke baantjes ze hebben of ambiëren, wat hun drijfveren zijn, en wat ze denken dat ze over een jaar of 3 of 5 bezig houdt. De mentor van de klas krijgt die informatie in handen en zorgt ervoor dat op basis van die informatie voor elke leerling ten minste één les of lessenserie wordt samengesteld. Natuurlijk gebeurt dat in overleg tussen de docent en de leerling. De leerling licht zijn dossier toe en de docent geeft aan hoe zijn vak de leerling kan helpen om zijn doel te bereiken. Dat laatste is heel belangrijk: de les moet de leerling iets leren waarmee hij verder kan met zijn ambities en niet een het overdragen van kennis die de docent belangrijk vindt maar de leerling niet.

Is je hobby paardrijden dan kan de docent wiskunde bijvoorbeeld een les samenstellen over allerlei wiskundige figuren die bij de dressuurproeven gereden moeten worden. Staat surfen bij een leerling hoog op de lijst? Dan ligt een natuurkundeles voor de hand waarbij in kaart wordt gebracht welke krachten op de surfplank worden uitgeoefend bij het surfen en hoe je de plank dus beter kunt beheersen. Ben je meer het type dat ervan houdt om te reizen? Dan wordt er een les gemaakt over hoe je je kunt redden in de outback van Australië. Enzovoort: bij elke hobby of ambitie valt wel een les te bedenken.

Op deze manier wordt een beroep gedaan op de kennis van de docent: hij moet er immers voor zorgen dat de verplichte lesstof in een jaar afgehandeld wordt. Het vraagt behoorlijk wat creativiteit om bij de vragen van de leerlingen zo te benaderen dat ze passen in het curriculum. En voor die lessen is natuurlijk geen kant-en-klaar materiaal: dat moet ontwikkeld worden.

Een tweede voordeel van deze aanpak lijkt mij dat het kansen biedt aan leraar en leerling om samen te werken en van elkaars expertise te leren. Daarnaast kan het een goede manier zijn voor leerlingen om elkaar te leren kennen: wat zijn nu eigenlijk de drijfveren van die leerling die meestal stil in een hoekje zit, waar gaat de leerling voor die direct na de lessen op zijn fiets naar huis gaat en wat is het toekomstbeeld van de studiebol in de klas? Die interesse kan overigens natuurlijk alleen maar bloeien als er een veilige sfeer is in de klas, dus daarin is voor het docententeam een belangrijke taak weggelegd.

Deze aanpak vraagt een behoorlijke investering van het onderwijs: leerlingen moeten gestimuleerd worden om te vertellen over hun drijfveren, de dossiers die het oplevert moeten verdeeld worden over het docententeam, er moet overlegd worden met leerlingen en lessen moeten ontwikkeld worden. Geen geringe klus in het toch al behoorlijk volle takenpakket van de meeste scholen en docenten. Maar als het nu eens inspirerender werk oplevert voor docenten en meer motiverende lessen voor de leerlingen, zou het dan niet de inspanning waard zijn?

vrijdag 20 april 2007

Onderwijs als een spel

Naar het artikel van GeeWilfred Rubens wees in zijn weblog op een publicatie van James Gee: Learning by design: good videogames as learning machines. Het is geen nieuwe publicatie: hij dateert al van 2005 en ik had 'm al eens eerder gelezen, maar ik blijf het een interessant verhaal vinden.

Gee somt in deze publicatie op welke elementen videogames zo verslavend maken, en hoe je die elementen in het onderwijs zou kunnen implementeren. De opzet van het verhaal is eenvoudig: hij noemt een onderwijskundig principe, kijkt hoe die in games in het algemeen uitgewerkt zijn en hij geeft een voorbeeld van een videogame waarin dat principe op een duidelijke manier vorm gegeven is. Tot slot geeft hij tips hoe je dat onderwijsprincipe op een spel-achtige manier in de les kunt uitwerken.

Ik heb zelf ook al een paar keer geschreven over hoe je onderwijs op een meer spel-achtige manier vorm zou kunnen geven (hier, hier en hier), maar het artikel van Gee is niet alleen veel uitgebreider, maar is ook geweldig onderbouwd vanuit de didactiek.

Om wat zaken te noemen uit de lijst van Gee (hij geeft er zelf 13):
  • een game (en dus ook onderwijs) moet een goede opbouw hebben. De gamer/leerling moet eerst zelfvertrouwen opbouwen over zijn kunnen voordat hij uitgedaagd wordt tot het doen van onderzoek;
  • de gamer/leerling moet mede-ontwerper zijn van de les/het spel. De keuzes van de gamer/leerling moeten het spel/de les beïnvloeden;
  • goed onderwijs/een goed spel sluit aan bij verschillende leerstijlen;
  • de leerling/speler kan zich identificeren met (een character in) de game/de les.

Ik zal niet alles opnoemen, want dan zou je misschien in de verleiding komen alleen deze post te lezen. En dat zou jammer zijn: het verhaal van Gee is veel beter dan ik hier kan vertellen!

maandag 19 maart 2007

Speels onderwijs

motivatie dmv een wiskunde-spelVorige week vertelde ik over het onderzoek van Ryan, Scott Rigby en Przbylski en het artikel van David Shaffer over waarom mensen gamen leuk vinden, en het artikel van David Shaffer. Zij kwamen tot de conclusie dat het plezier in gaming berust op 3 peilers: autonomy, competence en (bij multiplayer online games) relatedness. Wat mij boeit is de vraag hoe je nu deze elementen zou kunnen inbouwen in het onderwijs, ook als je niet leert door gamen. Eén van de redenen waarom we in het onderwijs geïnteresseerd zijn in games is omdat we onze leerlingen graag willen motiveren. Als de aantrekkingskracht van gaming zit in de door Ryan, Scott Rigby en Przbylski genoemde elementen, dan zou door deze factoren in te bouwen in je lessen het onderwijs net zo aantrekkelijk kunnen maken als games.

Laten we de factoren eens stuk voor stuk bij de kop nemen. Bij online games speelt 'relatedness' een rol in de motivatie. De gamers voelen zich met elkaar verbonden: ze willen allemaal hetzelfde doel bereiken en op fora kun je zien hoe sterk ze elkaar daarbij ondersteunen. In het onderwijs wordt ook wel gewerkt met groepsopdrachten, maar niet altijd is er daarbij aandacht voor dat een goed eindresultaat alleen maar bereikt kan worden als de leden van de groep goed samenwerken. Wil je je leerlingen bij elkaar betrokken laten zijn, dan is het nodig dat afhankelijk zijn van elkaar. Interessant vind ik dat onderlinge afhankelijkheid ook basisvoorwaarde is voor samenwerkend leren.

Autonomie van de speler wordt in het spel vormgegeven door de speler zelf een strategie uit te laten stippelen. Keuzes zijn zelden helemaal fout: wel is de ene keuze beter dan de ander, of leidt sneller tot het gewenste resultaat. In het onderwijs is er vaak weinig sprake van keuze vrijheid: iedereen moet op dezelfde dag, met behulp van dezelfde methode aan de slag om hetzelfde resultaat te bereiken. Dat bepaalde resultaten behaald moeten worden is duidelijk, maar ik denk dat het wenselijk dat er meer mogelijkheden worden geboden om die resultaten te behalen. De ene leerling zal graag gebruik maken van de methode, een ander leert misschien liever door projecten te doen, en een derde doet het liefste zelf onderzoek. En niet iedereen heeft voor alles dezelfde hoeveelheid tijd nodig, of wil de studietijd op gelijke manier als de anderen in stukjes hakken. Het zou geweldig zijn als een leerling er zelf voor zou kunnen kiezen wanneer bepaalde vakken in het jaar gevolgd worden en of hij werkt in lesuren, blokuren en in trimesters of semesters of liever de stof verdeelt over het hele jaar.

Tot slot de factor competence. Leerlingen willen graag het gevoel hebben zich bepaalde kennis of vaardigheden eigen gemaakt te hebben. In het onderwijs wordt nog vaak ingezoomd op wat de leerling niet weet. Natuurlijk benadrukken we ook wel wat een leerling wel weet, maar lang niet altijd vertellen we er dan bij waarom het belangrijk is dat hij zich die kennis of vaardigheid eigen heeft gemaakt. Wat kun je eigenlijk met die kennis in het 'echte' leven, het leven dat zich afspeelt buiten school? Ik denk dat we onze leerlingen kunnen motiveren door ze vaker vertellen welke stappen ze al hebben gezet, en waarom die zinvol zijn. Een portfolio kan volgens mij in dat proces goede diensten bewijzen. Om dat te kunnen samenstellen moet je je bewust zijn van wat je hebt geleerd, en volgens mij vindt een leerling (en ik denk: iedereen) het heerlijk om te kunnen laten zien wat hij zich eigen heeft gemaakt.

Misschien hebben jullie nog veel meer tips om deze 'motivational pulls' in het onderwijs vorm te geven. Het zou leuk zijn als we in dit weblog met zijn allen kunnen brainstormen hoe we onderwijs ook zonder spellen 'speelser' kunnen maken!

maandag 12 februari 2007

Multi(media)tasking

Rapport_over_Multi(media)taskingDe Kaiser Family Foundation heeft weer eens een interessant rapport uitgebracht, dit keer over multi(media)tasking door (Amerikaanse) jongeren.

Er zitten voor mij onverwachte conclusies in. Zo valt er te lezen dat meisjes meer multitasken dan jongens. Dat had ik niet verwacht. Ik heb wel her en der gelezen dat vrouwen over het algemeen beter in staat zijn om verschillende dingen tegelijk te doen, maar omdat ik multitasken vooral associeer met computers en ik denk dat vooral jongens veel tijd doorbrengen achter dat apparaat, had ik verwacht dat zij vaker dan meisjes verschillende media zouden benutten. Niet dus: er blijken iets meer meisjes dan jongens te multimedia-tasken.

Een andere interessante constatering vond ik dat lang niet alle jongeren multitasken. Er is een grote groep jongeren (ca. 20%) die bijna nooit tegelijkertijd van verschillende media gebruik maakt. Dat vind ik wel iets om in mijn oren te knopen: ik ga er toch vaak vanuit dat bijna iedereen (net als ik) tijdens het computeren andere dingen doet, bijv. telefoneren terwijl ik een verhaal aan het schrijven ben, mail checken tussen 2 games door enz.

Een derde bevinding uit het rapport is dat televisie nog steeds een zeer belangrijk medium is voor jongeren en dat dit een behoorlijk 'absorberend' medium is: als jongeren televisiekijken maken ze tegelijkertijd relatief weinig gebruik van andere media. Dat verbaast me erg: ik kijk zelf bijna nooit alleen t.v.: ik doe daar bijna altijd iets anders naast. Ik lees een boek. hang aan de telefoon, zit op de computer te surfen of mijn mail te beantwoorden enz. Maar blijkbaar wijk ik daarmee erg af van wat de meeste jongeren doen! Het kan natuurlijk zijn dat dat in Nederland anders ligt dan in Amerika: dit rapport gaat over Amerikaanse jongeren en het is natuurlijk niet gezegd dat onderzoek in Nederland dezelfde resultaten zou opleveren.

Ik zou er overigens voor willen pleiten om ook in Nederland zo'n onderzoek te doen. En daarbij zou ik dan willen focussen op de mogelijkheden en bedreigingen van multitasking voor het onderwijs. Is het zo dat door te zappen van het ene medium naar het andere, jongeren minder geconcentreerd hun huiswerk maken? En geldt dat dan zowel voor huiswerk dat gemaakt wordt met boeken en schriften, als voor huiswerk dat gemaakt wordt via de computer? Gaan jongeren eerder aan de slag met hun huiswerk als ze dat moeten maken met de computer? En helpt het als huiswerk/schoolwerk aangeboden wordt via verschillende media, zodat jongeren moeten zappen van het ene medium naar het andere? Ik zou het wel willen weten...!

vrijdag 12 januari 2007

Verschil in talent

talentDe meeste kinderen hebben talent voor het één of het ander. Je bent ófwel een wonder in wiskunde, óf je draait je hand niet om voor een opstel. Of je hebt misschien van kind af aan een voorliefde gehad voor sporten, en weet dan ook alles van de spelregels van alle sporten. Bijna iedereen heeft wel één of meer punten waarin hij uitblinkt.

In het onderwijs wordt daar maar weinig mee gedaan, vind ik. Je kunt weliswaar je profiel aanpassen aan je talent, maar dat laat onverlet dat je ook een aantal vakken waarvoor je minder talent hebt, op ongeveer gelijk niveau zult moeten doen.

Eén van de aansprekende dingen van de oude mavo vond ik dat je per vak kon bepalen op welk niveau je dat vak wilde doen. Was je bijvoorbeeld sterk in de talen en minder sterk in de beta-vakken, dan kon je ervoor kiezen het één op B- en het ander op D-niveau te doen. Natuurlijk waren er leerlingen die ervoor kozen om geen hoger niveau te nemen dan ze per sé moesten (bijvoorbeeld voor hun vervolgopleiding), maar er waren er ook die zich uitgedaagd voelden om elk vak op een zo hoog mogelijk niveau te doen.

Neem eens iemand met een duidelijke aanleg voor wiskunde, maar met duidelijke problemen waar het taalgevoel betreft. Je moet in elk profiel wel één of meer talen volgen, en ook wiskunde is in elk profiel verplicht. Zo iemand kiest misschien voor een havo-niveau omdat dat het maximaal haalbare is voor de talen, maar voor de beta-kant was misschien wel vwo-niveau haalbaar geweest (en in ieder geval uitdagender geweest!). Of neem leerlingen met dyscalculie: die hebben vaak erg veel moeite om überhaupt een diploma te halen, terwijl ze op de niet-wiskunde vakken misschien wel met gemak havo- of vwo-niveau kunnen scoren! Zou het voor dit soort leerlingen niet geweldig zijn om per vak te kunnen bepalen op welk niveau je wilt studeren?

Ik snap best dat het niet makkelijk is om verschillende niveaus in te voeren in het onderwijs. Uiteraard moet je rekening hebben met het vervolgonderwijs: als je een hbo-opleiding wilt volgen dan moet je alle vakken op tenminste havo-niveau doen, en voor een universitaire opleiding geldt dat alle vakken op vwo-niveau behaald moeten zijn. En sommige vakken zullen misschien gekoppeld moeten worden: als je economie op havo-niveau wilt doen dan is het vermoedelijk verstandig om bijvoorbeeld ook wiskunde op dat niveau te volgen. Ik zou zelf daarin graag de verantwoording leggen bij de leerling en diens ouders, en dit niet verplicht willen stellen maar het als advies mee willen geven.

Maar het kan ook voordelen hebben: door bepaalde vakken op een hoger niveau te volgen dan de overige vakken kun je laten zien dat je echt geïnteresseerd bent in die stof, en dat je er ook goed in bent. Dat lijkt me voor een vervolgopleiding of een toekomstige werkgever prettig om te weten! Ben jij bijvoorbeeld in staat om economie en wiskunde op havo-niveau te volgen, terwijl je de talen op vmbo-niveau volgt, dan lijkt me dat je een streepje voor hebt als je solliciteert naar een administratieve functie. Of misschien levert het je wel vrijstellingen op bij een vervolgopleiding.

Ik zou er daarom bij deze voor willen pleiten om in het onderwijs de mogelijkheid te creëren om vakken op verschillende niveaus te doen. Daarmee bied je de leerling meer uitdaging, en je vergroot de mogelijkheden voor de toekomst. Niet makkelijk om uit te voeren, maar volgens mij wel erg zinvol!

maandag 27 november 2006

Onderwijs ijlt na

hoe ziet de school er straks uit?We geven onze leerlingen onderwijs om ze voor te bereiden op een functie in de maatschappij. Een probleem dat zich daarbij voordoet is dat ze die functie in de maatschappij pas een jaar of 14 tot 18 na de start van hun schoolloopbaan zullen gaan vervullen. We moeten onze leerlingen dus voorbereiden op een toekomst die nog niemand kent. Niet eenvoudig, zeker niet als de maatschappij sterk aan het veranderen is. Om ons onderwijs aan te laten sluiten bij de vraag, zullen het ministerie van OCenW en de Onderwijsinspectie dus visie moeten hebben hoe de maatschappij er over een aantal jaren uitziet.

Niemand kan dat natuurlijk met zekerheid zeggen, maar ik vind het leuk om daar een gooi naar te doen. Laat ik daarvoor eerst eens een aantal uitgangspunten formuleren.
  1. In de huidige maatschappij komt steeds meer informatie beschikbaar;
  2. Er komt steeds betere software waarmee zaken doorgerekend kunnen worden. Er worden betere expertsystemen ontwikkeld, en we krijgen de beschikking over meer intelligente software;
  3. De wereld wordt steeds internationaler: internet en andere media maken dat we ons meer oriënteren op wat er direct elders in de wereld gebeurt;
  4. Er komen steeds meer apparaten waarin en software waarmee kennis opgeslagen wordt.
Op basis van deze punten kom ik tot de volgende voorspellingen.
Onze leerlingen van nu zullen straks steeds meer te maken krijgen met complexe problemen. Die problemen zullen eerst teruggebracht moeten worden tot deelproblemen, per deelprobleem uitgewerkt moeten worden en vervolgens zal op basis van de oplossing van die deelproblemen een besluit genomen moeten worden. Enerzijds betekent dat m.i. dat we meer specialisten nodig hebben, anderzijds moeten we ook meer mensen hebben die die verschillende specialiteiten aan elkaar kunnen knopen.

Om de (deel-)problemen op te lossen kunnen we gebruik maken van expertsystemen en een gigantische hoeveelheid bronnen, opgeslagen in allerlei databases en toegankelijk via allerlei verschillende apparaten. Elke bron heeft zijn eigen merites. Bovendien zal gebruik gemaakt worden van de kennis die is opgeslagen in de hoofden van specialisten uit de hele wereld. Dat betekent dat we onze leerlingen moeten leren welke bronnen er zijn, met welke hard- en software die bevraagd kunnen worden èn we moeten ze leren hoe ze bestaande internationale netwerken van specialisten kunnen bevragen en hoe ze zelf nieuwe netwerken kunnen ontwikkelen.

Hoe zou zich dit nu moeten vertalen in de lessen?
Allereerst denk ik dat we onze leerlingen meer complexe problemen moeten laten oplossen. We moeten niet zelf tevoren kennis in stukjes hakken; het opdelen van een vraagstuk in deelproblemen moet onderdeel zijn van het onderwijs.

Om de deelproblemen op te kunnen lossen moeten we de leerlingen leren gebruik te maken van zoveel mogelijk bronnen. Bibliotheken, archieven, musea, kranten, tijdschriften, websites, weblogs enz.: ze bieden allemaal toegang tot informatie. We moeten onze leerlingen ook leren gebruik te maken van de apparaten waarin die informatie ligt opgeslagen: niet alleen in computers, maar ook in pda's, mobiele telefoons en in gsm-apparatuur en digitale camera's. En natuurlijk moeten we ze ook leren hoe ze om moeten gaan met de software die de toegang biedt tot de informatie: zoekmachines en portals, maar bijvoorbeeld ook Google Earth en andere geografische informatiesystemen, beeldbewerkingssoftware en allerlei mash-ups (software die content van verschillende bronnen combineert en zo de informatieve waarde vergroot).
Dat betekent overigens niet dat ik er voorstander van ben om leerlingen niets meer uit hun hoofd te laten leren. Ik denk dat waar mogelijk gebruik gemaakt moet worden van allerlei bronnen, maar het is natuurlijk wel zo handig als een aantal zaken tot je parate kennis behoren. Als je een taal wilt spreken, kun je niet alles in een boekje opzoeken: dat kost veel teveel tijd. En het is reuze praktisch als je wat weet van de geschiedenis zodat je ontwikkelingen in een historische context kunt plaatsen. Ik denk dat het nut van parate kennis zal blijven bestaan, maar ik denk dat we er niet voor moeten terugdeinzen om kennisbronnen in ons onderwijs te benutten, niet alleen tijdens het leerproces, maar ook in de toetsen. Al heel gauw zal de leerlingen dan weten welke informatie hij zich beter eigen kan maken, en welke informatie beter opgezocht kan worden in de bronnen.

Leerlingen moeten verder leren gebruik te maken van bestaande netwerken en ze moeten leren zelf nieuwe netwerken te ontwikkelen. Veel jongeren doen dat al: ze hebben hun eigen MSN-lijst, een Hyves-pagina of een weblog en posten op fora. Het onderwijs moet jongeren stimuleren gebruik te maken van dit soort netwerken, zodat ze leren welke informatie in welke netwerken gevonden kan worden en wat de kwaliteiten zijn van de verschillende soorten netwerken. En natuurlijk moeten ze ook leren om zelf netwerken op te richten en te onderhouden: niet immers voor iedere vraag zijn netwerken ingericht, en soms zal het noodzakelijk zijn een nieuw netwerk op te zetten en te onderhouden zodat er voor langere tijd gebruik van gemaakt kan worden.

Om de oplossingen van alle deelproblemen tot één geheel samen te smeden moeten we de leerlingen leren een helicopterblik te ontwikkelen. Daarvoor is het nodig dat ze snel kunnen switchen van het één naar het ander, en dat ze leren snel te focussen één aspect, waarna ze hun blik weer op andere zaken kunnen richten. Veel jongeren doen dit nu al: wanneer ze gamen en/of wanneer ze allerlei zaken tegelijk aan het doen zijn (multitasken).

Op basis van bovenstaande visie kom ik tot een aantal aanbevelingen:
  1. Leg de leerling complexe problemen voor en help ze - waar nodig - om de deelproblemen te formuleren;
  2. Bied in het onderwijs zoveel mogelijk verschillende soft- en hardware aan aan de leerlingen, en maak hiervan gebruik in het onderwijs. Begeleid leerlingen bij het gebruik; niet zozeer bij de technische aspecten ervan (op dat gebied hebben ze vaak zelf voldoende expertise), maar vooral bij de interpretatie van de informatie die de soft- en hardware bieden;
  3. Stimuleer samenwerking: laat leerlingen hun eigen netwerken te gebruiken, ander netwerken ontdekken en nieuwe netwerken opzetten. Begeleid ze bij de interpretatie van de informatie die de netwerken opleveren;
  4. Stimuleer de multitasking-vaardigheden van leerlingen. Door ze ook in school allerlei verschillende zaken aan te bieden, door ze te vragen meer dingen tegelijk te doen of door ze te laten gamen.
Maakt dit het onderwijs leuker? Ik denk het wel. Ik denk dat deze aanpak meer aansluit bij de leefwereld van jongeren. Je maakt gebruik van de media en de middelen die zij zelf gebruiken, je daagt ze uit om een beroep te doen op hun eigen kennis en vaardigheden, en je biedt ze de mogelijkheid om hun eigen expertises te laten zien. Ik verwacht dat een dergelijke aanpak motiverend werkt, en jongeren zal stimuleren om op onderzoek te gaan en te ontdekken waar hun mogelijkheden liggen. Maar - tenminste even belangrijk - ik denk dat onderwijs dat op deze leest geschoeid is aansluit bij de vraag van de maatschappij van de toekomst. En dat is uiteindelijk waar we onze leerlingen voor opleiden: niet voor het nu, maar om te functioneren in een maatschappij zoals die eruit ziet als zij aan het werk gaan.

maandag 9 oktober 2006

Oude en nieuwe wereldwonderen

Webkwestie De 7 Wereldwonderen
John Demmers, de man die als eerste in Nederland de webquest bekendheid heeft gegeven, heeft nu een prachtige webquest (of, zoals hij het noemt: een webkwestie) gemaakt. Niet alleen voldoet deze webquest aan alle (didactische) eisen die daaraan gesteld worden, het is ook een vernieuwende webquest omdat hij hierin gebruik maakt van zowel video als van Google Earth. Echt multimediaal dus!
De webkwestie 'De 7 Wereldwonderen' is bestemd voor leerlingen van groep 6, 7 en 8 uit het basisonderwijs en voor de onderbouw van het voortgezet onderwijs. De vakken die in deze webquest aan de orde komen zijn Geschiedenis, Aardrijkskunde, Wereldoriëntatie. Wat de webkwestie extra leuk maakt is dat die gebaseerd is op de wereldwijde verkiezing van de nieuwe 7 wereldwonderen. Er zijn 21 bouwwerken genomineerd, en iedereen mag stemmen welk van deze bouwwerken tot de nieuwe 7 wereldwonderen gerekend moeten worden. Via de verkiezingssite kunnen leerlingen hun stem uitbrengen, maar ze kunnen ook foto's van posters, maquettes etc. die ze gemaakt hebben opsturen naar de site zodat ze op de pagina met 'schoolprojecten' geplaatst kunnen worden. Basisschool De Tweemaster in Nieuwleusen is één van de scholen die hun projecten via die pagina aan de wereld laten zien!
Wil je meer informatie over de (oude) 7 wereldwonderen? Neem dan ook eens een kijkje op de ThinkQuest-site van Marco Tijs en Harmen de Weerd. Deze site is van een heel andere orde van grootte (didactisch misschien minder sterk, maar wel heel speels), maar ook zeer de moeite waard om met kinderen mee aan de slag te laten gaan.
En tot slot wil ik hier nog even de webkwestie-website van John onder de aandacht brengen: http://www.webkwestie.nl/. Daar is veel interessants te vinden, en je kunt John via die site altijd een mailtje sturen als je meer wilt weten over webkwesties. Hij weet er echt alles van!

vrijdag 15 september 2006

Een les als een game

gamend kindGamen in het onderwijs is natuurlijk leuk (althans: dat vind ik), maar ik kan me voorstellen dat er docenten zijn die daar anders over denken. Of misschien vinden ze gamen op zich wel leuk, maar zijn er zoveel hindernissen te nemen (geen bruikbare content, niet voldoende goede computers, onbekendheid met games) dat ze die stap niet kunnen zetten. Maar je hoeft natuurlijk niet per sé te gamen: je kunt er ook voor kiezen om een les te maken die net zulke aansprekende elementen heeft als games hebben.

Over wat games aantrekkelijk maakt zijn al verschillende onderzoeken gedaan. Ik zal jullie niet vermoeien met een overzicht van wat iedereen ervan vindt, maar alleen de elementen noemen die de meeste experts als de kracht van videogames worden noemen. Dat zijn:

  • competitie,
  • uitdaging,
  • interactie,
  • beheersing/controle: de speler heeft in een game de macht,
  • fantasie,
  • de combinatie beeld, geluid en korte teksten.
Maar hoe kun je dat nu in je les verwerken zonder dat je de leerlingen laat gamen?
Competitie in de les is natuurlijk niet zo heel moeilijk. Je kunt makkelijk een wedstrijdje organiseren tussen de leerlingen. Daarbij is de prijs die gewonnen kan worden natuurlijk wel een belangrijk gegeven. Een goed (extra) cijfer of bonuspunten bij een volgende repetitie kan daarbij helpen, maar voor veel leerlingen zal dat weinig motiveren. Wat motiveert ze dan wel? Wat ik hoor van leerlingen is dat ze het belangrijk vinden dat niet alleen het eindresultaat telt; ook de weg daarnaar toe moet beoordeeld worden. We weten allemaal dat de ene leerling meer moeite moet doen voor een goed resultaat dan een andere, en er zijn ook leerlingen die op een andere manier een grote bijdrage leveren aan een les, bijvoorbeeld doordat ze goed plannen, samenwerken, een prettige werksfeer weten te creëren enz. Bij een repetitie kan dat soms niet meegeteld worden in het cijfer, maar als je een wedstrijdje doet in de klas kunnen dit soort zaken natuurlijk wel benoemd worden, en misschien ook wel gehonoreerd. Een Mars of KitKat of al dat soort verderfelijke, maar door jongeren zeer gewaardeerde lekkernijen kunnen wonderen doen!
Een game die niet uitdagend is, wordt door gamers al heel snel terzijde gelegd. Ik vind het altijd grappig om te zien dat jongeren bereid zijn om uren te investeren om op fora en websites te zoeken naar de beste strategie om een spel te spelen. In games wordt veel aandacht besteed aan leveldesign: als je hebt geleerd wat op een bepaald niveau te leren valt, ga je direct door naar een ander niveau. Je komt dan in een mooiere wereld, je krijgt een snellere auto of een extra wapen enz. En natuurlijk worden er weer nieuwe eisen aan je gesteld. Die nieuwe eisen zijn niet per definitie zwaarder: ze kunnen ook een beroep doen op andere vaardigheden. In het onderwijs zijn we vaak gewend om als een leerling goed is in een vak, hem of haar moeilijker lesstof te geven, en is iemand slecht dan starten we op een lager niveau. Als je games als voorbeeld neemt, dan zou je in je les in zo'n situatie er ook voor kunnen kiezen om een leerling op een andere competentie aan te spreken. Wat ze niet weten zullen ze vaak toch oppikken van andere leerlingen. Als een spel leuk en uitdagend is, zal daarover het nodige overleg gevoerd worden, en dat geldt vast en zeker ook voor lessen die als een game gegeven worden! In ieder geval lijkt het me belangrijk om een nieuw level niet (alleen) te laten bestaan uit nog moeilijker lesstof, maar om de leerling ook een beloning te geven omdat hij een level heeft behaald. Wat die beloning is, hangt natuurlijk helemaal af van wat de mogelijkheden zijn, en welke prestatie geleverd is. Misschien toegang tot extra informatie waarmee een volgend level behaald kan worden? Of toch weer die candybar, een bonuspunt om een slecht cijfer te compenseren??
Interactie is soms lastig in een klas met een stuk of 25 tot soms wel 30 leerlingen. Maar misschien kun je dat wel bereiken door de leerlingen vooral op elkaar te laten reageren. Daarvoor moeten ze natuurlijk om te beginnen wel geïnteresseerd zijn in elkaar en wat er in de les gebeurt, maar misschien kun je dat wel bewerkstelligen door de leerlingen zelf controle te geven over wat er gebeurt.
In een game is het belangrijk dat de speler het gevoel heeft dat hij het spel beheerst. Weinig is zo frustrerend voor een gamer als door een spel 'beheerst' te worden, bijvoorbeeld omdat het spel zo gemaakt is dat het toeval de bepalende factor is in het spel. Ik denk dat het belangrijk is dat een leerling het gevoel heeft dat zijn acties gevolgen hebben voor het verloop van het spel/de les. Niet allen in negatieve zin (ga jij de klas maar uit...), maar ook in positieve zin. En dan is het natuurlijk wel zo prettig als er afspraken zijn hoe je als leerling je een bepaald doel kunt bereiken. En dat hoeft volgens mij weer niet te gaan om een eindcijfer, maar misschien zijn dat ook wel heel korte termijn doelstellingen.
Daarnaast is het in een game belangrijk dat een speler verschillende keuzemogelijkheden heeft om zijn doel te bereiken. Een game waarop je maar op één manier het einde kunt halen, maakt de speler machteloos. Het is veel leuker als je een eigen strategie kunt kiezen, bijv. door de keuze te hebben uit ofwel een snelle auto (die misschien wel kwetsbaar is), ofwel een wat zwaardere auto die minder kwetsbaar is. Ook in de les kun je natuurlijk keuzemogelijkheden inbouwen, bijv. door verschillend informatiemateriaal aan te bieden, de leerlingen de keuze te laten op welke manier ze willen laten zien dat ze de stof onder de knie hebben enz.
Fantasie speelt een belangrijke rol in games. Soms doordat je je in een virtuele wereld bevindt, maar ook omdat je bijvoorbeeld een rol krijgt die je nog niet kent. Het is soms heerlijk om in de huid van een schurk te kruipen, de 'healer' te zijn die de spelers weer beter kan maken zodat ze weer het slagveld kunnen betreden of de leider te zijn van een alliantie die (samen met zijn medespelers) de strategie bepaalt. In de les is het niet zo makkelijk om een nieuwe wereld te maken (alhoewel ik respect heb voor sommige docenten/leerkrachten die elk jaar weer hun lokaal totaal anders inrichten!). Het spelen van een rol is vaak wat eenvoudiger te realiseren. En natuurlijk kun je ook onverwachte elementen inbouwen in de les. Een keer een tegenvaller die ze een stap terug zet, maar tegelijkertijd ook de kans biedt om vervolgens weer 2 stappen vooruit te gaan houdt een les spannend!
Een game kent over het algemeen maar weinig tekst. Wel is er veel beeld en vaak ook veel geluid, waarbij het een het ander ondersteunt. Op het web komt de laatste tijd steeds meer beeldmateriaal beschikbaar (Schooltv-Beeldbank, Teleblik, BBC, maar ook initiatieven als YouTube en GoogleVideo), en als je op zoek bent naar muziek, dan hoef je maar aan een paar leerlingen te vragen hoe zij hun mp-3 speler vullen ;-) Wees niet bang dat muziek de concentratie van de leerlingen verstoort: onderzoek heeft aangetoond dat muziek waar je niet bewust naar hoeft te luisteren juist stimulerend kan zijn bij het leren. En misschien kan een opzwepend muziekje tijdens het laatste lesuur van een lange werkdag de leerlingen ook wel erg stimuleren! Het lijkt mij de moeite van het uitproberen waard!
Het is een hele lijst geworden. En wie voor de klas staat heeft misschien nog veel originelere en of betere ideeën hoe je invulling kunt geven aan de lijst van voor games cruciale elementen die ik hierboven gaf. Maar misschien is het een aanzet om de kracht van games te vertalen naar een les-setting. Als jullie suggesties hebben om dit verder uit te werken: graag!

donderdag 14 september 2006

Leerlingen aan het werk op school

SchoolIn het weekend las ik in de Volkskrant het verhaal van een ondernemer die vertelde dat hij zijn eerste stappen op het ondernemerspad had gezet op school. De school waar hij werkte had de kantine 'uitbesteed' aan de leerlingen: zij moesten ervoor zorgen dat die bevoorraad werd en dat de kantine bemand werd. En blijkbaar hadden ze ook aandelen uitgegeven, want er werden heuse aandeelhoudersvergaderingen gehouden. Prachtig: ik werd er helemaal enthousiast van en kreeg hele visioenen hoe het onderwijs de taken die in en om school verricht moeten worden in kan zetten in het onderwijs, terwijl tegelijkertijd de school gebruik maakt van het potentieel van de leerlingen.

Er zijn natuurlijk op school heel veel zaken te regelen. De kantine is er één van, maar er moeten ook allerlei bijeenkomsten georganiseerd worden, schoolreisjes gepland, contacten gelegd, planningen gemaakt, boekenfondsen georganiseerd, mediatheken gerund enz. Allemaal dingen waaraan docenten en onderwijs-ondersteunend personeel (naast hun directe onderwijstaak) vele uren zoet mee zijn. Als we voor een deel van al deze taken (of misschien zelfs allemaal) nu eens leerlingen konden inzetten? En dan niet (alleen) voor de klussen waarbij stoelen van het ene lokaal naar het andere gesjouwd moeten worden, boeken gestempeld of voor het bedienen van de computer en de geluidsinstallatie, maar bij de klus van begin tot eind?

Van al deze klussen valt van alles te leren: hoe schrijf je een goede brief, in het Nederlands of in het Engels/Duits/Frans, hoe vind je goede bronnen voor de verschillende vakken en hoe kun je die beoordelen en ter beschikking stellen van anderen, wat is het logistieke proces als je boeken moet innemen en het volgend schooljaar verkopen en hoe organiseer je de boekhouding daarvan? Waar haal je de mensen vandaan die de boeken innemen, en hoe zorg je dat je dat iedereen doet waar die voor is aangenomen?

De leerlingen worden betaald voor hun werk in studiepunten of vrijstelling voor (een deel van) een vak en misschien krijgen ze ook wel een deel van de winst. In de schoolkrant of op de website enz. wordt een vacaturelijst gepubliceerd waarbij aangegeven wordt per klus welke functies daarbinnen beschikbaar zijn, welke taken bij die functies horen en hoeveel uren daarvoor nodig zijn, op welke uren gewerkt moet worden, en wat het oplevert. De leerlingen die geïnteresseerd zijn kunnen solliciteren op die functies. De leidinggevende van elke klus mag besluiten wie er in zijn team komt. Eventueel kan hij zich daarbij bij laten staan door de andere leden van zijn team. De tijd die vrijkomt doordat de leerlingen het uitvoerende werk doen kunnen de docenten gebruiken om de leerlingen te begeleiden want dat is vermoedelijk wel noodzakelijk. Tevoren moet goed nagedacht worden over wat de eisen zijn die aan het werk van de leerlingen wordt gesteld.

Voordelen? De leerlingen doen werk dat echt zinvol is, ze zullen zeker soms komen met verrassende oplossingen voor problemen, de oplossingen waarmee zij aan komen dragen zullen over het algemeen goed aansluiten bij de leefwereld van hun medeleerlingen en ik verwacht dat er meer draagvlak zal zijn bij de leerlingen voor genomen besluiten en - breder - meer betrokkenheid bij de school. Nadelen? Onzekerheid voor de school want je zult moeten accepteren dat leerlingen soms een probleem op een andere manier zullen oplossen dan je zelf had bedacht. Ook wordt er een fikse tijdsinvestering gevraagd van de begeleiders van de klussenteams, want zeker in het begin moet het wiel natuurlijk nog helemaal uitgevonden worden. En het leerproces moet steeds bewaakt worden: het gaat natuurlijk niet om een baantje naast school, maar in school! Maar mij lijkt het zeker de moeite waard om het uit te proberen!

woensdag 30 augustus 2006

Young 2006

Young 2006Van Dennis Hoogervorst van YoungMarketing kreeg ik een exemplaar van het boekje 'Young 2006', een uitgave van Sanoma uitgevers Young. Ik heb het met heel veel plezier gelezen. Het boekje geeft een indruk van wat kinderen en jongeren (tot een jaar of 18) bezig houdt. In het boekje staan teksten uit kranten en onderzoeken en uitspraken van experts op het gebied van o.a. jongerenmarketing. Alle teksten en uitspraken samen geven een beeld van de wereld van kinderen en jongeren van nu: welke trends zijn er te ontdekken bij jongeren, wat vinden ze belangrijk, hoe delen ze hun leven in, hoe gaan ze om met anderen enz. De tekstjes staan gegroepeerd in hoofdstukken:
  • Hun leven;
  • Hun omgeving;
  • Hun vrije tijd;
  • Hun producten;
  • Hun media;
  • Hun bereikbaarheid.

Ik zou het boekje graag willen neerleggen bij leraren en lerarenopleidingen en ze de vraag voorleggen welke gevolgen deze trends hebben voor hun lessen. Ik denk namelijk dat wie goed les wil geven, moet aansluiten bij de belevingswereld van jongeren. In dit boekje kun je lezen hoe die belevingswereld er op dit moment uitziet.

Ik zou graag op scholen workshops of studiedagen met docenten en leerlingen willen organiseren waarbij onderzocht wordt hoe in het onderwijs gebruik gemaakt kan worden van de trends die hier gesignaleerd worden. Je zou per hoofdstuk kunnen kijken hoe daarmee op dit moment om wordt gegaan, of het wenselijk is om dat te veranderen, en zo ja: hoe. Door leraren en leerlingen hier samen over te laten praten kun je misschien komen tot een nieuwe onderwijsaanpak waarbij leerlingen zich erkend weten in hun eigen wereld, en leren kan beginnen bij de grens van wat ze eerder en/of buiten school al bereikt hebben. Volgens mij kan dat een hele hoop frustratie schelen natuurlijk bij de leerlingen, maar ook bij docenten die soms het gevoel hebben leerlingen bijna niet meer te kunnen motiveren. Een beetje 'marketing' kan in dat geval misschien helpen!

Lees meer over het boekje op MarketingFacts en Mediaonderzoek. Wil je het boekje bestellen? Het ISB-Nummer is 90-13-039189. Je kunt ook een mailtje sturen naar Sanoma Young. Het e-mailadres vind je op hun site.

donderdag 6 juli 2006

You can have it in any color you want as long as it's black

Henri FordEergisteren sprak ik met een docent van de HvA over logistiek. Een boeiend vak, vind ik, waar je in allerlei sectoren mee te maken krijgt. In ons gesprek passeerden dan ook allerlei zaken de revue: de reden waarom rond de grote steden een maximum snelheid is ingesteld van 80 km/u, het spoorboekje, maar natuurlijk hadden we het ook over onderwijs.

Eén van mijn grote ergernissen is dat er over het algemeen een taboe rust op zitten blijven. Ik ben op zich niet tegen zittenblijven, omdat ik denk dat soms leerlingen gewoon niet toe zijn aan overgaan naar een nieuwe klas. Vaak is dat niet zozeer omdat ze de stof niet aan kunnen. Ik denk dat jongeren soms gewoon extra tijd nodig hebben om groot te worden. Tussen je 12e en je 18e moet je namelijk niet alleen een bepaalde hoeveelheid lesstof verwerken; je moet ook jezelf gaan ontdekken en jouw relatie tot de wereld. Dat kost tijd en energie en daardoor blijft er soms te weinig tijd over voor de lesstof. Ik vind dat op zich geen probleem, maar ik vind het wel jammer dat dat dan vaak betekent dat een leerling ofwel de school op een niveautje lager verder gaat, ofwel een vol jaar opnieuw dezelfde lessen moet volgen. Ik denk dat we in het onderwijs onze leerlingen ook zouden moeten kunnen aanbieden om een half jaar, of misschien ook wel maar één trimester/semester opnieuw te kunnen doen.

Dat is niet eenvoudig, want dan heb je op school allerlei verschillende stromen van leerlingen en het vraagt een goede logistiek om dat allemaal te stroomlijnen. Misschien moet je dan bijvoorbeeld wel de vakken geclusterd aanbieden, zodat je per tijdvak een aantal vakken van dat jaar afrondt. Of misschien moet je als school wel cursussen aanbieden waarop de leerlingen kunnen intekenen. Ik weet het niet, maar dat lijken me nu typisch vragen die iemand met kennis van logistieke zaken kan beantwoorden.

Het betekent in ieder geval een heel andere manier van onderwijs organiseren. Een organisatie waarbij er tijd is voor leerlingen om een vak sneller of langzamer te doorlopen, waarbij er tijd is om jezelf te ontdekken zonder dat je je daarna een jaar zit te vervelen tijdens de les. Een organisatie waarbij de leerlingen hun eigen kleur kunnen aannemen. Nu lijkt de school soms op de lopende band van Henri Ford, die alle auto's in dezelfde zwarte kleur afleverde: "You can have it in any color you want as long as it's black"! En dat willen we op school toch niet??

woensdag 5 juli 2006

Plagiaat: wat doen we ertegen?

plaatje anti-plagiaat Learning Support Centre University of Hong KongOp Edusite staat een artikel over de tweede Internationale Plagiaat Conferentie. Een van de sprekers op die conferentie, Sally Brown, stelde daar dat plagiaat het best bestreden kan worden door het aanpassen van de opdrachten.

Daarmee ben ik het niet oneens: door slim je opdrachten te formuleren kun je leerlingen/studenten dwingen om eigen werk te leveren. Mijn favoriete voorbeeld is daarbij dat je leerlingen niet vraagt om een verhaal te schrijven over een onderwerp en daar zelf bronnen bij te zoeken, maar dat je in plaats daarvan de bronnen zelf selecteert en de leerling de opdracht geeft om de opgegeven bronnen met elkaar te vergelijken en zelf tot conclusies te komen. Dat maakt het plegen van plagiaat meestal erg lastig!

Maar ik vind dat daarmee nog lang niet alles gezegd is over plagiaat. Ik zou aan de discussie over wat we moeten doen tegen plagiaat in het onderwijs nog twee elementen toe willen voegen.
Allereerst denk ik dat we heel kritisch moeten kijken naar de opdrachten die we aan onze leerlingen geven, en dat we soms juist gebruik moeten maken van het feit dat over bepaalde onderwerpen veel informatie te vinden is. Ik vind het niet verkeerd om leerlingen (de juiste!) informatie te laten zoeken over een onderwerp en dat samen te brengen in een document. Daarmee kunnen ze leren om goede informatie te zoeken en de essentie daarvan vast te leggen.

Don McCabe, een andere spreker tijdens de conferentie, stelde daarnaast voor om studenten een "erecode" te laten afleggen waarbij ze de belofte doen om "de hoogste standaard van academische integriteit te handhaven. Ik denk daar iets anders over. Ik denk dat we onze leerlingen moeten bijbrengen dat het plegen van plagiaat uiteindelijk in hun eigen nadeel is. Dat besef ontbreekt volgens mij bij veel leerlingen. Ik ga ervan uit dat onze leerlingen vrijwillig leren. Okee, soms lijkt dat wel anders, maar ik denk dat als een leerling werkelijk niets wil leren, die vast ook geen tijd wil investeren in het plegen van plagiaat. Voor mij staat vast dat een leerling in essentie wat wil leren. Maar van het plegen van plagiaat leer je als regel niets, dus waarom zou een leerling dat doen?

Ik denk dat wij op dit moment onze leerlingen onvoldoende duidelijk maken dat plagiaat plegen niets oplevert. Hoe vaak vragen we onze leerlingen niet om uitsluitend informatie te reproduceren? Ik heb dat zelf ook altijd zonde gevonden van mijn tijd: ik vind schrijven leuk, maar als iemand anders al eens wat heeft bedacht dan vind ik het zonde van mijn tijd om datzelfde verhaal nog een keer op te schrijven. Dat doe ik alleen als ik daar wat aan kan toevoegen: mijn eigen mening, een uitleg, een verband dat die ander nog niet had gelegd enz. Ik kan me heel goed voorstellen dat veel leerlingen het zonde vinden van hun tijd om een stuk te schrijven dat al door anderen geschreven is. Als wij vinden dat het belangrijk is dat een leerling zo'n stuk moet schrijven, dan moeten we ze ook uitleggen waaróm dat belangrijk is.

Ik denk dat we heel vaak moeite zullen hebben om die reden te geven. Want willen we eigenlijk wel dat leerlingen een verhaal schrijven dat anderen al geschreven hebben? Of willen we toch liever dat ze hun eigen visie ontwikkelen? Hoe beoordelen we of iets eigen is of niet? En hoe gaan we ermee om als die mening afwijkend is van bijvoorbeeld de algemene visie op dat onderwerp? Wat betekent het als een leerling een onjuist, maar wel heel origineel verhaal schrijft over het werk van een bekende schrijver? Ik heb soms de indruk dat we in het onderwijs niet altijd uit zijn op originaliteit, maar wel op reproductie! En dat is dan misschien wel een goede (?) reden om plagiaat te plegen!

donderdag 15 december 2005

Zitten blijven

In Trouw van gisteren:


In het Trouw-onderzoek ’Schoolprestaties’ zijn de jaarlijkse rendementen van scholen voor het eerst over vijf jaar, tussen 2000 en 2004, vergeleken. Havo-afdelingen scoren het vaakst onvoldoende. Op 58 van de 439 havo’s (13 procent) lukt het meer dan de helft van de bovenbouwleerlingen al jarenlang niet het diploma te halen zonder te blijven zitten. Degene die slagen doen dat met een mager zesje.


Wat mij verbaast in dit bericht is dat zitten-blijven blijkbaar wordt beschouwd als een meetfactor of scholen het goed of slecht doen. Ik ben geen principieel tegenstander van blijven zitten; soms denk ik dat het erg goed kan zijn voor leerlingen.

Als een leerling de overgang naar een volgende klas niet redt, dan komt dat doordat hij/zij te weinig inspanning heeft geleverd of omdat hij het niveau niet kan halen. In dat laatste geval zal er vaak gekeken worden of het mogelijk is om naar een ander niveau over te stappen. Heeft een leerling te weinig gewerkt, dan kan dat zijn omdat hij zijn prioriteiten verkeerd heeft gesteld. Zittenblijven kan dan een leermoment zijn. Ik ben zelf een keer blijven zitten op de middelbare school omdat ik niet lekker in mijn vel zat en niet goed kon presteren. Dat was natuurlijk heel frustrerend, maar ik heb er geen spijt van dat ik toen een jaar heb gedoubleerd. Ik had toen ineens de tijd om een aantal zaken op een rijtje te zetten voor mezelf, en om een stap richting volwassenheid te zetten. Kortom: ook een prima leermoment!

Wat ik wel erg betreur is dat zittenblijven betekent dat je het jaar daarop weer precies hetzelfde doet. Een vol jaar, is wel heel erg veel, en aangepaste programma's voor mensen die op bepaalde gebieden al voldoende kennis in huis hebben, zijn er op de meeste scholen niet. Ik denk zelf dat ik mijn jaartje zittenblijven nog beter had kunnen benutten als ik een jaar lang een aantal andere vakken had kunnen volgen. En om leerlingen die er bewust met de pet naar hebben gegooid te stimuleren om in de toekomst hun prioriteiten anders te stellen, zou het ook wenselijk zijn als ze een aangepast programma volgen in plaats van een programma dat ze al een jaar hebben gevolgd.

Wat mij betreft dus wel zittenblijven, maar graag met een programma dat past bij de leerling. Zittenblijven hoeft dan geen falen te zijn, maar is een moment om je te bezinnen wat je mogelijkheden zijn en hoe je ermee omgaat. En is dat niet wij willen in het onderwijs?

woensdag 30 november 2005

weblog in de wiskundeles

Afgelopen jaar deed Elmine Wijnia onderzoek naar het gebruik van een weblog in de (wiskunde-)les. In het vakblad voor schoolmediathecarissen, Dossier kennis en media, deed zij tussentijds verslag van de resultaten, maar nu is het project helemaal afgerond en heeft ze de uitkomsten van het onderzoek gepubliceerd in haar weblog.

Een aantal conclusies (uit het eerdere tussentijdse verslag en uit het laatste groepsgesprek):
  • leerlingen gaan aan de slag met de opdracht in het weblog tussen allerlei recreatieve handelingen door (Als ik achter de computer zit te surfen dan kan ik ook snel even kijken of er nog iets nieuws op het weblog staat');
  • het werken via een weblog maakt dat de leerlingen extra druk ervaren om ook echt aan de slag te gaan met hun huiswerk (‘Je weet gewoon dat de leraar regelmatig kijkt of je al iets bij hebt gedragen, daarom ben je eerder geneigd je huiswerk te doen.’);
  • de docent krijgt goed inzicht in de fouten die de leerlingen maken doordat het weblog de leerlingen dwingt hun werkwijze te laten zien;
  • de leerlingen vinden het leuk om met een weblog te werken omdat ze kunnen zien wat de anderen hebben gedaan en dat ze de opdracht hebben opgelost met de hele klas.

Ik hoop dat het onderzoek nog een vervolg gaat krijgen, ook bij andere vakken. Experimenteren met het gebruik van nieuwe middelen wordt namelijk pas echt zinvol als die experimenten ook geëvalueerd worden en de ervaringen publiek gemaakt worden!